VII.
Terwijl zijn familie onder een allerliefste veranda, met het gezicht op een aardig, kleurig tuintje, thee dronk en ieder, die maar eenigszins kon, de stad ontvluchtte om in het Vondelpark een weinig buitenlucht te happen en de oogen te vergasten aan het groen van perken en bosschages, aan het kronkelen van paadjes en vijvers, liep Frank, de benauwde, stoffige straten der
[61:]
stad in en nog wel door een gedeelte, waar frissche geuren ver
te zoeken zijn.
Hij wandelde over de bochtige Nassauade, langs in aanbouw zijnde huizen,
waar steenen geraamten, met holle vierkante oogkassen, uit den grond
verrezen naast bouwterreinen, die meer uit drassig groenzwart moeraswater
dan uit grond schenen te bestaan. Hij drentelde voort en stond nu en
dan stjl om een blik te werpen op de fraaje roodgouden lucht, waarachter
de boomen rondom het Buitengasthuis sterk afstaken, of om een groepje
kinderen, die een vlieger oplieten, droomend na te staren;. maar meestal
gjng hij zonder rond te zien voort totdat hij aan een pontje kwam.
Hij liet zich overzetten, volgde een oogenblik de Lijnbaansgracht met
haar hobbelig, onregelmatig plaveisel, en sloeg toen een lange straat
met een dichterlijken bloemennaam in; het was er warm, vol, stoffig;
al het leven, dat anders in de huizen krielde, wiemelde nu op straat;
breiende vrouwen in losse jakken, druk met elkaar in gesprek, stoeiende
of vechtende kinderen, drogend waschgoed, mannen, die in groepjes van
hun werk terugkwamen. De jonkman in zijn phantasiekostuum, waaraan zeker
tintje van zonderlingheid niet ontbrak, werd het onderwerp van alle
gesprekken; hij scheen het niet te merken, sloeg een zijstraat in en
kwam toen op een andere gracht, waarvan de naam ook een bittere satire
scheen op de verpestende walmen, die uit het water met zijn blauwgroen
glimmend waas opstegen.
Frank bracht onwillekeurig de hand aan den neus, een beweging, die opgemerkt
door een vrouw, haar een stortvloed van woorden ontlokte.
"Wel, belief je ook eau de klonje, fijne jonker! Als je neus daar
niet tegen kan, waarom blijf je dan niet in je eigen buurt? Wij roepen
je hier niet, hoor!"
Frank liep wat sneller voort, totdat hij aan een hoekhuis kwam, waarin,
evenals in de meeste hoekhuizen in de buurt, een tapperij en slijterij
gedreven werd. Het zag er verfloos en ontredderd uit; tusschen donker
[62:]
blauwe
horren zag men een paar bordpapieren plakkaten, waarop Nieuwe Bessen,
Beerenburger kruiden en Maag-elixer aangekondigd stonden. Een van de
ruiten was stuk en met papieroverplakt.
Frank stiet de deur open en trad in bet bedompte, benauwde vertrek,
met den planken vloer, waarover zand was gestrooid, en in een van welke
hoeken het roodbruine buffet met zijn veelkleurige karaffen stond.
Een werkman kreeg juist over de toonbank een glaasje klare, en die het
hem overreikte was niemand anders dan Rose-Marie.
De man zag den binnenkomende, wiens uiterlijk zulk een schrille tegenstelling
vormde met deze omgeving, een weinig wantrouwend aan; toen knipte hij
een oogje tegen het meisje, lachte valsch en grinnikte:
"Ja, ja, die fijnen moet men nooit vertrouwen. Goedendag, Roos,
veel pleizier!" En zijn pet verschuivend verliet hij de kroeg.
Rose-Marie spoelde werktuiglijk een glaasje om; haar gezicht stond ontevreden
en boos.
"Juffrouw Rose-Marie," zeide Frank, en leunde op de toonbank,
"heeft u zich nog niet bedacht?"
"Neen, mijnheer, ik blijf er bij!"
"Ik zal u telkens vijf gulden geven."
Haar handen beefden en haar wangen kleurden sterk.
"Ik kan 't heusch niet doen."
