XXIV.
Na het overhaaste
vertrek van dokter Adrichem met Rose had Frank een zonderlingen tijd
doorleefd; hij bleef eerst een poosje in Amsterdam, alsof er niets gebeurd
was, maar toen bekroop hem weer de oude zwerfzucht; hij vertrok naar
Engeland en Schotland, dwaalde door musea en particuliere kabinetten,
maakte schetsen in eenzame zeedorpen en kon nergens rust vinden.
Overal vervolgde hem de herinnering aan een paar oogen, zoo diep van
uitdrukking als de zee, maar even veranderlijk en tintelend als de oppervlakte
der golven.
Die oogen zagen hem beurtelings spottend en verwijtend aan; hij wist
niet of zij aan Rose-Marie of wel aan Rosa Marina toebehoorden, en eindelijk
werd het verlangen hem te sterk en te krachtig; hij verliet Engeland,
besluiteloos waar hij gaan zou, naar zijn atelier
[212:]
bij Parijs,
waar zijn half voltooide schilderij hem wachtte, of naar Duinwijk, om
zijn vrouw te gaan zien.
Nog vóórdat hij 't wist kwam hij in Amsterdam aan, verraste
zijn moeder aan tafel en vertrok nog dien middag.
"Blijf je lang weg?" riep mevrouw Van Haeren hem na.
"Ik weet het nog niet; misschien kom ik van avond thuis, misschien
ook het volgende jaar."
"Als men 't maar weet!" zeide zijn moeder knorrig. "En
mocht ik in dien tijd op sterven liggen, waar moeten ze je dan vinden?"
"Och kom, moeder! zoo'n vaart zal 't niet loopen! Wie sterft er
nu toch op uw leeftijd?"
Hij vertrok naar Duinwijk; daags te voren had hij zijn oom geschreven
of hij nu zijn vrouw mocht komen bezoeken, maar hij had geen geduld
het antwoord af te wachten; een onverklaarbare macht dreef hem naar
zee; hij verliet de stoomtram nog vóór het dorp en besloot
langs het strand naar den dokter te wandelen.
Het was er nu zoo prachtig! De donkere wolken joegen nog woest en toornig
dooréén, in de verte smolten zij samen met de bruin-grijze
golven, waarover het schuim in groote vlokken zweefde. Zijn ziel werd
geheel vervuld door het wilde zeegezicht, en wat noch kunst, noch menschen
hadden vermocht, dat deed de oproerige natuur; hij vergat voor een oogenblik
het doel van zijn tocht, de droevige oogen van Rose-Marie, om geheel
op te gaan in Rosa Marina, zijn schepping; vol verrukking nam hij het
spel der vreemde tinten en der grillige lijnen van golven en wolken
in zich op.
Plotseling brak de zon zich een opening door de wolken, een vreemdsoortige,
rossige, ziekelijk gele gloed kwam tusschen de saam gepakte donkere
gevaarten glimmen en wierp haar valsch, schel licht over het strand
en de zee, over het dorp en over een vrouwengestalte, die eenige stappen
verder vlak aan den oever stond.
Zij baadde zich geheel in den zonderlingen lichtstroom, haar geel-grijs
kleedje scheen louter uit zonnestralen
[213:]
geweven, haar eene hand
hield op de schouders de plooien vast van een in den wind wapperenden
doek, die zich los en sierlijk om haar drapeerde; haar hoofd was onbedekt,
de wind speelde vrij met haar losse haren, die een vurige tint aannamen;
ook haar gelaat gloeide tegen den zwarten achtergrond ginds aan den
horizon, in haar oogen flikkerde het licht met violette weerglansen.
Zij staarde onafgewend in de ruimte, zonder iets te zien of iets te
hooren van wat rondom haar gebeurde, en Frank bleef staan, bevangen
door een emotie, zoo groot en overweldigend als hij nooit gevoeld had.
Rose-Marie, maar aan haar dacht hij niet meer, het was zijn werk, dat
hij hier vond, zijn werk zooals hij het zich gedroomd had, zooals het
zijn en worden moest; eensklaps wist hij wat hem te doen stond, wat
zijn Rosa Marina noodig had om schoon en levend te worden.
Hij bleef onbeweeglijk totdat de zon weer schuilging achter de wolken
en het geheimzinnig licht uitdoofde.
Rose-Marie verroerde zich nog niet; hij sloop heen, keerde naar het
dorp terug, nam de tram en vertrok nog dienzelfden avond naar Parijs.
Hij werkte hard, weken lang; zijn talent brak zich baan door alle gewoonten,
door alle aangeleerde kunst heen, natuurlijk en vrij. Rosa Marina verscheen
op het doek, een meesterstuk van kIeuren maar ook van teekening, zonder
het conventioneele der oudere richting, zonder het eigenaardige van
de nieuwe. Zee en vrouw waren een, uit beide scheen het licht te stralen
in breede, krachtige stroomen. Wat vroeg zij van de zee? Wat antwoordde
deze haar?
