[77:] IX.
Nergens echter bracht
de verlovingskaart zulk een ontroering teweeg als in het huis der aanstaande
bruid zelf.
Rose Marie stond de karaffen achter het buffet af te stoffen, toen de
post drie enveloppes binnenbracht; zij dacht dat het circulaires waren
en liet ze liggen, maar het oog van Gresinger, die even uit was geweest,
viel er op; hij zag ze in en riep verbaasd uit:
"Wel, hij laat er geen gras over groeien. Ik wist niet dat het
al zoo ver was; hij had mijn toestemming als voogd toch wel kunnen afwachten."
"Wat is er? vroeg Rose-Marie.
"Wel het bericht van je verloving!"
"Mijn verloving!"
Het kind moest zich aan het buffet vasthouden, anders was zij in elkander
gezakt; Gresinger hield haar de kaart voor.
"Maar ik heb nog geen ja gezegd en ik wil 't ook niet zeggen. Ik
laat me niet dwingen."
Zij rukte de kaart driftig uit zijn handen en scheurde haar in kleine
stukken.
"'t Is ongehoord! Gisteravond heb ik 't hem nog gezegd, dat ik
er geen zin in had en het niet wilde doen, en nu
"
"Hij begrijpt heel goed, dat het maar flauwe praatjes van je zijn,
en dat je niet zoo mal zult wezen om zoo'n partij af te slaan. Je koet
het zelf weten, je herinnert je, wat ik gezegd heb. 't Verveelt me voor
jelui op te trekken, 't wordt eens tijd aan me zelf te denken; ik wacht
maar op jelui vertrek om met juffrouw Bock te trouwen; zij heeft geld
en is dol op mij! Wil je onder haar staan, dat moet jij weten, anders
zend ik Jans naar een gesticht en jij moet zien waar je terechtkomt!"
Rose-Marie sprak geen woord; haar gezicht stond in vuur; zij zette de
karafjes op hun plaats en liep de opkamer in,
[78:]
Jans zat in haar
gewoon hoekje wanhopig te schreien; zij had alles gehoord, want Gresinger
sprak altijd hard en ruw.
"O, Roos, je meent het immers niet. Verbeeld je dat hij met dat
wijf trouwt, dan is ons ongeluk niet te overzien. Of wil je mij naar
een gesticht laten zenden? Dat had mama moeten weten."
"Maar Jans, ik kan toch niet met een gek trouwen, want een gek
dat is hij; een verstandig mensch zendt toch geen verlovingskaarten
rond vóórdat hij 't jawoord heeft. En hij weet niet eens
mijn naam, hij denkt dat ik ook Gresinger heet!"
"Maar je doet het toch! Hij is zoo'n nette heer en zoo rijk! Er
is anders geen middel om hieruit te komen. Och, doe 't dan om mij, als
het niet om je zelf is!"
"Zij zal 't wel laten, het niet te doen," brulde Gresinger
weer, "ik zal 't je maar ronduit zeggen. De zaak verloopt en dat
is jou schuld, Roos; met je zure gezicht jaag je alle lui van hier.
Nooit een aardigheid, altijd even bits, even snauwerig. Ga je gang maar!
En nu is er een mijnheer, een deftige mijnheer, liefst uit de Vondelstraat,
die zoo mal is 't ernstig met je te meenen, en die zou je de bons geven.
Dat nooit, zei van Speyk! Je speelt nu maar "Aap wat heb je mooie
jongen," tegen hem! Maak geen spektakel over die kaart en houd
het er voor dat je werkelkijk geëngageerd bent."
Rose-Marie zuchtte diep, heel diep.
"Ach, wat doet het er ook eigenlijk toe of ik hier ongelukkig ben
of ergens anders! Geluk is toch niet voor mij bestemd!" zeide zij.
Er kwam iets straks in haar gelaat, haar oogen staarden brandend en
droog voor zich uit; Jans nam haar hand en voor 't eerst sedert vele
jaren klonk haar stem vriendelijk en vleiend:
"Waarom zou je niet gelukkig worden, Roos? Je wordt nu een echte
dame. Je krijgt mooie kleeren, een mooi huis, je hoeft niet meer in
de herberg te staan, en ook ik zal 't goed hebben en ik zal nooit meer
klagen over mijn ongeluk."
