XXIII.
De volgende morgen brak aan, grauw, nattig, somber; de golven joegen onstuimig tegen het land, als
[202:]
waren zij nog verontwaardigd over het wreede spel,
dat dien nacht met hen gedreven was.
De dokter was tegen één uur bij de vrouw van den timmerman
geroepen en eerst tegen zeven uur thuis gekomen; hij nam een paar uren
rust en kwam eerst omstreeks tien uur beneden,
Het ontbijt stond gereed en Rose-Marie zat met een handwerkje op haar
gewone plaats; haar opgewondenheid was voorbij, zij scheen kalm, zelfs
een weinig mat, zij zag wat bleek en haar oogen waren zwart omkringd.
De dokter kwam binnen en zij wenschte hem goedenmorgen.
"Heb je goed geslapen?" vroeg hij belangstellend.
"O ja, buiten verwachting; 't komt zeker van de druppels!"
Hij glimlachte. "Ja, dat kan wel."
"En u is nog uit geweest, vertelde de juffrouw. "Zij is zoo
uit haar humeur, ik weet niet hoe 't komt; gisteren was zij, voor haar
doen, nogal aardig en hartelijk."
"'t Weer zit haar in 't hoofd, denk ik. Stoor er je niet aan!"
Zij ontbeten samen; de dokter vertelde nu van zijn tochten van gisteravond
en van bijzonderheden, die hij gedurende het tweede gedeelte van den
nacht over den storm had vernomen, en toen het ontbijt afgeloopen was,
stond hij op om een paar visites in het dorp te maken, Rose-Marie bleef
hem in den weg staan.
"Oom," begon zij met neergeslagen oogen en gebogen hoofd,
in de houding van een schuldige, die gratie vraagt, "was u gisteravond
boos op me; omdat ik mij zoo ongerust had gemaakt; en zoo dol deed?
Ik was zoo blij u weer te zien; ik wist niet wat ik deed."
De dokter lachte vriendelijk.
"Wel neen, Rose, wel neen! Ik was niet boos, maar om je de waarheid
te zeggen, had ik liever dat je je een beetje had goed gehouden voor
juffrouw Bol. Zij
[203:]
weet natuurlijk niet in welke verhouding wij
tot elkander staan, en vindt het misschien vreemd dat je zoo ongerust
bent om iemand, die je in niets bestaat!"
Hij tikte haar op de wang en schoof haar op zijde; haar oogen straalden
alweer.
"En u is toch niet, boos, oompje?"
"Neen, zeker niet. Tot straks!"
En toch wilde de last, die Rose-Marie op het hart drukte, maar niet
wijken; zij vond alles vandaag even somber.
"Wij hebben het mooie weer gehad," zeide zij tot juffrouw
Bol, die alleen met een dof gebrom antwoordde:
"Zoo mooi als vroeger zal 't nooit meer worden, neen, nooit meer!"
Zij zuchtte diep en ging aan haar werk, totdat de dokter terugkeerde.
Hij had nog veel in zijn apotheek te regelen en nam daar zijn tweede
ontbijt; toen hij gedaan had, kwam hij in de huiskamer.
"Rose," zeide hij, en deed zijn best zijn stem vroolijk te
doen klinken, "ik heb goede tijding voor je, vrouwtje! .Ik kreeg
een brief van Frank en hij verlangt erg naar je, hij vraagt wanneer
hij je mag bezoeken."
Doch de goede tijding scheen een verkeerde uitwerking te hebben op Rose-Marie;
zij werd bijna aschgrauw, haar oogen rolden angstig op en neer en zij
wrong als in wanhoop de kleine handen.
"Neen, neen!" riep zij, "laat hem nog niet komen! Ik
wil 't niet!"
"Maar kind! hoe heb ik 't met je! Frank is toch je man!"
"O neen, ik kan hem niet, ik wil hem niet ontmoeten. Ik houd niets
van hem: Oom, oom, lieve oom! Zend mij niet weg! Laat mij bij u blijven,
ik houd duizendmaal meer van u dan van hem. Dat heb ik gisteravond wel
gevoeld."
