VI.
Mevrouw Van Haeren
bewoonde een fraai, hoogst modern huis in de Vondelstraat, half villa,
half heerenhuis, met veel bloemen en palmen achter de groote spiegelruiten,
tusschen de sierlijk gedrapeerde vitrages.
De marmeren gang kwam uit op een glazen deur, en werd door een veelkleurige
lantaarn verlicht, terwijl groote agaves de vestibule versierden.
Mevrouw Van Haeren was er na den dood van haar man blijven wonen; zij
was nog vennoote in de handelszaak door hem gedreven, en waar haar oudste
zoon nu aan het hoofd stond. Deze zoon had een eigen gezin en woonde
op een der hoofdgrachten; ook haar oudste dochter was getrouwd; de twee
jongsten woonden bij haar in, evenals haar tweede zoon, die uit den
aard was geslagen en zich terecht of te onrecht verbeeldde dat artistenbloed
hem door de aderen vloeide.
In vroegere jaren zou een deftige Amsterdamsche familie luid schande
geroepen hebben over zulk een uitwas bij een harer leden; nu echter
waren de tijden veranderd; mevrouw Van Haeren ging mee met haar tijd.
Kunst was in de mode, en het kleedde goed, op een kunstenaar in de familie
te roemen. Zij was rijk genoeg om haar jongsten zoon - haar lieveling
voor wien zij een bijzonder zwak had - dure liefhebberijen, sport, baccarat
enz. er op na te laten houden; de jongen had het nu gezet op een penseel
en palet, een atelier, welnu! waarom zou zij hem die liefhebberij
[55:]
ontzeggen, en waarlijk, Frank meende het ernstig met zijn kunst, of
liever hij dacht het ernstig te meenen.
Hij had de lessen aan de kunst-academie gevolgd, maar was er mee uitgescheiden,
daar hij zijn talent niet aan banden wilde leggen en vreesde dat zijn
oorspronkelijkheid er bij zou inschieten. Hij moest zelf zien en zelf
zoeken; daarvoor ging hij rond altijd studiën makende, veel doeken
en schetspapier bekrabbelende en niets tot stand brengend.
Zijn moeder en zusters vonden dat hij zeer wonderlijk zag, en begrepen
niet waarom zijn boom en paars en zijn koeien blauw, zijn menschen groen
moesten zijn, waarom alles zoo vol krassen en strepen stond, en het
zoo moeilijk was daaruit een voorwerp of figuur op te diepen.
Hij haalde zijn schouders op voor haar opmerkingen; zij waren niet wijzer,
zij stonden te laag, zij begrepen niets van de nieuwe banen, welke de
kunst insloeg; haar oog was daartoe nog niet genoeg geopend, haar visie
niet genoeg ontwikkeld, en om nu beter te kunnen toonen dat zij van
haar tijd waren, begonnen mevrouw en de jonge dames Van Haeren langzamerhand
te dwepen met de nieuwe richting in de kunst, waarvan Frank een der
baanbrekers zou worden.
Henri, de oudste zoon, ergerde zich over dat tijd, geld en verf vermorsen;
dat gaf nooit iets, nooit zou Frank eens iets voortbrengen, wat het
aanzien waard was; hij bleef een knoeier, een morspot, meer niet.
Mama was veel te zwak voor hem; hij moest op zijn kantoor komen en daar
werken, dat zou vrij wat beter voor hem zijn.
Frank nam zijn broer dat oordeel hoogst kwalijk en besloot hem voortaan
te negeeren; zijn artistieke natuur maakte hem het verbreken of liever
ontrafelen van alle banden hoogst makkelijk. Hij kwam nooit meer bij
Henri aan huis; ontmoette hij hem bij mama, dan was hij koel beleefd,
meer niet.
Henri voorspelde zijn moeder, dat zij een massa ver
[56:]
driet zou beleven
aan haar vertroeteling, maar maar zij luisterde niet en liet hem begaan.
"Ik heb zooveel verdriet van de cijfers gehad toen mijn man nog
leefde en daarin opging," zeide zij, "laat me nu mijn kind
daarmee niet vervolgen; met het geld, dat die cijfers mij hebben aangebracht,
kan ik hem naar hartelust verf laten morsen. 't Is beter dat hij 't
daaraan uitgeeft dan aan paarden of actrices."
Maar die liefhebberijen van haar artist kostten mevrouw Van Haeren meer
dan zij zelfs haar oudsten zoon bekennen wilde; om impressies op te
doen en studiën te maken, maakte hij groote reizen; hij bracht
winters in Rome, Constantinopel en Algiers door; hij moest de middernachtszon
zien en den Mont Blanc beklimmen, in afwachting dat hij de Niagara bezocht.