[79:]
"Zal je dat heusch niet meer doen, Jans?"
"Neen, heusch niet! Ik beloof 't heilig!"
Rose stond op en zeide dof:'
"Dan moet het maar!"
Intusschen was Frank onmiddellijk na zijn gesprek met zijn moeder naar
het station getramd om naar Duinwijk te gaan; hij kwam er tegen zes
uur aan en vond zijn oom niet thuis.
Juffrouw Bol, wier gunsteling hij was, dekte voor hem de tafel, warmde
een paar kliekjes op, trok zelf een fiesch wijn open en voorzag hem
van sigaren nadat hij zijn maal geëindigd had.
Frank ging bij het zoogenaamde zeeraam zitten en bleef droomerig het
eeuwig wisselende spel der golven gadeslaan.
"Zonderling wat zij op die zee lijkt en die zee op haar,"
dacht hij, en zoo verdiept was hij in het gezicht, dat hij zijn oom
niet eens hoorde binnenkomen; eerst toen zijn naam genoemd werd, sprong
hij op.
"Wel, Frank; wat verschaft mij de eer van je bezoek!" riep
dokter Theo.
"Een nieuwtje, oom, dat ik u vertellen wilde, vóór
u 't van anderen hoort."
"En kom je daarvoor expres van Amsterdam, dat is heel beleefd.
Wien gaat het nieuwtje aan?"
"Mij, oom, en niemand anders! Ik ben geëngageerd met Rose-Marie
"
"Wat! Hoe kom je daarbij? Je hadt me toch beloofd..."
"Geen liefdeshistorie met haar te beginnen. Dat heb ik ook niet
gedaan; 't eerste lieve woordje moet ik nog met haar wisselen, maar
ik heb haar vóór dien tijd ten huwelijk gevraagd."
"En wat zegt je moeder er van?"
"Ma is natuurlijk niet in haar schik, zij kent haar volstrekt niet,
maar dat doet er niet toe."
"En houdt je veel van haar?"
"Ik, oom? Dat weet ik niet!"
"Maar je wil haar trouwen!"
[80:]
"'t Eene volgt toch niet uit het andere. 't Meisje trekt
me aan, zij is anders dan alle andere vrouwen; meisjes, zoogenaamd van
mijn stand, vind ik onuitstaanbaar banaal en conventioneel. Zij is frisch,
nieuw, oorspronkelijk; zij hoeft niet te spreken. Haar aan te zien is
reeds een genot, een genot vol afwisseling, en wat voor mij de deur
dichtdoet, ik heb haar noodig als model, en zij wil op geen andere manier
voor mij zitten."
"En daaraan wil je dit kind opofferen?"
"Opofferen? Integendeel, ik wij haar redden uit haar omgang en
ellendige omgeving!"
"Men trouwt uit liefde, uit convenance, zooals je wilt, maar niet
uit philanthropie of uit kunstzin. Tenminste, men deed het in mijn tijd
niet, maar de wereld is in de twaalf jaar, dat ik er uit ben, zoo veranderd,
dat ik er niets meer van begrijp. 't Is mij te hoog, veel te hoog; maar
wat niet veranderd is, dat zijn de rechten van elke menschenziel, en
ik geloof dat je mooi op weg bent die van Rose-Marie te verkorten. Vertel
me alles!"
"Er is niets te vertellen, oom. Ik kon niet voort met mijn werk;
dat gezichtje van Rose-Marie vervolgde mij overal, ik kon 't niet vasthouden
op mijn papier. Ik heb nu juist een impressie in 't hoofd, zoo echt
typisch, "Rosa Marina" wijde ik het noemen, een zeegezicht
meteen, zee en vrouw moeten dezelfde stemming opwekken. Iets nieuws,
iets zeer oorspronkelijks, beide moeten vibreeren; of men haar aanziet
of de zee, dat moet identiek wezen. Van beide gaat licbt uit! O, zoo
vreemd, zoo origineel. Ik ben zeker, 't zal lukken en 't zal een knap
werk worden! maar ik had haar noodig om te poseeren, en ik kon haar
niet krijgen hoeveel ik ook bood. Zij wou niet voor model spelen, zeide
zij
"
"Flink, ferm! Dat had ik juist van haar gedacht!" en de dokter
lachte tevreden.