En zij vluchtte aan zijn borst en verborg haar gelaat in zijn kleeren
en drukte zijn handen in de hare; hij stiet haar niet af, hij sloeg
zijn armen om haar
[204:]
heen en drukte haar even vast om zich, maar
toen liet hij haar snel los.
"O, laat me hier blijven, oom! Hier voel ik mij zoo veilig. Frank
begrijpt me niet; Frank is zoo... zoo geheel anders... Waarom ben ik
met hem getrouwd? Ik had 't nooit moeten doen. Ik wil altijd bij u blijven,
altijd... Zend mij niet weg, oom!"
"Lieve Rose, wees verstandig," fluisterde hij haar toe, "dat
kan niet! Je bent nu eenmaal de vrouw van mijn neef; hij heeft je aan
mij toevertrouwd, nu hij je opeischt, moet ik je aan hem teruggeven,
al valt het mij ook hard je te zien gaan, want je bent het zonnetje
geworden van mijn eentonig leven..."
Zijn stem beefde van aandoening; hij hief haar hoofd op en trachtte
in haar oogen te zien.
"En dat mag niet, lief kind! Van niemand minder dan van jou mag
ik geluk en genegenheid aannemen."
"Waarom?" vroeg zij, en zag hem nu aan met haar heldere, reine
oogen; waarom mag ik u niet liefhebben, zooals ik mijn vader zou hebben
liefgehad! U is toch als een vader voor mij geweest, een echte vader..."
"Een vader, zeg je? Een vader? 't Is juist jou vader, die tusschen
ons staat. Laat me los, kind! Je weet niet, wien je op het oogenblik
omhelst!"
Zijn stem klonk zoo somber ernstig, dat Rose-Marie er van schrikte en
onwillekeurig een paar stappen achteruitging:
"Ik weet niet, wat u bedoelt..." stamelde zij.
"Hoe zou je het ook weten, als geen levend mensch het vermoedt?
't Is het geheim van mijn leven, Rose, dat ik je vertellen zal, wánt
ik wil je niet bedriegen, ik wil je genegenheid niet stelen, ik mag
je geluk niet in den weg staan. Je ziet in mij wat ik niet ben. Dat
maakt je onrechtvaardig tegen Frank. Daarom is 't noodig dat je alles
weet!"
"Neen, neen, oom, zeg niets!" riep zij angstig uit, "ik
zal altijd van u houden, ik heb nog nooit van een mensch zooveel gehouden
als van u!"
[205:]
"En juist daarom moet en zal je het weten. Ga daar zitten
op dat stoeltje; zoo, je hebt het meer gedaan, maar nooit kon je denken,
dat je daar eens hooren zoudt, wat ik je nu te zeggen heb. Ik had gedacht,
dat het mij bespaard zou blijven, maar het schijnt dat ik niet genoeg
heb geboet. Dit is de zwaarste straf misschien de laatste..."
Hij streek met de hand door de dikke grijze lokken; zij zag hem aan,
haar groote oogen wijd geopend, de handen gevouwen in den schoot, ademloos,
inwendig en uitwendig bevend.
"Je weet dat ik dokter bij de Marine ben geweest," zoo begon
hij een weinig weifelend. "Na een paar korte reizen naar de, West
zou de "Albatros" zijn grooten tocht naar Indië ondernemen.
Ik was met hart en ziel zeeman en dokter, maar voor alles pretmaker;
ik had een vurig karakter, of liever, ik had geen karakter, slechts
hevige neigingen; als ik iets wilde; dan kon ik geen tegenspraak lijden
en geen tegenstand, en het kostte mij de grootste moeite mij te onderwerpen
aan de tucht aan boord. Je vader, Rose, was mijn commandant. Ik achtte
hem hoog, maar voelde mij juist daardoor nooit tegenover hem op mijn
gemak. Hij was buitengewoon streng tegen mij. "Een dokter moet
een serieus man zijn, geen windbuil," zeide hij steeds; "hoe
kan men aan een wildzang het leven van honderd menschen toevertrouwen?"
en hij deed alles wat hij kon om mij tot kalmte en bedaardheid aan te
sporen.