"Maar u hoeft immers niet alleen te komen!"
"Ik heb niemand die met mij mee kan."
"En Jansje dan?"
"Jansje, dat geeft niets en dat kan ook moeilijk. Och, mijnheer!
ik bid u, val me toch niet lastig; de buurvrouwen zien u hier dagelijks
inkomen en ze denken er 't hunne van. Ik moet allerlei praatjes hooren.
O, 't is al erg genoeg hier te leven, en dan zoo'n gebabbel..."
Zij streek met de hand langs de oogen.
"Maar wat steekt er nu in? Toen we aan zee waren, vond u het niets?"
"O, aan zee! Dat was ook heel iets anders! Maar
[63:]
hier dagelijks
naar uw atelier gaan, voor model spelen; dat mag ik niet."
"Wie wil 't niet hebben? Gresinger?"
"Hij? Als 't maar geld inbrengt, vraagt hij niet waar het vandaan
komt. Ik wil 't zelf niet; ik moet zoo voorzichtig zijn; braaf blijven
is niet moeilijk, maar braaf schijnen in zoo'n buurt, in zoo'n huis,
dat is bijna onmogelijk. En ik wil niet alleen goed b!ijven, maar 't
ook heeten."
Zij zag er vastberaden uit, het kleine ding met haar mooie oogen en
fijn besneden mondje. Frank zag haar peinzend aan.
"Mijn toekomst hangt er van af," ging hij na een poos voort,
"geloof me! Ik meen 't ernstig, ik heb geen andere bedoelingen."
"Zeker geloof ik u! Waarom zou ik u niet gelooven? Maar niemand
past op mij, ik moet op mezelf passen."
"Maar wie kan er achter komen, of u dagelijks in de Houttuinen
komt, in mijn atelier?"
"O, de menschen zijn zoo slim en slecht, dat weet u niet."
Die wereldwijsheid stond haar kostelijk; Frank kon de oogen niet van
haar afwenden.
"U had langer in Duinwijk moeten blijven," zeide hij na een
poos.
"Als het maar kon. 't Heeft Jans zoo goedgedaan; nu sukkelt zij
weer!"
Er kwamen een paar klanten; een kind, dat een medicijnfleschje moest
laten vullen voor moeder, die 't zoo in de beenen had; en een paar werk!ieden
min of meer in kennelijken staat.
"Wil u nu maar gaan?" vroeg zij, "of wil u Jans zien?"
"Ja, ik ga naar boven."
Hij liep de zes treedjes op naar een opkamertje, waar het was om te
stikken, zoo benauwd, het was er half donker, want al het licht moest
komen uit de tapperij en uit een soort van luik, dat in een zijstraatje
uitkwam.
[64:]
"Dag Jans!" zeide Frank tot het meisje, dat in een hoek
gedoken zat, in een laag stoeltje.
"Dag meneer Frank! Heeft u Roos gesproken?"
"Ja, zoo eventjes."
"En wil ze nog niet?"
"Neen, geen quaestie van!"
"Zij is gek!"
"Ik vind het heel overdreven."
Men hoorde hard praten in de kroeg; de lui begonnen allerlei ongepaste
aardigheden tegen het meisje uit te kramen.
"Handen thuis! Pas op, Dirk!" riep zij barsch, "of ik
gooi je dat glas naar 't hoofd. Maak maar dat jelui wegkomt. Nog twee
cent, als het je belieft!"
"Is je vader niet thuis?" vroeg Frank; hij voelde zich een
beetje raar worden bij 't aanhooren van de taal, die het meisje moest
verdragen.
"Neen, hij gaat om dezen tijd zelf naar andere kroegen," antwoordde
Jansje. "Roos staat er dan heel alleen voor!"
Rose-Marie, eindelijk bevrijd van haar lastig gezelschap, kwam ook binnen;
schaamte en verontwaardjging spraken uit haar trillende lippen, neergeslagen
oogen en hooger blos.
"Juffrouw Rose-Marie," vroeg Frank, die haar nooit anders
dan met de grootste beleefdheid toesprak, "is het niet veel erger
zulke taal aan te hooren, dan dagelijks een uurtje door te brengen op
mijn atelier, waar ik u, ik beloof 't u heilig, met een eerbied zal
behandelen grooter dan wanneer u mijn zuster was?"