"En ik werd radeloos! 't Werk wou niet vlotten, o en toen kwam
't in eens bij mij op. Waarom zou ik haar niet trouwen? 't Is in het
belang van mijn kunst
[81:]
zij is een meisje als elk ander, maar voor
mijn werk schatten waard, want nooit zag ik een physionomie beter in
staat alle sentimenten en sensaties uit te drukken."
"En daarvoor trouw je, 't is schandelijk!"
"Maar oom!"
"Ja zeker. En zij, heeft zij je lief?"
"Dat heb ik haar ook niet gevraagd."
"Dan zeg ik je dat het een dubbel schandaal is, als je haar moreel
dwingt je te trouwen, enkel om uit haar omgeving verlost te raken."
"Is dat geen goede zijde, oom? Zij komt er uit ten minste."
"En wat zijn verder je plannen? Hoe wil je haar behandelen?"
"Wel, oom! heel goed! Ik ben niet in staat een vlieg kwaad te doen,
en ik zal haar een prettig leven bezorgen. Wij zullen ergens gaan wonen,
waar 't voor mijn studiën 't geschiktste is; ik denk, zoolang ik
met Rosa Marina bezig ben aan zee en later misschien in Laren of zoo
iets. Ik hoop maar dat mama spoedig haar toestemming geeft, dan kunnen
wij dadelijk trouwen."
"Maar het kind moet zich toch een weinig kunnen vinden in haar
nieuwen kring. Je moet haar onder menschen brengen en wat laten leeren."
"Dat hoeft niet, oom! Ik wil haar niet geleerder of beschaafder
hebben. Zij zou er haar oorspronkelijkheid door verliezen, en dan heb
ik er niets meer aan. Zooals zij nu is, heb ik haar noodig..."
"Frank," zeide de dokter ernstig, "je vergeet dat je
niet van een dier spreekt, een lief, mooi katje, maar van een mensch
met een onsterfelijke ziel, een ziel waarvoor hij verantwoordelijk is
tegenover zijn Schepper! Een ziel, die je niet tot speelpop mag gebruiken,
als een middel om een gezicht mooier te maken of interessanter! 't Is
een gevaarlijk en onzedelijk spel, dat je met dit weerlooze kind spelen
wilt, en ik durf het gerust zeggen, 't is een verachtelijke streek!"
"Oom, u is in de war!"
[82:]
"Neen, ik spreek hoog ernstig. Jij hebt van jongs af het
leven opgevat als een comedie, als een pretje; je weet niets, noch van
plichten, noch van rechten, noch van verantwoordelijkheid. Je hebt pleizier
in schilderen gekregen, je hebt veel over kunst gehoord en gelezen,
nu verbeeldt jij je dat je talent hebt. 't Kan ook best wezen, ik spreek
het niet tegen, en nu meen je aan dat talent alles te kunnen opofferen!
't Heeft je geld gekost, je moeder betaalde het geduldig. Je hebt gereisd
en geleefd alleen om impressies te kunnen opdoen, en nu heb je daarvoor
een onschuldig kind noodig. Je kunt op geen andere manier haar in je
atelier krijgen en je besluit in onbegrijpelijke lichtzinnigheid haar
leven vast te leggen. Zij neemt je uit nood, en van dien nood maak je
misbruik, dat is laag, dat is gemeen!"
"Oom!"
"Ja zeker, dat is 't! Jelui jongelui van den tegenwoordigen tijd
hebt afgerekend met allerlei ouderwetsche dingen: godsdienst, plichtbesef,
eerbied voor je ouders, voor vrouwen en kinderen. Zeker, wij waren vroeger
ook niet allen heilige boontjes, alles behalve! Maar als wij verkeerd
deden, dan wisten wij 't en vroeg of laat werden wij heel wakker en
zagen het in, maar jelui stopt alle gaatjes van je ziel toe, of liever
je doet eenvoudig of je geen ziel hebt. Je lichaam, je hersens die zijn
je genoeg; pas op, jongen! er komt een oogenblik, dat die ziel zich
niet langer laat opsluiten, dan breekt zij los, dan laat zij zich voelen
en komt op voor haar geschonden rechten, dan laat zij zich niet langer
het zwijgen opleggen. Zij vervolgt je dag en nacht. Jij meent buiten
haar om te kunnen handelen, maar dan zal je voelen dat zij er is, dat
zij eigenlijk de mensch in je is, en niet dat vod van een lichaam waarvan
je alle eischen inwilligde en dat met kunst en vliegwerk in orde moest
gehouden worden. O, je zult het voelen, en dan is het te laat en niets
helpt meer, niets!"