Dikwijls ergerde het mij bovenmate, vooral omdat hij steeds gelijk had,
en een paar keer maakte hij zelfs van zijn macht gebruik om mij arrest
te geven. Ik voelde behoefte hem altijd tegen te spreken en dit gaf
tot allerlei botsingen aanleiding. Ik was zoo onverstandig."
Rose-Marie glimlachte.
"Wat is er, Rose?"
"Niets, oom, ik kan me u en onverstandig niet voorstellen
"
[206:]
"Hoor dan verder!"
Hij stond op en ging de kamer op en neer, heftig bewogen. Het was of
elk woord hem uit de keel werd gewrongen. Zijn geheele lichaam sidderde.
"Wij ankerden aan de Kaap en ik ging bijna dagelijks aan wal. Ik
had dolle pret en ik werd verliefd; hierin was ik ook, zooals in alles,
opgewonden, overdreven, gloeiend, ik ontzag niets. Ik had zekere schotsche
Miss beloofd 's avonds met haar uit te gaan, maar aan boord gekomen,
liet de commandant mij roepen en beval mij kortaf, zooals hij gewoon
was, dien nacht aan boord te blijven; er waren zieken, hij zelf gevoelde
zich onwel, en hij verkoos niet dat ik mijn tijd verloor aan een...
en hij noemde een minder vleiend woord."
Dr. Adrichem bleef voor het raam staan, zijn borst ging heftig op en
neer, zijn handen, die hij op den rug hield, sloten zich krampachtig
samen.
Rose-Marie glimlachte niet meer; zij voelde het koude zweet op haar
voorhoofd, haar keel scheen toegeschroefd, haar tong verlamd; zij moest
qnbeweeglijk blijven zitten, of zij wilde of niet.
De dokter kwam terug, ging weer zitten, drukte de hand op zijn voorhoofd
en zijn oogen, en vervolgde toen half fluisterend:
"Ik was teleurgesteld, boos, maar wat kon ik doen? Ik moest gehoorzamen.
Bevend van woede wilde ik heengaan; de commandant riep me terug: "Ik
ben ook een patiënt, behandel mij!" zeide hij nu, half schertsend.
Ik deed hem onwillig de gewone vragen. "Je moet mij niet vergiftigen,"
voegde hij er nog lachend bij, toen ik verklaarde, dat zijn zenuwen
alleen wat geschokt waren en ik hem een kalmeerend drankje wilde gereedmaken;
ik was te boos om te antwoorden, maar onderweg bedacht ik iets. Ik zou
onmogelijk dezen avond aan boord kunnen doorbrengen, wetende hoe Edith
mij wachtte.
Niemand wist wat er tusschen mij en den commandant was gebeurd, en een
dolle gedachte schoot door mijn geest. Ik was door alles heen van hartstocht,
maar dit
[207:]
verontschuldigt mij niet. Als de commandant slaapt,
dan kan ik gerust naar wal gaan, tegen elf uur kom ik terug en niemand
zal 't merken - en ik deed eenige druppels laudanum in het drankje..."
Hij zweeg een poos, overweldigd door de herinnering.
"En toen, verder!" drong Rose aan.
"Hij dronk het; niets vermoedend nam hij 't kelkje uit mijn hand.
Ik zie hem nog voor mij met zijn edel hoofd, zijn heldere oogen, die
jij van hem hebt, Rose! Hij zat onder een klein palet, waarop het portret
geschilderd stond van een lief meisje tusschen de bloemen, dat was zijn
eenig aangebeden kind, Marietjel Hij zag me aan, zooals jij mij nu aankijkt,
Rose, en toen bracht hij het glaasje aan de lippen, en op het oogenblik
dat hij dronk was 't of alles van mij wegspoelde, mijn zotte gril, mijn
kinderachtige toorn, ik zou alles hebben gegeven als hij nog drinken
moest, dan had ik het drankje in zee geworpen. Ik ging heen, een half
uur later vroeg ik zijn oppasser of ik hem spreken mocht.
Hij sliep, werd mij geantwoord, en ik ging naar wal; maar ik was toch
niet gerust, tevergeefs zeide ik mijzelf, dat ik de maat wel wist, die
toereikend zou zijn om hem een slaap van enkele uren te bezorgen; ik
zocht mij te verstrooien, te bedwelmen. 't Gelukte mij maar al te goed,
ik kon dien nacht niet meer aan boord komen, den volgenden morgen werd
ik eerst wakker uit mijn roes... men kwam mij roepen, de commandant
was dood in bed gevonden..."
