V.
De ontstemming van juffrouw Bol had haar hoogte bereikt, toen zij, nadat de dokter haar een dag of wat te voren aangekondigd had, dat hij bezoek kreeg, op zekeren namiddag de twee zusters het hekje zag binnenkomen en toen aanbellen.
[45:]
Jansje liep op krukken en Rose-Marie in een eenvoudig blauw katoenen
japonnetje, zonder hoed of handschoenen, zag er lief uit als de lente.
De dokter zat te lezen en Frank was aan het schetsen, toen de juffrouw
de deur der huiskamer openwierp en op barschen toon aankondigde:
"Daar is de visite!"
"O zoo, onze badgasten!" zeide de dokter opstaande en haar
tegemoet komend; ook Frank legde zijn album neer en begroette de beide
zusters.
"Dokter," zeide Rose-Marie, "wij komen u bedanken voor
uw goedheid en hier hier is een kleinigheid, die Jans en ik
"
En vol allerliefste verwarring reikte zij hem een pakje over.
"Wel, lieve kinderen! 't Doet me pleizier jelui eens hiel' te zien,
maar dat is niet noodig, hoor! Wat is 't, een sluimerrol? Hebt je dat
zelf gemaakt? Erg netjes, vind je niet, Frank? Ik dank je wel en zal
het als een souvenir van je gebruiken!"
Frank schoof stoelen aan; hij had het gordijn voor het zeeraam laten
zakken; nadat er iets over onverschillige dingen gesproken was, wisselden
oom en neef een blik met elkander.
"Juffrouw Rose-Marie," zeide Frank zeer beleefd, "ik
had laatst het genoegen u 't eerst de zee voor te stellen, mag ik nu
vragen of de kennismaking u nog altijd bevalt?"
"O ja, zeker! De zee is zoo prachtig!"
"Ik ben schilder, weet u, en nu wilde ik u vragen, wat u van mijn
laatste schilderij denkt?"
"Ik heb geen verstand..." stamelde zij.
"Dat denkt u maar. Wil u hier plaats nemen?"
Rose-Marie gehoorzaamde.
"En uw oogen toemaken?"
Ook dit deed zij geduldig; Frank trok het gordijn op en riep:
"Ziet u nu eens!"
[46:]
In lang was de zee niet zoo indrukwekkend geweest als op dit oogenblik;
het had dien middag geregend en een vrij sterke wind joeg de wolken
thans in wilde vaart uit elkander; daar zag men de zonderlingste phantastische
gedaanten in sombere en toch bonte kleuren, paars, roodblauw, geelgroen,
met witgrijze randen, daartusschen vlokken van de zacht blauwe lucht,
en over het jagende, klotsende water hellichte vlakken afgewisseld door
donkere plassen, alles besprenkeld en overstrooid met schitterend zilverschuim.
Rose-Marie's oogen staarden verbaasd voor zich uit, haar borst ging
hijgend op en neer.
"Dat een schilderij
neen... neen!"
En plotseling stroomden de tranen langs haar wangen.
"Is u bedroefd? Huilt u, omdat ik u fop?"
Zij lachte door haar tranen heen, evenals nu juist de zon door de donkere
wolken brak en als het ware stroomen licht over de golven blies.
"Och, ik ben zoo kinderachtig maar 't is zoo mooi, zoo mooi."
De dokter had van ter zijde het tooneel aangezien; hij had gelachen
om Frank's tooneelmanoeuvre, maar toen hij haar tranen en verwarring
zag, keerde hij zich eensklaps om en ging naar den straatkant.
Een poos bleef hij daar staan en streek met de hand door de dikke, volle
haren; daarna keerde hij terug naar de tafel, waar Frank aan de beide
meisjes zijn schetsen liet zien.
Jans sprak geen woord; juffrouw Bol had thee binnengebracht en koekjes
en Jans at en dronk met smaak.