Thuiskomende rustte hij uit, want hij moest zijn indrukken verwerken,
en zoo gingen de jaren om en de vurig gewenschte meesterstukken bleven
uit; eenige schetsboeken vol krabbels en een paar doeken, die op een
zwelgpartij van verf geleken en waartusschen men met zeer veel moeite
een paar menschenfiguren, boomen of huizen kon raden, was alles wat
Frank tot nu toe had voortgebracht.
Zijn plannen waren grootsch, maar van hun uitvoering zag men niets.
Dikwijls plaagden hem zijn zusters, vooral de jongste, Meta.
"Ik begrijp niet, Frank," zeide zij dan, "wat je er aan
hebt, altijd landschappen bij nacht te schilderen; de menschen zullen
zeggen, dat je er maar zwarte verf over gooit, omdat je de voorwerpen
niet goed schilderen kunt."
"Een artist moet vrij zijn in de keuze en de behandeling van zijn
onderwerpen!" Hij zette een klein doek, dat er zeer bruinzwart
uitzag, met hier en daar roode punten en gele strepen, tegen zijn schildersezel
en vroeg of zij niet kon zien wat het voorstelde.
"Ja, het moet een brug beteekenen en een gracht eronder en lantaarns
en een schuit, maar dan moet
[57:]
ik heel goed zien om er wijs uit
te worden; 't lijkt wel een rebus of een vexirbeeld - Waar is de bok?
of waar is de herder?"
Frank haalde zijn schouders op.
"Jelui begrijpt het niet. 't ts een kamer bij schemerlicht."
"En als je het omkeert een storm op zee? Hó!"
En als Meta het werk van den een of ander begon te prijzen en zeide
dat men daarvan ten minste zien kon wat het beduidde, begon hij medelijdend
te lachen.
"Och ja, heel aardig! Oude pruikenkunst!"
Dezen zomer waren Frank's eischen zeer bescheiden; hij wilde niets anders
dan zeestudiën maken; als Ma dan eens belet vroeg bij oom Théo.
Mevrouw Van Haeren had al sinds lang opgehouden zich moe te maken over
de zonderlinge levenswijze van haar eenigen broeder. Hij noodigde niemand
der familie ooit uit; als er een kwam was die welkom, en toen zij op
verzoek van haar lieveling, een verhaal verzon om hem den logó
aannemelijk te maken, kreeg zij een briefkaart terug, alleen met de
woorden:
"'t Is goed! Hij zal me niet hinderen!"
Nu was Frank terug. De familie zat onder de veranda, die bekleed was
met kurk, waarin allerlei klim- en afhangende planten staken; mooie
hangers van terra cotta met lobelia's, varens, geraniums wiegelden tusschen
de sierlijke ijzeren kolorumen.
Het tuintje was keurig onderhouden; geen grashalmpje stak boven het
andere uit; zooals in eiken Hollandsche tuin speelden rozen, begonia's,
geraniums en fuchsia's er een hoofdrol in; zelfs een kleine fontein
spoot af en toe, midden op een perkje.
"Alles even burgerlijk, even petieterig, al zijn de confituurtaarten
en haringslaatjes opgeruimd," meende Frans.
"Vertel ons toch wat van oom!" vroeg mevrouw, die aan een
geborduurd en rand werkte, terwijl Meta voor een macramé-raam
zat, en Sophie thee zette, "hoe gaat het hem?"
[58:]
"O, best! Altijd even druk. Ik geloof dat hij nu in drie
dorpen tegelijk praktizeert."
"En heb je hem niet gezegd, dat er nu zoo'n geschikte gelegenheid
is zich hier te vestigen, die misschien nooit weer terugkomt?"
"Jawel, ik heb 't dadelijk gezegd, reeds op den tram, anders zou
ik 't vergeten, maar oom luisterde er niet eens naar."
"Hij is zoo vreemd!"
Dit tegen een dame van middelbaren leeftijd, die op bezoek was.
"En knap, Betsie, knap! Ik geloof, dat hier menige professor is,
die van hem een lesje zou kunnen nemen."
"Maar waarom zondert hij zich zoo af?"
"Ja, waarom? Dáár hebben mijn goede ouders zich ook
al suf over gedacht en ze hadden er erg veel verdriet van. Ik ben er
nu wat overheen, maar vroeger had ik er veel weet van, heel veel!"
"En komt hij nooit hier?" vroeg juffrouw Betsie.