Maar hoe meer hij werkte aan de teedere vrouwengestalte, zooals zij
daar verrees, eenzaam en verlaten tusschen de wilde zee en de sombere
lucht, hoe warmer zijn gevoel werd voor haar, die hem toen enkel verschenen
was als de verpersoonlijking van zijn idee; hij kon zich niet losrukken
van zijn werk, en toch smachtte hij naar haar blik, naar haar stem,
en toen zijn diepe impressie weergegeven was, voelde hij een leegte
in zijn
[214:]
binnenste, een leegte door geen kunst meer te vullen.
"Nu moet ik naar haar. Nu kan ik haar ontberen als model, maar
ik kan niet leven zonder haar..: zonder mijn vrouw."
En nog dienzelfden avond verliet hij zijn schilderij en spoorde naar
Amsterdam.
"Ben je daar nu aI?" vroeg Meta, bij wijze van welkomstgroet.
"Ik dacht dat wij je pas tegen het volgende jaar konden verwachten."
Hij glimlachte gedwongen en zij merkte dat hij er slecht uitzag.
"Scheelt je iets?" vroeg zij bezorgd.
"Mij? Neen! Maar ik heb hard gewerkt, mijn schilderij is af."
"En kom je nu rusten?"
"Ik ga van avond weer heen."
"Alweer?"
"Ja, ik moet naar Duinwijk."
"O, 't is waar ook! Kom toch binnen in de veranda. Ma is er en
Lottie toevallig ook."
Zij duwde hem naar binnen en kondigde aan:
Voor de honderdste maal reprise van het drama in zes bedrijven en tien
tafereelen! "De verloren zoon".
"Hé, Frank, och kom, Frank, hoe gaat het, Frank?" werd
er geroepen; "wat zie je er naar uit, vreeselijk naar!"
"Mama," vroeg hij, en een dwaze angst snoerde hem eensklaps
de keel bijna dicht, "zijn er ook brieven van oom?"
"O hemel, ja! Daags nadat je weg was, kwam er een en toen een dag
of tien later weer een; ik heb oom teruggeschreven dat je weg was en
natuurlijk, als liefhebbende zoon, je adres niet hadt achtergelaten.
Verbeeld je, Lotje, dat ik in dien tijd dood en begraven had kunnen
zijn, zonder dat hij 't wist."
"Ja, dat konden wij allen wezen. 't Is onverantwoordelijk, maar
zoo zijn de jongelui tegenwoordig."
"Ma, waar zijn de brieven?"
[215:]
"Hier in mijn bureau."
Zij ging naar de tuinkamer en haalde ze voor den dag. Frank scheen er
niet om te denken, dat hij niet alleen in de kamer was, en de dames
met klimmende nieuwsgierigheid al zijn bewegingen volgden; hij brak
den laatsten brief open en zijn blik gleed snel over den inhoud; hij
werd doodsbleek, zijn hand sidderde.
"Wat is er?" riepen allen. "Frank, wat mankeert je?"
"Niets," antwoordde hij barsch; maar zich even bedenkend liet
hij dadelijk op heeschen toon volgen: "Mijn vrouw is ziek, ernstig
ziek. Oom had weinig hoop, en dat is nu drie weken geleden. Hoe zal
't nu wezen?"
"Je vrouw!" riepen mevrouwen Charlotte uit, "wat weet
oom van je vrouw!"
"Zij is bij hem sinds maanden."
"Wat..." riep Charlotte uit, "er is niemand bij hem dan
Marie, mijn meid, die hij zoo wonderlijk uit mijn huis troonde. Of moest
zij misschien je vrouw bedienen?"
"Rose-Marie is mijn vrouw; oom heeft haar op mijn verzoek uit je
huis gehaald en bij zich genomen. Maar zeg nu niets meer, ik vertrek
onmiddellijk."
"Zal ik met je meegaan ?" vroeg Meta vriendelij
belangstellend.
Hij zag haar aan alsof hij half droomde.
"Neen, ik dank je," mompelde hij. "Adieu!"
Allen zagen elkander aan terwijl hij de kamer uitging; alleen Meta volgde
hem.
"Frank," fluisterde zij hem toe, "als het niet te laat
is, breng onze zuster dan onze groeten over."
Hij aarzelde een oogenblik; toen kuste hij het meisje op het voorhoofd
en zeide zacht:
"Bid voor haar en voor mij Meta!"
"Goddank! er is meer in dien jongen dan verf en zijn penseelen,"
dacht Meta; "waarlijk, ik geloof dat zijn oogen vochtig waren."
En zij keerde in de tuinkamer terug, waar haar moeder en Charlotte het
druk hadden met allerlei uitroepen.
[216:]
"Zoo'n dwaze jongen! Maar wie kon 't weten! Heb ik 't niet
altijd gezegd!"
"Mijn schoonzuster in mijn dienst, 't is een ramp! Had ik dat kunnen
denken!"