Rose-Marie alleen toonde haar groote belangstelling in hetgeen haar
getoond werd, en toen, Frank haar vroeg of hij eens haar portret mocht
maken, zag zij eerst den dokter aan of zij haar toestemming zou geven.
't Zal een groote dienst zijn, Roosje, dien je mijn neef bewijst,"
zeide de dokter; "hij is nog aan het studeeren; ik heb van zulke
dingen geen verstand, maar
[47:]
hij zegt dat het teekenen van uw hoofd
gelijkstaat met het volgen van een jaar lessen aan de Academie."
"Ik wist niet dat ik zoo'n belangrijk hoofd had," zeide zij
lachend; "als 't u pleizier kan doen, wil ik heel graag voor u
zitten, maar ik mag toch wel blijven haken, want mijn sprei moet spoedig
af."
Frank verzekerde dat hier niets tegen was.
"En als u een vogelverschrikster teekenen moet, kan u van mij gebruik
maken," zeide Jans grijnslachend.
Na dezen dag kwam Frank dagelijks bij de meisjes, als zij op het strand
zaten, en maakte zijn schetsen; hij sprak over allerlei onderwerpen,
droevige en ernstige, vroolijke en onbeduidende; altijd bestudeerde
hij dan Rose-Marie's wisselende uitdrukkingen, maar hij werkte nog niet;
alle dagen kwam hij ontevreden thuis.
"Er is niets met dat kind te beginnen," sprak hij tot zijn
oom. "Geen expressie houdt ze vast, die ziel heeft zoo'n haast
zich uit te storten, dat het niet mogelijk is voor potlood of penseel
haar te volgen. Maar ik geef den strijd niet op!"
"Alles goed en wel, Frank! maar laat de mensch den artist geen
poetsen spelen, want dat verdraag ik niet. Die kinderen staan nu onder
mijn bescherming."
"Wees gerust, oom! De mensch is heel dood in mij, als hij ten minste
ooit geleefd heeft."
"Praatjes!"
"U gelooft me niet! en 't is toch zoo! 't Is het werk, dat mij
pakt, dat mij niet loslaat. Ik geloof, dat ik op 't spoor ben van een
nieuwe manier. Zij moet me dat leeren; ik had de heele wereld kunnen
rondreizen en niet dat vinden, wat het toeval mij in den stoomtram voor
de voeten werpt. Het vibreeren van zulk een physionomie weergeven, dat
is iets noch nie da gewesen."
"En krijg je het al!"
"Nog niet, maar 't zal wel komen!"
"Haast je dan wat, want hun tijd schiet op; in Amsterdam zal je
de kennismaking wel niet kunnen voortzetten."
[48:]
De meisjes kwamen een enkelen keer bij den dokter; jufflrouw Bol
kon haar antipathie tegen die kale mamsellen wel nog niet geheel overwinnen,
maar behandelde hen met zekere neerbuigende beleefdheid, die een weinig
te overdreven was om welgemeend te zijn.
Rose-Marie kwam er gaarne; gewoonlijk bracht zij bloemen mee of grassen;
het eenvoudigste wist zij nog zoo te schikken, dat het een bevalligen,
sierlijken indruk maakte; er ging als het ware een tooverkracht van
haar vingers uit, die aan alles wat zij aanraakte poezie en schoonheid
mededeelde.
Wanneer de dokter thuiskwam en zijn woonkamer betrad, wist hij altijd
wanneer Rose-Marie er geweest was; een zeker, ik weet niet wat, scheen
de kamer te vervullen, en er een andere atmosfeer in gebracht te hebben.
Juffrouw Bol kon dan wel pruttelen over den rommel, dien de "Fransche
madame" - hoe zij aan dat Fransche kwam begreep niemand - er in
gemaakt had, maar er iets aan veranderen dat durfde zij niet; de dokter
had het streng verboden.
Trof hij het meisje aan, dan liet hij haar praten, en wist niet wat
hij dan liever deed, haar aanzien of naar haar luisteren. Beide was
even aantrekkelijk en boeiend; zijn vrees voor een poging van Frank,
om haar het hoofd op hol te brengen, was sinds lang geweken.