"Ja," antwoordde zij, 't is misschien erger, maar dit kan
nu eenmaal niet anders. Ik moet dit doen, en 't andere zou uit vrijen
wil zijn."
"Ik beloof u telkens een tientje."
"Mijnheer Van Haeren! zeg zoo iets niet meer, ik zou boos op u
kunnen worden en u niet meer achten. Waarlijk, dat loven en bieden van
u zou me doen denken dat u mijn besluit hieldt voor een gril.
[65:]
Ik doe 't niet om wat meer of minder geld, maar omdat ik 't niet kan
doen."
"Je bent niet wijs," verweet Jans. "Wat is er nu aan?
Verbeeld je toch eens een tientje, wat zou ik 't daar heerlijk van kunnen
hebben. Je denkt ook nooit aan mij!"
"O Jans, wees zoo onbillijk niet. 't Kost me moeite genoeg het
voorstel af te slaan, omdat ik er mijnheer een pleizier mee kan doen,
en omdat ik jou zoo graag een extratje gun, maar heusch, ik kan niet."
De schel aan de deur ging over.
"Daar is hij! Och, mijnheer, ik bid u, spreek hem niet over mij.
Hij zou me dwingen... "
Frank's kunstenaarsgevoel en zijn medelijden met het arme kind streden
een zwaren strijd tegen elkander; ook gevoelde hij dat het oneerlijk
zou zijn van zulk een bondgenoot gebruik te maken tegenover het meisje,
dat hem geheel vetrouwde.
Gresinger ging de kroeg door en riep luid:
"Roos, Roos!"
"Wat belieft u?" antwoordde het meisje aan de deur van de
opkamer.
"Waar blijf je toch! Waarom zit je niet hier?"
"Dat weet u wel, dat doe ik nooit, als er geen volk is."
"En 't hoort zoo, ik wil 't!"
"Ik wil 't niet!"
"Jij kleine slang! Ik zal je leeren!"
"O jé, het lieve leventje is weer aan den gang. Zijn tong
slaat dubbel," zuchtte Jans, terwijl hij de trappen opstommelde.
"Meneer, ik bid je, blijf nog wat," smeekte het kind angstig.
Rose-Marie bleef staan en zag zonder schrik dat hij haar naderde en
met zijn dronkemansgebaren op haar afkwam.
"Wil jij wel eens beneden komen?"
"Dank je! Ik doe 't niet, dat weet je wel!"
"En ik zeg 't je. Goedschiks of kwaadschiks!"
"Raak mij niet aan!"
[66:]
Zij stak de nanden vooruit en greep snel Gresinger's polsen.
"Ik verkies 't niet en daarmee uit."
"Ze durft hem aan," fluisterde Jans ademloos.
"Wat...," en een ruwe vloek ontsnapte zijn dikke, gezwollen
lippen, "wie heb je daar staan. Is dat je liefje?"
"Ik heb geen liefje. Dat is mijnheer Van Haeren, waarvan ik u verteld
heb, de neef van den dokter, die zoo vriendelijk voor Jans is geweest
in Duinwijk."
De aandacht van Gresinger was afgeleid; hij maakte een soort van buiging,
en Frank zag dat hij geen onknap figuur had, maar zijn gelaat was door
drank en hartstocht deerlijk gehavend.
"Nu, aangenaam kennis te maken, mijnheer! Maak dat maak je de kat
wijs, dat je hier komt alleen om mijn mooie bakkes te zien. Ik verkies
hier geen vreemde snuiters, hoor! 't Is je zeker te doen om mijn pupil
of om mijn mooie dochter! Kies maar, hoor; of wil je ze alle twee tegelijk
hebben?"
Het bloed steeg Frank naar het hoofd; hij zocht een geschikt antwoord,
maar ondertusschen vervolgde de ander op gemeenen toon:
"Voor mijn part kan je ze krijgen, als je mij maar geld genoeg
geeft om te rentenieren."