Hij stond op, rukte heftig aan zijn halsboord en ging een paar stappen
op en neer. Rose-Marie staarde hem aan, doodsbleek, onbeweeglijk; alleen
haar handen schoof zij zenuwachtig, rusteloos over elkander.
"Maar, oom, kan het geen natuurlijke oorzaak hebben gehad?"
vroeg zij bevend.
Hij schudde het hoofd. "Neen, kind, daar mag ik mij niet mee vleien;
ik had hem te veel gegeven van den slaapdrank."
"Toen is mijn ziel wakker geworden, Rose, en geheel
[208:]
wakker
ook," ging hij voort na een oogenblik; "hoe ik die uren heb
doorgebracht zonder mij te verraden, ik weet het niet; er was niemand,
die iets vermoedde van het aandeel, dat ik had in zijn plotselingen
dood. Men wist dat Doremael van Asperen niet gezond was, dat hij leed
aan hartkloppingen: Ik moest het lijk schouwen met een paar andere doctoren;
hartverlamming werd als de oorzaak van den dood opgegeven. Ieder had
er vrede mede, ieder, behalve ik! Neen, ik heb mijn schuld niet openlijk
bekend: mijn eerste gedachte, mijn eerste zorg was instinctmatig mijn
misdaad te verbergen voor ieder, en ik schijn in mijn wanhoop de kracht
gevonden te hebben mij goed te houden, maar toen daarna... toen alles
afgeloopen was, o, toen liet mijn ziel mij geen rust meer, ik had haar
een moord laten doen, en wat ik ook aanvoerde tot mijn rechtvaardiging,
het hielp niets. Duizendmaal was ik op 't punt mij aan den wereldlijken
rechter over te leveren en de straf, welke mij opgelegd zou worden,
te ondergaan. Maar de gedachte aan mijn familie hield mij terug; ik
besloot over mijzelf gerecht te houden en ik heb mij veroordeeld tot
een leven van boete, van eenzaamheid, van hard werk zonder geluk! Dit
was 't eenige wat mij met God en met mijzelf verzoenen kon, en daarom,
Rose, om uw vaders dood te wreken op zijn moordenaar, heb ik mijn carrière
verlaten, de wereld vaarwelgezegd, afstand gedaan van het familieleven,
mij hier gewijd aan mijn beroep. Leven voor leven wilde ik redden, en
ik wijdde mij aan de armen, die anders van geneeskundige hulp zouden
verstoken blijven. Ik had eerst nooit willen terugkomen, mij verbergen
in een vreemd land, daar mijn voornemen ten uitvoer brengen; ik kwam
er van terug, mijn landgenooten en de zijne hadden het meeste aanspraak
op mijn hulp, op de vruchten van mijn studie.
Ik kwam mij hier vestigen; 't kostte mij eerst veel moeite mij hier
te gewennen, alleen te zijn met mijIn bittere wroeging, in een omgeving
te verkeeren geheel in strijd met mijn neigingen en karakter; maar in
den
[209:]
loop der jaren ging het beter; de gewoonte kreeg macht over
mij. Wat mij eerst zoo ontzaglijk zwaar had gevallen, werd mij gemakkelijk
en licht; al had ik 't ook gewenscht, ik had mijn leven met geen ander
willen ruilen. Ik begon vrede te vinden met mijn geweten, en toen kruiste
zijn kind mijn weg
"
Er werd aan de deur geklopt; juffrouw Bol stak haar halve gezicht door
de opening en zeide dat het meisje van Jansen kwam vragen of dokter
naar moeder wilde komen kijken, vóór hij verder ging.
"Ik kom dadelijk," was zijn antwoord, en toen bleef hij voor
Rose staan en vroeg: "Nu weet je alles, Rose. Zou het dan niet
de kroon zetten op mijn misdaad, als ik voortging je dankbare genegenheid
aan te nemen als iets dat ik door mijn goedheid verdiende, terwijl je
volle recht hebt op al mijn zorg; al mijn belangstelling? En wat ik
voor je deed, je hebt het mij zoo licht gemaakt. Dat was geen straf,
geen boete, maar een genot!"