Al vertrouwde hij zijn neef op dit punt niet geheel, zoo kon hij toch
over den uitslag van Frank's vermoedelijke pogingen zeer gerust zijn.
Rose-Marie sprak altijd even onbevangen over mijnheer den schilder;
van alles wat hij vertelde of wat hij redeneerde begreep zij slechts
de helft; het was zoo geleerd, zeide zij.
"En als de dokter iets zegt, dan kan ik er dadelijk bij."
Haar opvoeding was zeer verwaarloosd, maar haar heldere geest, haar
gave van "assimilatie en intuïtie", zooals Frank het
noemde, stelde haar in staat zich onmiddellijk iets eigen te maken,
wanneer zij er ten minste belang in stelde.
[49:]
Frank's theorieën over impressiën en kleuren lieten
haar koud; maar zij wilde gaarne eens zien wat hij maakte; hij schetste
haar van achteren, van opzijde, maar nooit van voren, of dan met zoo
diep gebogen hoofd, dat er niets van haar gezicht te zien kwam.
"Ik wou juist zoo graag mijn gezicht zien," zeide zij lachend.
"Dat komt later," antwoordde Frank; "eerst moet ik het
karakter van uw persoonlgkheid weergeven in alle richtingen, en als
ik dan met uw gezicht begin, dan druk ik er mijn eigen stempel op. Ziet
u, ik moet eerst al uw verschillende stemmingen trachten te concentreeren,
wil ik er in slagen ze allen te gelijk in eens uit te drukken, maar
daarvoor is 't noodig, dat ik studiën maak van alle expressies,
waarover u te beschikken heeft. Begrijpt u me?"
Zij schudde lachend het hoofd.
"Nog niet goed! Maar zooals u zegt, 't zal wel komen, denk ik,
vóór ik een jongetje word!"
"Mag ik u dan iets vriendelijk vragen? Denk nu eens aan iets heel
akeligs, dan wil ik trachten die impressie te bestudeeren."
"Kom dan!"
Zij verzamelde haar gedachten een oogenblik; toenscheen het of zij het
licht opzogen uit haar gelaat, een weemoedige trek kwam over haar lippen,
haar oogen staarden somber voor zich uit; zij scheen alles te vergeten
en eenige minuten lang bleef zij onbeweeglijk zitten.
Ademloos werkte Frank voort; voor 't eerst had hij ruim tijd haar gelaat
in zich op te nemen en het met eenige krijtstrepen weer te geven; plotseling
vertrok zich haar mondje, haar oogen zwollen op, groote tranen sprongen
uit haar oogen, en haar hoofd omkeerend begon zij luid te schreien.
"Maar wat is er nu toch weer!" riep Frank geërgerd, en
liet zijn boek vallen. "Wat scheelt je?"
"Ach, mijnheer!" snikte het meisje, "word niet boos,
ik kan het heusch niet helpen, maar u heeft me gezegd
[50:]
ik moest
aan iets akeligs denken, en toen dacht ik aan mama's sterfbed, en was
't of alles nog eens gebeurde en... het werd mij te sterk."
Zij schreide een poos voort en kon niet tot bedaren komen.
Frank stond op, half boos over die sentimentaliteit, half geamuseerd
door haar ongekunstelde manier.
"Je bent een mal spook," zeide Jans; "'t is immers alles
gekheid; schaam je, je zoo aan te stellen."
"'t ls mijn schuld niet! Och mijnheer, ik wil u graag pleizier
doen, 't is al weer over... Daar!"
Zij drukte den zakdoek tegen de oogen.
"Nu lach ik weer... u zal er geen last meer van hebben, geloof
me!"
De stralen schitterden weer in de droppels, maar Frank's liefhebberij
was er af.
"Neen, nu gaat het niet meer! 't Spijt mij vreeselijk, ik was juist
zoo goed aan den gang!"
