VIII.
De familie Van Haeren
zat aan de koffietafel, en, o wonder, zeide Meta, Frank mankeerde niet.
"Meisjes," zeide hij kalm en bedaard als altijd, "wanneer
jelui gedaan hebt, verzoek ik je vriendelijk mij alleen te laten met
mama, want ik heb haar wat te zeggen"
"Mijn hemel! wat klinkt dat plechtig," riep Meta, "ben
je verliefd? Ik geef een dubbeltje aan de armen als ik dat eens zien
kon. De verfpot en de penseelen in het vuur! Henri zei 't nog van de
week. Ik wou dat die jongen eens duchtig verliefd werd en een flinke
vrouw kreeg. Toe, broer, is 't dat?"
"Och, plaag hem niet," vermaande Sophie, "'t is zeker
iets van zijn nieuw schilderij, misschien een reis om de wereld weI!"
"Maar stellig iets dat geld kost," plaagde Meta verder. "Raad
ik het niet, jongen?"
[71:]
"Ik laat het niet raden, doe maar geen moeite, kinderen,
dat is niet goed in deze hitte."
Toen het dejeuner afgeloopen was, stonden de meisjes op en vroegen:
"Moeten wij nu gaan, Frank?"
"Als het je belieft!"
"Nu, we zullen niet luisteren, hoor!"
Nadat ze weg waren, ging Frank naar alle deuren om te zien of zij zich
ook ergens verborgen hadden, en zijn moeder zeide geërgerd:
"Maar, Frank, waarvoor zie je ze nu aan? Om voor luistervinken
te spelen?"
"Ik vertrouw ze niet, mama!"
Hij zette zich tegenover zijn moeder neer en streek zijn snor glad.
"Nu, jongen, ik luister," en mevrouw trachtte te glimlachen;
"ik ben nieuwsgierig en ongerust!"
"Ik zal uw geduld niet langer op de proef stellen, moeder, en maar
dadelijk met de deur in huis vallen. Meta heeft het goed geraden. Ik
ben van plan te trouwen."
"Trou ... wen... en met wie? Ken ik ze?"
"Neen, volstrekt niet! 't Doet er ook weinig toe. Ik ben van plan
een vrouw te nemen voor mijzelf en voor niemand anders. Ik vraag u niet
haar te ontvangen, ik wil haar ook niet presenteeren aan mijn zusters
en overige familie, volstrekt niet. Ik heb mijn redenen haar te trouwen,
en ik kom uw toestemming vragen voor de wet, anders niet."
"O, God... daar heb je 't! Henn had 't mij altijd voorspeld, wat
zal hij nu zeggen? Zeker iets, waarmee je niet durft voor den dag komen.
Een vrouw, die je noch aan je moeder, noch aan je zusters durft voor
stellen
"
"Durven is 't woord niet! Ik bid u, agiteer u toch zoo niet, dan
kan ik niet voortgaan. Waarom zou ik 't niet durven? Volgens mijn begrippen
is zij een meisje als elk ander."
[72:]
"Maar volgens de mijne, volgens de onze is zij 't zeker niet,
stellig beneden onzen stand. Wat is 't dan toch? Zeg het mij gauw! Een
meid, een model?"
"Toevallig geen van beiden."
"Maar toch van minne afkomst. Is zij fatsoenlijk ten minste?"
"Fatsoenlijk! Natuurlijk, anders hoefde ik haar niet te trouwen.
Zij is zelfs te fatsoenlijk om mij haar hoofd tot model te leenen."
"Waar komt ze dan vandaan?"
"Belooft u mij kalm te blijven?"
"Is dat noodig? O God, o God!"
"Begint u nu!! Laat mij toch zelf beslissen over mijn leven. Ik
vind het noodig, waarom, dat doet er niet toe en het gaat niemand aan,
dit meisje te trouwen; wat heeft een ander er mee te maken?"
"Een ander, je eigen moeder!"
"Mijn moeder evenmin als een ander, heeft het recht zich te bemoeien
met de beslissing die ik neem over mijn leven. 't Is mijn leven, ik
moet het leven; 't is mijn vrouw, ik moet haar trouwen."
"O, die moderne principes! Henri had gelijk, ze brengen niets dan
ellende... Maar zeg me ten minste, waar haal je haar dan vandaan, waar
heb je kennis met haar gemaakt?"