"Oom," riep zij, en de stem scheen diep uit haar hart te wellen,
"waarom heeft u mij dat verteld?"
"Om mijzelf te straffen, Rose, om vernederd voor je te staan en
afgeworpen te worden van het voetstuk, waarop je mij plaatsen wilde."
Zij zag hem zielsbedroefd aan, de groote oogen vol tranen, en schudde
het hoofd:
"'t Helpt tocn niet, oom! Mijn vader heb ik niet gekend, 't is
al zoo lang geleden, en u... 't was uw schuld misschien niet en zeker
niet uw wil... het ongeluk dat u overkwam is grooter dan het zijne.
Want wat weegt zwaarder, uw leven of zijn dood?"
"En 't ongeluk van je moeder, van jezelf, komt dat met op mijn
schuld?"
Zij zuchtte weer diep en fluisterde:
"Neen, oom! Dat was de hare en de mijne, daarvan mag u de verantwoording
niet dragen!"
Hij nam zijn hoed. "Rose," sprak hij, je bent barmhartiger
voor mij dan ikzelf. Je zoekt mij te verontschuldigen, ik heb 't sinds
lang niet meer getracht.
[210:]
Moge Gud zoo genadig zijn! Ik kan mijzelf
niet vergeven, toen niet, en nu nog minder dan ooit. Je woorden troosten
mij niet. Ik kan slechts één troost nog van je wachten!"
"En dat is?"
"Te weten dat je gelukkig zijt."
"Zend mij dan niet weg, laat mij bij u blijven!"
"Verlang je dat nu nog?"
Zij bloosde hevig en sloeg de oogen neder.
"Ja, nog altijd!"
"Het kan niet, kind! het kan niet! Begrijpt het wel! De eenige
kans tot geluk voor je hangt af van Frank, van je man! Nu je alles weet,
mag ik je niet langer hier houden!"
Zij wrong de handen in wanhoop en zag hulpeloos naar hem op.
"Ik kan niet meer leven zonder u!" riep zij eensklaps op hartstochtelijken
toon uit.
Hij werd nog bleeker dan hij het reeds was; hij nam haar hand in de
zijne, vaderlijker, vriendelijker dan ooit te voren.
"Rose," sprak hij, "wees verstandig! Hoe kan je zooveel
blijven houden van iemand, die je niets dan afschuw moet inboezemen,
ik ben immers de moordenaar van je vader!"
Zij trok zich eensklaps huiverend terug.
"Zie je wel, je keert je vol afschuw van mij af! En je hebt gelijk,
dat alleen verdien ik van je, niets meer! Dag, Rose, tot straks! Denk
nu over 't geen je plicht als dochter en als vrouw van je vordert. En
zeg me dan wat je besloten hebt!"
Nu klonk zijn stem streng, bijna gebiedend. Rose bleef een oogenblik
alleen staan; toen sloeg zij de handen voor het gelaat en riep uit:
"O God! Wat ben ik toch slecht! Hoe kan ik zoo slecht zijn!"
Zij verliet het huis en snelde naar de zee, die woest en onstuimig bruiste,
als sidderde zij nog bij de her
[211:]
innering aan haar hevige ontroering
van gisteren. Aan het strand bleef zij staan; het klotsen der wilde
golven was zoo in overeenstemming met haar oproerig hart, zij verstond
hun stem, die met haar gemoed in harmonie weerklonk.
De duisternis viel reeds toen zij tehuiskwam. De dokter zat aan zijn
lessenaar met het hoofd in de handen; zij naderde hem en sprak half
fluisterend:
"Dokter, wil u aan Frank schrijven, dat ik hem wacht?"
"Heel goed, kind; ik doe 't van avond nog."
De dokter schreef, maar Frank kwam niet en dien zelfden nacht werd Rose-Marie
zwaar ziek; een hevige zenuwkoorts openbaarde zich en de dokter vroeg
zich angstig af:
"Zal ik dan van 't leven van vader en dochter de verantwoordelijkheid
moeten dragen?"