"Mij ook, maar ik zal voorzichtiger zijn; een volgenden keer zal
ik niet meer zoo echt denken, dat ik al 't andere vergeet."
Van 't poseeren kwam dien dag niet meer; 's middags ging zij naar den
dokter om hem een boek terug te brengen, dat hij haar geleend had; hij
was toevallig thuis en liep met de handen op den rug zijn ruime kamer
op en neer.
Als hij alleen was, toonde dokter Adrichem niet het opgewekte, aangename
gelaat, dat zijn patiënten steeds goeddeed; het was of een masker
van zijn gezicht viel en hij nu onder zijn dikke grijze haren bijna
een oud man scheen; hij hield het hoofd gebogen als onder een zwaren
last, een last, dien hij alleen torschte, dien niemand hem hielp dragen.
Rose-Marie klopte aan de deur; hij hoorde het niet en zij, denkende
dat er niemand binnen was, trad binnen; zij had haar stroohoedje op,
dat zij zelf met eenige wilde rozen had versierd, en in haar hand droeg
zij een groot bouquet woudbloemen. 's Middags, terwijl Jansje
[51:]
liep, was zij naar een boschje gegaan ergens tusschen de duinen om ze
te plukken.
Dokter Adrichem bleef staan en schrikte even, toen zij binnenkwam en
hem met haar verwonderde, lieve oogen aanzag.
"Och, dokter, neem me niet kwalijk. Ik stoor u!"
"Neen, kind! Je stoort me niet. Breng je weer bloemen? Daar doe
je goed aan."
"Ik had niet gedacht, dat u thuis was, maar ik ben er zoo blij
om, want ik wilde u wat vertellen."
"Ik luister, Roosje, ik luister!"
Hij zag er nu weer uit als gewoonlijk, vriendelijk en opgeruimd; glimlachend
zag hij haar vlugge vingertjes met de bloemen werken; een gedeelte werd
in de vaasjes van dertig centen gestoken die juffrouw Bol van een pottenvrouw
had gekocht en zoo dol goedkoop en zoo keurig mooi vond; de anderen
schikte zij in een blauw melkkannetje en zette die op de schrijftafel
van den dokter.
"En nu ben ik klaar, mag ik spreken?"
Zij nam een krukje, haar lievelingsstoeltje, en kwam daarmede vlak voor
den dokter zitten; hij luisterde glimlachend, terwijl zij alles vertelde
wat er dien morgen was gebeurd.
"En nu," eindigde zij, "ben ik zóo bang, dat mijnheer
uw neef boos op mij zal wezen. Ik vind het toch zoo lastig en zoo vervelend,
dat alles wat ik denk, dadelijk op mijn gezicht staat. Ik kan nooit
geheimen hebben. Ik heb ze wel niet," viel zij zichzelf in de rede,
"maar 't kon toch wel eens noodig zijn dat ik ze had. Wil u 't
mijnheer Frank zeggen, dat ik er niets aan doen kan?"
"Zeker, kind! Maar met artisten moet men geduld hebben; die zijn
dadelijk kwaad, dat is hun eigen; zij meenen het daarom niet altijd."
"Maar dat is toch heel lastig! Ik ben ook wel gauw kwaad, maar
ik doe mijn best het niet altijd te toonen. Dat is toch zoo moeilijk
met mijn naar gezicht, maar
[52:]
als ik mij niet een beetje inhield,
dan was het thuis bij Gresinger geen leven. Hij vliegt dadelijk op en
scheldt maar toe."
De dokter vroeg lachend:
"En heb je nu niets meer op je hart?"
"Toch wel! We zijn hier nu al over de veertien dagen; ik geloof
dat het tijd wordt naar huis te gaan. Hij heeft gisteren geschreven
dat hij niet langer buiten mij kan."
"Maar moet je dan bedienen in de kroeg?"
"Ja zeker, wie zou 't anders doen?"