"Nooit, nooit! Heb je hem wel hartelijk geiuviteerd uit mijn naam,
Frank?"
"Natuurlijk, ma."
"En wat zeide hij?"
"Dat weet ik niet meer. De stad kan mij missen en ik de stad,"
of zoo iets; maar hij heeft er niets geen trek in."
"Hoor je weI! Ik ga er eens even heen om hem te halen. Op een dagje
heen en weer. Nu is het gemakkelijk, nu de tram er is, maar vroeger
was Duinwijk niet te bereiken, en ik heb hem in vijf jaren niet gezien."
"Maar hoe is hij in den omgang?" vroeg Betsie, wie de geheimzinnige
dokter begon te interesseeren, "in zichzelf gekeerd, somber, zoo
iets als menschenhaat en berouw?"
"Wel neen, niets romanesk," riep Meta; "oom heeft een
knap gezicht en mooi dik grijs haar; als wij er zijn, is hij heel hartelijk
en vroolijk."
"Maar zonder een gewichtige reden verlaat men toch
[59:]
niet zoo
zijn carrière - hij was immers dokter bij de marine? - en sluit
zich op onder de visschers."
"Dat hebben wij ook dikwijls gezegd; maar hij laat niets los."
"Een ongelukkige liefde misschien."
"Wat er op de "Albatros" gebeurd is, daar weten wij natuurlijk
niets van; hij ging heen als een vroolijk, opgeruimd kereltje; hij zag
er allerliefst uit in zijn uniform; alle meisjes waren gek op hem. En
toen hij terugkwam, zag hij bleek, geel, zwak, stil. Hij nam zijn ontslag,
daar was niets aan te doen, en vestigde zich in Duinwijk. Meer weet
niemand ter wereld er van!"
"Ik zou hem wel eens willen zien," zeide Betsie nadenkend.
"Nu, ga mee, als wij eens gaan. Dat kan een prettig dagje worden.
En als 't verder in 't seizoen is, dan zijn er ook meer badgasten. Waren
er nu veel?"
"Een stuk of tien!"
"Jonge meisjes ook?"
"Ja, ook wel!"
Frank stond op, keek eens naar een paar gele rozen, en toen Betsie belangstellend
vroeg of hij goede studies had gemaakt, antwoordde hij onverschillig:
"In mijn hoofd wel, op 't papier minder, Ik ga even omloopen, dames,
tot straks!"
Toen hij de veranda verlaten had, begon mevrouw Van Haeren al zijn eigenaardigheden
op te sommen.
" Van al mijn kinderen heeft hij 't meest van oom Théo;
beiden leven geheel en al voor hun vak."
"Met dit verschil, dat oom Théo zich verdienstelijk maakt
en dag en nacht bezig is goed te doen, terwijl Frank zijn leven verluiert,"
zoo viel een stem uit de tuinkamer haar in de rede.
"O, ben jij dat, Henri!" sprak mevrouw een beetje gecontrarieerd;
"heb je hem gezien?"
"Ja, maar niet gesproken; hij liep te slenteren aan den overkant
en zag me niet of wilde me niet zien. Wat heeft hij daar nu weer uitgevoerd?"
[60:]
"Studies gemaakt in zijn hoofd!" zeide Meta lachend,
"impressies opgedaan."
"Ik vind hem toch anders dan vroeger," merkte Sophie op, die
haar broei: altijd de hand boven het hoofd hield; "hij is stiller
en ik geloof ook serieuzer. Van morgen zeide hij mij, dat hij nu eindelijk
geloofde zijn weg gevonden te hebben."
"En waar brengt hem die weg? Als 't zoo voortgaat en moeder remt
niet, dan regelrecht naar de dakloozen of naar Meerenberg."
"Henri, een kopje thee?", vroeg mevrouw, met een zijdelingschen
blik naar Betsie. "Hoe gaat het, Wies?"
"Heel goed, dank u!" Als 't je belieft, Phie, geen suiker.
Ik had gehoopt hem hier te vinden, maar 't is of hij altijd voelt dat
ik in aantocht ben. Gevlogen is de vogel!"
"Och, je zit ook altijd op hem te hakken. Niet ieder heeft aanleg
om koopman te worden; je zoudt meer last van den jongen hebben als hij
bij je op 't kantoor zat, dan wanneer hij zijn liefhebberij volgt."
"Ja, dat geloof ik ook, maar in elk geval is 't voor hem al heel
makkelijk. Mijn jongens moesten 't eens in hun hoofd krijgen genieën
te worden."
"Och, je bent ook zoo'n Droogstoppel!" zei de Sophie, en allen
lachten mede, zelfs Henri.