Daar schoot plotseling een lichtstraal door Frank's brein.
"Ik houd u bij uw woord, mijnheer," zeide hij, "en ik
vraag u de hand van juffrouw Rose-Marie; voor Jansje zal ik dan verder
zorgen en ook voor u!"
Rose-Marie was niet meer in de kamer; zij hielp in de kroeg een politieagent,
die een zeer wijs praatje maakte over den laatsten oploop in de buurt.
Frank had zijn hoed opgenomen, gaf Jansje een hand, boog voor Gresinger
en sprong de trappen af.
De politieagent ging heen en Frank maakte er gebruik van om Rose-Marie
haastig toe te fluisteren:
"U hoeft niet langer hier te blijven dan u verkiest. Morgen kom
ik antwoord halen; de baas en Jans weten wat ik er op gevonden heb."
[67:]
Hij was weg en Rose-Marie keerde verbaasd naar de opkamer terug.
Gresinger zat op de canapé naast Jansje en lachte luid:
"Wel, weI! Zou hij dat meenen, en dan noemt ze hem geen liefje!"
"Wat is er toch?" vroeg Rose-Marie.
"O, Roos!" riep Jansje opgetogen uit, "heb ik 't niet
altijd gezegd: Mijnheer Frank wil met je trouwen, en dan neemt hij mij
mee en pa zal hij met geld den mond stoppen."
"Kom, wat een gekheid!"
"Neen, 't is heusch waar, hoor! Ik heb 't zelf gehoord; 't lijkt
een rijke sinjeur te zijn, en dan ben ik jelui met fatsoen kwijt en
kan eindelijk aan mijn eigen geluk denken."
"Ik geloof 't nog niet; en al is 't zoo, dan is 't nog de groote
vraag of ik het wil," zeide Rose-Marie trotsch.
"Willen? Je wil staat achter de deur!" snauwde Gresinger,
"wis en waarachtig moet je willen, of ik zal 't je wel anders leeren.
Je trouwt dien mijnheer, hoor! en dan opgerukt marsch!"
"En u weet niets van hem, en ik ook niet, dan alleen dat hij de
neef is van den dokter."
"En die dokter, weet je daar zooveel van?"
"Ja, daar heb ik goeds genoeg van gehoord. Ik laat me niet uithuwelijken,
en door u 't allerminst!"
"Veerbeeld je eens aan! Is je dit huwelijk nog te min?"
"Ik geef niets om dien man."
"O Roos," snikte Jans, "je hebt ook niets voor me over.
Noch om voor hem tot model te zitten, noch om hem te trouwen. Denk eens
aan, we zullen van hier weggaan, we zullen dat gekibbel niet meer hooren
en die Iucht niet ruiken en we krijgen geen slaag meer!"
"Kom, Jans, ga mee naar boven! Ik heb geen zin meer, van avond
in de kroeg te helpen."
"Hoor eens aan," gichelde Gresinger, "de nieuwe mevrouw
begint reeds met haar bereddering! Nu, slaat er maar eens op, hoor,
en o wee als je weigert...
[68:]
"Wat dan?"
"Dan sla ik je armen en beenen stuk."
"Probeer 't eens, er is een politie in Amsterdam."
Toen de meisjes in haar benauwd kamertje boven de herberg zaten, weer
een paar trapjes hooger, kon Jans maar niet uitscheiden over het belangrijke
voorval; zij vertelde haarfijn hoe 't gekomen was en Rose-Marie luisterde
toe.
"Ach, Roos, doe 't toch!" vleide het kind, "'t is zoo
niet langer uit te houden; hij is tegenwoordig alle dagen dronken. Denk
eens aan, wat het heerlijk zal zijn, als wij in een mooi huis wonen
en in nette kamers en misschien een meid krijgen en dan hem nooit meer
zien."
Rose-Marie zuchtte diep.
"Ik zal nadenken, Jans, dat beloof ik je," antwoordde zij.
"En hij is zoo knap, en zoo net en zoo beleefd! Wat was hij niet
vriendelijk van 't eerste oogenblik dat hij mij in de tram droeg. Wat
heb je tegen hem?"