De dokter had met een vuur gesproken, als niemand ooit in hem zou verwoed
hebben; de aderen van zijn
[83:]
voorhoofd zwollen op, zijn borst hijgde.
Frank zag, dat wat hij sprak, uit het diepste van zijn wezen opwelde,
en het hem pijn deed het te uiten.
Hij liet het hoofd vermoeid op de hand vallen en snakte naar lucht.
"Het skelet rammelt, ik hoor 't," was alles wat de kunstenaar
dacht.
"Maar oom," zeide hij kalm, "de kunst is iets hoogers,
een trek naar het ideale."
"Houd op met je idealen. Nu praat je over idealen en anders weet
jelui moderne artisten, hoe jelui op dat ideaal zult smalen. Het ideaal!
Waar zit dat aan vast, als jelui de ziel wegloochent?"
"Een dokter die voor de rechten van de ziel uitkomt, een anachronisme
in onzen tijd?"
"Des te erger. Er is zeker een tijd geweest, dat ik er ook op pochte
nooit met mijn scalpel op de ziel te hebben gestooten, maar ik weet
het nu beter, ik heb 't anders geleerd en ik voel 't genoeg. Wij hebben
iets hoogers in ons, een beter, een heilig i k, dat zich niet laat uitdooven
en niet laat verstikken. Gooi er asch op en slijk en goud en verf, wat
je maar wilt, eens komt zij toch door alles heen! Denk daaraan, Frank,
ik waarschuw je bijtijds, je stopt haar toe met je groote woorden, en
niet alleen je eigen ziel, maar van dat lieve, reine kind, die zoo vol
goedheid en onschuld uit haar oogen schittert, wil je verspelen. Pas
op, weet wat je doet, het zal je eens berouwen, en dán zal een
leven zonder geluk, zonder genot, vol plichten en offers nog niet voldoende
zijn om goed te maken wat je in een onzalig oogenblik deedt."
"Oom," zeide Frank opstaande, "nu u zoo tegen mijn plan
uitvaart, zal ik maar niet voor den dag komen met het verzoek dat ik
u doen wilde."
"En dat is?"
"Mijn meisje wil ik zoo gauw mogelijk aan haar omgeving onttrekken,
en ik weet niet waar ik haar brengen zal; bij ons komt zij niet over
den drempel,
[84:]
als mama het niet verlangt. Ik had u willen vragen
of zij en haar zusje bij u konden blijven tot haar huwelijk."
"Waarom?"
"'t Wordt voor mij een kostbare geschiedenis; ik moet den vader
schadeloos stellen, het zusje onder dak brengen en voor haar en mijzelf
zorgen."
"Ik heb er geen plan op."
"Ik had gehoopt, dat u mij helpen wilde. U had zoo'n sympathie
voor die kinderen toen ze hier logeerden."
"Zeker, en die heb ik nog, maar voor jou plan heb ik volstrekt
geen sympathie. Wanneer je genegenheid voor dat meisje hadt opgevat
en je wilde met haar trouwen, om met haar een gewoon, al was 't dan
ook eenvoudig leven te leiden, dan zou ik je de hand boven het hoofd
hebben gehouden, zelfs tegenover je moeder en Henri; ik zou er offers
voor over hebben gehad, maar nu
"
"Oom, ik begrijp u niet. Wil ik dan Rose-Marie per se ongelukkig
maken? 't Is toch waarlijk geen misdaad, het gezicht van mijn vrouw
tot model te nemen. Vindt u dat zoo erg?"
"Ik vind het erg, dat je haar als speelgoed wilt gebruiken en voor
meer niet. Wanneer je haar tot je vrouw, waarlijk je vrouw wilt maken,
dan moet je wenschen dat zij ook door je omgeving gezien en gerespecteerd
wordt. Daartoe is noodig dat ze meer leert, dat zij in beschaafder kringen
komt."