"En zijn de gasten wel behoorlijk tegen je ?"
"Ze moesten het eens .anders probeeren
"
Haar oogen fonkelden, haar neusvleugels trilden.
"Maar als ze te veel ophebben?"
"Ik blijf altijd achter de toon'bank en ik doe of ik ze niet zie
en niet hoor! 't Ergste zijn niet de mannen uit het volk, die alleen
een slokje komen drinken, maar de heeren! O, die zijn zoo heel anders
dan mijnheer Frank en u! Ik antwoord ze nooit; ik snauw ze af, en dikwijls
krijg ik met Gresinger er standjes over, maar 't helpt niets, 't is
of ze nog brutaler worden; een paar keer heb ik zoo'n fat een klap gegeven,
dat hij 't zeker nog wel acht dagen later gevoeld zal hebben. O, 't
is zoo vreeselijk!"
"Arm, arm kind!" zeide de dokter, "je plaats is daar
niet!"
"Maar waar moet ik heen? Ik kan Jans niet alleen laten. Ik heb
't mijn moeder beloofd."
"En als Jans er niet was. Wat zou je doen? Naar je familie gaan?"
"Naar de familie, die niets van mama heeft willen weten, dat nooit!
Ik zou mijn eigen brood verdienen."
"En waarmee?"
"Wel, ik zou gaan dienen!"
"Als meid?"
"Als wat anders? Thuis werk ik wel wat, haken, naaien, maar dat
is om Jans eens een extratje te be
[53:]
zorgen, maar ik verdien niet
genoeg om er van te leven, en dan, een meid leeft in een nette omgeving,
zij woont in een mooi, stil huis; zij heeft een keurige keuken, en als
zij maar zelf vriendelijk, voorkomend en trouw is, zullen de menschen
haar ook beleefd en fatsoenlijk behandelen. Ik zou geen ruwe woorden
meer hooren en geen gekibbel, maar vooral hoefde ik die akelige jeneverlucht
niet meer te ruiken."
De dokter liep van het raam naar de tafel, het voorhoofd gerimpeld door
den druk zijner gedachten.
"Je moet er vandaan!" sprak hij. "Hoe heet je familie
en waar woont ze?"
"O, in Arnhem en Nijmegen, de Zonnevelds en de
Ik weet zelf
niet hoe ze allen heeten."
"'t Doet er niet toe! Zou je stiefvader er iets tegen hebben, als
je zuster en jij apart ging wonen?"
"O ja; vader houdt wel niets van Jans, maar hij wil haar toch niet
missen, en mij nog minder; een buffetjuffrouw kost geld en mij geeft
hij den kost en met moeite een beetje kleeren, meer niet."
"Is hij je voogd?"
"Ja, dat zegt hij ten minste genoeg!"
"Dan is er niets aan te doen, niets, vrees ik!"
"Neen," antwoordde zij treurig, "zoolang Jansje leeft,
geloof ik 't ook niet! Was zij er niet meer, dan ging ik heen en hij
zou 't wel laten mij terug te halen."
Frank kwam binnen; juist zooals de dokter dacht, had hij het geheele
voorval, waarover Rose-Marie zich zoo ongerust maakte, reeds vergeten.
De dag van het vertrek naderde meer en meer; Jans knorde, klaagde en
kermde den heelen dag; zij was hier zoo heerlijk, en dat nare huis!
Maar de brieven van Gresinger werden steeds dreigender en het noodlottige
oogenblik brak voor hen aan; 't afscheid van den dokter en zijn neef
viel Rose-Marie het zwaarste.
"De heeren zijn zoo goed voor Jans en mij geweest, als waren wij
echte dames," zeide zij naïef.
De rekening van het hótel was zeer medegevallen, en
[54:]
toen
zij in de tram zaten, drukte de dokter haar nog op 't hart, dat zij,
wanneer de nood aan de deur klopte, gerust op hem rekenen kon.
Den volgenden dag was ook Frank vertrokken.