"Ik haal haar niet ver van hier, uit de stad, en kennis heb ik
met haar gemaakt in Duinwijk. Wil u nadere inlichtingen, vraag ze oom,
hij kent haar misschien beter dan ik!"
Mevrouw Van Haeren begon hard te schreien. Frank zag haar aan, hij werd
vreemd te moede; alles wat hij deed, dacht en sprak, geschiedde volgens
een vooruit beraamd plan, volgens zijn eigen opvatting van het leven.
't Was nu voor 't eerst dat deze opvatting met die van een ander in
botsing kwam, en dat 't hem niet onverschillig liet, verwonderde hem
min of meer.
"Mama, ik begrijp niet waarom u dat zoo vreeselijk vindt. 't Zijn
immers mijn zaken," en met de handen
[73:]
in de vestzakken, zag
hij op de schreiende vrouw half medelijdend, half verbaasd neer.
"Mijn zaken? Zijn de zaken van mijn kind niet de mijne?" vroeg
zij tusschen twee snikken.
"Wel neen! U heeft het mij altijd gezegd, van jongs af. De jongen
moet zelf weten wat hij doet."
"Ja, dat heb ik, Henri en Charlotte hebben mij genoeg gewaarschuwd,
dat ik onverstandig handelde door je in alles je zin te laten doen.
Maar ik vertrouwde op je verstand, je karakter, ik ben te toegevend
geweest!"
"Lieve hemel! moeder! Maak daar toch zoo'n ophef niet van. Ik dacht
dat u moderner was in uw levensopvattingen. Ieder mensch heeft toch
het recht zijn keuze te doen en te weten wie hij tot vrouw verlangt.
Die malle wet stelt tot verplichting dat een zoon tot zijn dertigste
jaar de toestemming zijner ouders noodig heeft. Daarom kom ik u die
vragen; anders zou ik eenvoudig getrouwd zijn en 't u misschien later
verteld hebben. Ik vind u een goede vrouwen de meisjes zijn ook aardig,
maar Henri had ik er liefst buiten gehouden..."
"En waarvan wil je leven? Heeft zij geld?"
"Wel neen! Geen halve cent! Waarvan ik nu leef!"
"Ja, maar dat is heel anders, nu woon je bij mij aan huis!"
"'t Zal u geen cent meer kosten, we gaan ergens wonen op het land
of aan zee, waar ik stil en rustig werken kan. 't Wordt nu tijd dat
ik mijn impressies benuttig en wat produceer."
"Dus je hebt alles al besproken?"
"Of bedacht, zooals u wilt!"
"Maar zeg me ten minste hoe heet ze en wat doet haar vader?"
"U kent haar toch niet. Haar vader heet Gresinger, en, als u 't
nu volstrekt weten wil, wat mijnheer uitvoert: Hij is tapper en woont
în den Jordaan!"
"Een meisje uit een kroeg! 't is niet om te overleven!"
[74:]
"Kom, Ma, doe zoo overdreven niet. Wat zou 't nu of zij uit
een kroeg komt of uit een villa? Zij heeft toch twee oogen en een neus.
Maar wil u er alles van weten? Hier heeft u de verlovingskaartjes, ik
heb ze maar laten drukken, want als ik met haar loop en ik ontmoet kennissen,
dan weten de menschen meteen dat ik plan heb het meisje te trouwen."
Met verglaasde oogen staarde mevrouw op de eenvoudige kaarten.
Verloofd:
FRANK VAN HAEREN
Artist
EN
ROSE MARIE GRESINGER.
Amsterdam, Juli.
Geen receptie.
Dat was te veel!
Met het kaartje in de hand en den zakdoek voor de oogen, ging mevrouw
Van Haeren door de voorkamer, die echter ledig was. Zij moest de meisjes
spreken en vond haar boven. Meta was boos, maar Sophie gaf mama ongelijk.
"Frank was nu eenmaal artist en artisten doen alles anders, zelfs
trouwen! Hij moest weten wat hij deed! 't Was zeker een heel mooi meisje,
en dat ze niet precies van adel was, nu ja, dat kon hij niet helpen."
Maar Meta vond er slechts één ding goed aan, dat hij haar
niet aan de familie wilde presenteeren; zij wilde geen zuster hebben
uit een kroeg; de arme jongen was zeker betooverd door de listen van
een sirene uit den Jordaan, dat schepsel had 't er op aangelegd hem
te vangen, want met al zijn praats was Frank toch eigenlijk nog zoo
onnoozel.