"Maar oom, mijn vrouw is niet bestemd om in de wereld te schitteren,
alleen om mij
"
"Tot model te dienen. Jawel, je denkt alleen aan jezelf en dat
is je grootste fout. Als mevrouw Van Haeren heeft Rose Marie recht op
een eerbiedige behandeling van je familie, en die zal zij nooit krijgen
als je 't op deze wijze aanlegt, als jij je moeder dwingt haar toestemming
te geven of anders tot een zoogenaamde akte van eerbied - die men liever
van oneerbiedigheid moest noemen - over te gaan, als jij er als 't ware
[85:]
groot op gaat een meisje te trouwen uit een kroeg. Jij slaat de
wereld in het gezicht, maar de klap komt op het meisje neer, en je deedt
beter haar over te laten aan haar lot, hoe somber en treurig dit ook
moge zijn. De verantwoordelijkheid daarvan komt dan niet op jou terug
ten minste!"
"Dus oom, u bemoeit er zich niet mee?"
"Volstrekt niet, zooals de zaken nu staan in geen geval."
"En als mama nu bij u komt? Ik heb haar gezegd dat zij bij u informaties
kan nemen. Wat zal u haar zeggen?"
"Wat ik jou gezegd heb. Niets meer en niets minder."
"Dan groet ik u, oom!"
"En ik groet je terug, neef!"
Zoo gingen zij van elkander.
Juffrouw Bol ergerde zich.
"En laat u nu uw neef zoo alleen in den donker heengaan? Hij had
evengoed hier kunnen blijven."
"Dat had hij ook, als hij wilde."
"Maar heeft u 't hem gevraagd?"
"Neen, dat geloof ik niet!"
"Dokter heeft weer een van zijn buien," gromde juffrouw Bol,
die nooit aan buien leed en in de keuken haar leed verzette door Truitje
eens weer flink de les te lezen, wat zij in lang niet gedaan had, en
het kind volgens haar hoog noodig had.
De dokter kon niet tot rust komen binnen; hij nam zijn hoed en ging
naar het zeestrand; het gesprek met Frank had hem geweldig aangegrepen.
't Was een heerlijke avond, de maan scheen hoog aan den hemel en myriaden
van vonkjes trilden op de golven, die er uitzagen als een in duizend
plooien dansend zilverkleurig kleed.
Dokter Adrichem stond stil en zag peinzend naar de beide oneindigheden,
die zich in elkander spiegelden, zich; in de verte schenen te vereenigen
en toch zoover van elkander verwijderd bleven.
[86:]
"'t Is jammer! bitter jammer!" mompelde hij, "ik
had er mij er mee moeten bemoeien, die ellendige gemakzucht is er oorzaak
van. Struisvogelpolitiek! Ik ben in dit kringetje gewoon. Er buiten
gaan kost mij ontzaglijke moeite. Nu kan ik er geen einde meer aan maken.
Haar spreken, haar vragen of zij het doet uit eigen beweging, dan wel
omdat zij niet anders kan! Heb ik er nog wel recht toe? Misschien ware
't beter geweest, als ik niet botweg had geweigerd haar te ontvangen,
dan zou er misschien wat aan te doen zijn geweest. Morgen komt Suze
hier huilen, en wat moet ik haar zeggen? Zij zal er geld voor overhebben,
het meisje af te koopen. Zal ik het aanraden? Neen, ik had 't eerder
moeten doen! Nu is 't te laat. Zij moeten de gevolgen dragen van hun
handelingen! Dat moet ieder en dan zullen ze zelf voelen hoe zwaar 't
is, hoe ontzettend zwaar!"
Hij nam zijn hoed af en woelde met de handen door zijn dikke aschgrauwe
haren.
"Arm kind! Arm kind! Zij had beter verdiend, en 't is mijn schuld!
Ik had er vroeger tusschen moeten komen, dat is zeker, maar nu is 't
misschien beter, zoo voor hem en voor haar!"
Het was laat voordat de dokter thuiskwam; juffrouw Bol sliep ten minste
al sinds lang den slaap des rechtvaardigen, toen hij door de geopende
deur het huis weer betrad.