"Ik weet het niet, ik begrijp hem niet goed," zuchtte Rose-Marie.
"Ga nu liggen, Jans; ik zal nog wat haken. De kannt is haast klaar."
"En dan van achteren beschouwd is 't misschien maar goed, dat je
niet als zijn model wou zitten," ging het kind naïef voort,
"anders had hij je zeker nooit ten huwelijk gevraagd, maar nu ziet
hij geen kans om je anders er toe te krijgen."
Rose-Marie werkte met koortsachtig en ijver voort, totdat de lamp haar
verliet. Jansje sliep rustig en beneden hoorde zij de schelle stem van
Gresinger tusschen het luidruchtige gelach en gevloek der avondgasten.
Zij maakte het raampje open en stak haar hoofd naar buiten; het was
benauwd; warm; de akelige geuren van de gracht stegen tot haar op, maar
boven, hoog boven haar glinsterden de sterren zoo rein, zoo helder,
zoo trouw!
"Vader, moeder!" bad zij, "Zie mij aan! Ik ben zoo alléén,
zoo alléén en 't is hier onhoudbaar!"
[69:]
Daar dacht zij aan allerlei heerlijke dingen, dingen, die zij
in haar jeugd had gekend, maar sinds dien tijd steeds had moeten missen;
aan ruimte, aan licht, aan bloemengeuren, aan beleefde gesprekken en
hoofsche manieren, aan hooge kamers, aan mooie meubels, aan stilte,
rust en... over dat alles heen kwam plotseling, als een veel warmer
stroom, iets anders strijken, een heet, een vurig verlangen naar nog
meer dan dat alles, een brandende dorst naar iets, dat al het andere
zou verdringen, haar ziel vervullen, haar hart bevredigen.
Het drong naar haar keel, het dreigde haar te verstikken.
Zij stak haar hoofd verder uit het raam en haar oog verloor zich daarboven
tusschen de sterren; zij vouwde haar handen, en tranen stroomden langs
haar wangen en hijgend snikte zij het uit:
"Dat is 't wat ik noodig heb, waar ik naar verlang, wat ik nooit
heb gehad, dan vroeger, heel veel vroeger, toen mama nog leefde, en
mij haar engel, haar lieveling noemde... Liefde, geluk! Ach, God! geef
mij toch geluk, geluk en liefde!"
En als zij aan Frank dacht, dan was 't of zij èn geluk èn
liefde van zich afstiet voor altijd.
"Hij heeft me niet lief, hij biedt mij nu zijn naam," dacht
zij met wreede logica, "zooals hij me straks een tientje bood,
alleen om zijn model te wezen. En daarvoor ben ik toch te goed, veel
te goed."
Zij trad naar het smalle ledikant, waar het flauwe licht van de lantaarn
buiten, het leellike kopje en het misvormde lichaam der slapende Jans
verlichtte; zij lachte in den slaap, zooa]s zij over dag nooit lachte,
en Rose-Marie schreide.
"Arme meid! Ik mag toch niet alles voor je opofferen, dat kan mama
niet van mij verlangen," dacht zij, maar met de groote beweeglijkheid,
zoowel haar geest als haar physionomie eigen, viel het haar plotseling
in wat zij dan toch eigenlijk. opofferde.
Deze omgeving, bijna schandelijk, het gezelschap van
[70:]
Gresinger
en zijn kameraden, misschien wel een naderend failliet en dan, wat dan?
Zij wist wat er komen zou als zij bleef weigeren.
Jans zou onhandelbaarder en lastiger van humeur en zieker dan ooit worden;
Gresinger was in staat niet alleen haar, maar ook zijn eigen dochter
te mishandelen.
Wanneer zij alleen was, dan kon niemand haar dwingen, maar nu met die
arme meid!
"Als ik 't maar wist, waarom ik 't niet doen mag, want ik mag het
niet doen," vroeg zij telkens, terwijl zij in slaap viel, zichzelf
af. "Is 't om mij, of om haar, of om hem? Wat heb ik dan toch te
verwachten? Dag aan dag dit leven! Is dat dan zooveel waard?"
Zij viel in slaap zonder tot eenig besluit gekomen te zijn.