Nadat mevrouw haar leed aan de meisjes had uitgeklaagd, voelde zij behoefte
naar Henri te gaan; zij liet een rijtuig komen en reed naar de Keizersgracht,
waar zijn kantoor en huis stonden.
[75:]
Natuurlijk stoof Henri bij het hooren der ongeloofelijke mededeeling
op; zijn vrouw kwam er bij en de oude mevrouw Van Haeren had een kwaad
halfuurtje te doorstaan.
Zij hadden het altijd gezegd en mama bijtijds gewaarschuwd, maar nu
gaf de uitkomst hun gelijk; inplaats van haar jongsten zoon behoorlijk
te leiden, liet zij hem geheele vrijheid, nu zag zij waar die vrijheid
op uitliep, een meisje uit een kroeg van den Jordaan! Maar zij mocht
in geen geval haar toestemming geven, neen, in geen geval.
"Ach! wat helpt me dat?" zuchtte mevrouw Van Haeren, "wat
helpt me dat? 't Maakt het schandaal nog grooter, dan trouwt hij met
een akte van eerbied, ik zal voor het gerecht moeten komen en eindigen
met toch maar toe te geven."
"Dat zou ik wel willen zien! In geen geval toestemmen; laat er
van komen wat wil, dan zijn wij ten minste voor de wereld gerechtvaardigd;
en natuurlijk geen cent subsidie."
"En zijn vaderlijk erfdeel dan? Hij is meerderjarig, en zal 't
opvragen."
"Ja, en dat komt me in dezen tijd van malaise slecht te pas, het
hem uit te keeren, maar dat hoeft hij niet te weten. Ik zal hem wel
spreken!"
"O, neen!" riepen beide dames tegelijk uit, "doe dat
niet, het geeft toch niets!"
"En waarom niet? Omdat mama en de meisjes mij voor een lastigen
Droogstoppel scholden, als ik een verstandig woordje tusschen al dien
artistiek en nonsens probeerde te gooien? 't Wijste wat ik nu doen kan,
is mijn handen in onschuld te wasschen en te zeggen: 't Gaat mij niet
aan, vroeger hadden ze mijn raad niet noodig, en nu de uitkomst mij
gelijk heeft gegeven, help ik hen niet uit de modder."
"O; Henri, wat ben je hard," snikte mevrouw, "geef me
liever raad, wat moet ik doen?"
"Ik heb u mijn raad gegeven: uw toestemming weigeren."
[76:]
De knecht kwam met de post binnen; Henri wierp een vluchtigen
blik op brieven en couranten, en haalde met driftige beweging er een
enveloppe uit.
"Zijn hand of liever zijn poot, want dat behoort ook tot de artistieke
eigenaardigheden, alle letters half onderstboven te zetten. Wat is 't?
Jawel! Daar heb je 't! De verlovingskaart."
"Ik wist dat ze gedrukt waren, maar dat hij ze nu al rondstuurt."
"Laat zien, laat zien!" riep Lollise, "Rose Marie Gresinger!
De naam is ten minste nogal fatsoenlijk. Wat zullen onze vrienden zeggen,
en Eugenie, die zoo met hem dweepte."
"Product der hedendaagsche opvoeding," spotte Henri.
"Vrouw, vrouw! spiegel je aan je zwager en pas op je eigen jongens.
Als pa nog geleefd had, was zoo iets nooit gebeurd. Verwen je kinderen,
laat ze hun eigen gang gaan, later trappen zij je op het hoofd en het
hart."
"Ik zie wel, dat je het er op gezet hebt mij mijn last nog zwaarder
te maken," zuchtte mevrouw Van Haeren opstaande; "'t eenige
wat ik nog doen kan: is naar mijn broer den dokter te gaan. Hij kent
dat meisje, dat zei Frank ten minste! Maar hij is ook zoo'n rare, ik
wed dat hij hem geluk geeft."
"Als oom Théo Frank geluk geeft, dan heeft hij 't ook,"
zeide Henri beslist, "en dan moeten we er ons bij neerleggen, al
vinden wij 't nog zoo ellendig!"
"Ik zou wel willen weten, aan wie hij die kaarten gestuurd heeft,"
zeide Louise, "hij kent de helft van onze kennissen niet eens."
"Des te beter," sprak mevrouw, diep neergeslagen; "'t
zal toch gauw genoeg bekend zijn! De meid zal hem niet loslaten, dat
begrijp je!"