XXII.
De lente was dit
jaar bijzonder vroeg en gemakkelijk ingevallen; geen zware stormen hadden
haar voorafgegaan. Stil en vredig scheen de winter haar zijn schepter
te hebben overgegeven; de zon scheen dag op dag, overal barstten de
bladeren en knoppen uit hun te krap geworden hulsel, overal stroomde
het leven in de bezielde en onbezielde natuur.
"Neen, zoo'n lente heb ik nooit bijgewoond," riep Rose-Marie
alweer uit, "en u dan, oom!"
"Neen, ik ook niet," antwoordde hij lachend, "maar wij
zijn er nog niet. Ik heb weinig vertrouwen in al te lieve menschen en
in al te mooi weer; wie weet hoe wij het nog duur zullen moeten betalen."
"O, foei, oom! Geen zorgen voor den tijd. Wat wij eens gehad hebben
kan niemand ons meer ontnemen, en als er nog storm en regen en koude
komt, ja, dan...dan... "
"Hebben de jonge blaadjes en bloesems, die te nieuwsgierig en te
voorbarig zijn geweest, een harden dobber."
"Hé, oom, dat had Ik nooIt gedacht, toen ik van de lente
niets merkte dan wat meer geur in onze grachten, dat jonge blaadjes
en hun levensloop mij eens zouden interesseeren."
Op zekeren middag kreeg de dokter een boodschap van een boer, die zijn
arm gebroken had, en op een zeer
[190:]
afgelegen boerderti, vrij ver
achter de duinen woonde.
"Mag ik niet mee, oom?" vroeg Rose-Marie, "ik ben dien
kant nog nooit uit geweest?"
"Neen, meisje, ik heb 't liever niet! Ik moet er lang blijven misschien,
en waar moet ik je al dien tijd laten, en daarbij ik heb weinig op met
het weer. 't Is vandaag onnatuurlijk warm geweest, en ik zag wolkjes
die me niets aanstaan. Ik zal mijn rijtuig laten inspannen."
"Maar eet u niet eerst, oom?"
"Nu ja, ik zal daar wel wat krijgen."
"O, foei! Die boerenkost. Neen, laat mij eerst wat voor u klaarmaken;
't is in een ommezien gedaan, oom! Zoo'n haast is er niet bij. 't Is
gaar, tegen dat Piet ingespannen heeft."
Zij snelde naar de keuken en in een oogwenk had zij een paar kalfsoesters,
een lievelingsgerecht van den dokter, klaargemaakt.
"Kind, je verwent je ouden oom," zeide de dokter lachend;
hoe zal ik ooit kunnen aarden als je weg bent?"
"O, komt die tijd, dan komt die zorg!" antwoordde zij vroolijk,
en trippelde heen en weer om haar oom te bedienen. "Zou u waarlijk
denken, oom, dat het slecht weer wordt? Er zijn een paar botters uitgezeild
en juist van Krelis Wildebeest, wiens vrouw zoo zwak is. Ik hoop maar
niet, dat er storm komt, en dan, oom, als het te boos weer is, dan blijft
u toch maar op de boerderij en waagt u er niet in?"
"Neen, stellig niet! 't Heeft heerlijk gesmaakt; nu mijn instrumentkistje
en een paar fleschjes, en dan moet ik gaan. Lees je van avond Le Cid
door en schriftje 't een en ander op, wat je frappeert?"
"Ja, oom, en dan mag ik immers nog een uurtje in Dickens lezen
voor pleizier?"
"Ja, dat mag je, omdat je zoo lief bent geweest, die oesters voor
mij te bakken; als ik er om tien uur niet ben, dan ga je naar bed begrepen?"
"Neen, oom, ik wacht tot halfelf."
Maar het stond geschreven, dat Rose-Marie dien avond
[191:]
noch Le
Cid, noch Dickens zou lezen, en zij noch om tien uur, noch om halfelf
naar bed zou gaan.
Het verraderlijke voorjaar oefende wraak op de lente, die zoo stil en
ongemerkt zich van de plaats had weten meester te maken; het begon in
de verte te rommelen en te suizen; het schuim, dat de branding naar
de kust wierp, werd woeliger en verhief zich hooger; de golven namen
donkerder tint aan en begonnen heftig te bruischen, het was of een onzichtbare
macht hen toornig maakte en zij steeds luider en luider hun grieven
moesten doen hooren.
Rose-Marie stond voor het raam en zag hoe de hemel, van morgen nog zoo
helder en doorzichtig, nu van alle kanten bestormd werd door grijze
wolken; zij rukten aan van alle richtingen, pakten zich samen, scheurden
zich weer los, en 't scheen dat de zon, toornig over hun hatelijk spel,
hen telkens met reuzenarmen van elkander scheidde om dan bloedroode
stralen te werpen op de steeds onstuimiger zee, die meer en meer voortkroop
naar het strand.
"Men zou zeggen een monster," dacht Rose-Marie, "dat
de aarde wil verslinden, zoo grimmig komen telkens de golven op haar
aan en kruipen onverrichterzake weer weg met verbeten woede."
Maar hun kammen werden grooter en grooter; witte franjes, opstaande
als de manen van getergde leeuwen, richtten zich hoog op, dreigend en
knorrend volgden zij altijd sneller en sneller na elkander.
"'t Wordt boos weer, juffrouw Rose," zeide juffrouw Bol binnenkomende.
"Ja, juf! Ik wou dat de dokter weer thuis was."
"Och wat, de dokter zit hoog en droog bg Harmsen."
"Zou hij er al wezen, juffrouw?"
"Wezen? Ik denk dat hij al haast terugkomt."
"Maar dat hoop ik toch niet. Dat zou vreeselijk zijn, dan kreeg
hij juist het weer als het op zijn ergst was. Zou je dat denken, juffrouw?"
"Wel neen, maak u maar niet ongerust! De dokter
[192:]
is hier
niet van vandaag of gisteren; hij weet wel hoe het er toegaat bij stormweer."
"Heb je dikwijls zulk weer hier bijgewoond, juffrouw?"
"Dat zou ik denken! Zal ik het raam maar sluiten?"
"Neen, neen, ik zie 't zoo graag!"
"Nu, ieder zijn meug, zei de boer, en braadde zijn haas met huid
en haar. Ik zou 't anders niet aan u zeggen dat u het graag zag. U zat
hier te rillen als een blad."
"Dat is niets, dat kan ik niet helpen!"
En zij bleef voor het raam staan, aangetrokken en tevens afgestooten
door het ijselijke gezicht van den storm, die zich langzaam voorbereidde;
de zon had het reeds lang opgegeven tegen de wolken strijd te voeren;
dikke zwarte balken hadden haar afgesloten, haar en haar stralen; slechts
zelden brak er een door en wierp een akelig vaalgele lichtstreep over
het grauwe dek.
De golven bruischten niet meer, zij brulden; de wind kwam aangezet van
ver uit het Zuiden en maakte een gedruisch als kwam hij aangereden op
een ontzaglijk voertuig over booge ijzeren wegen; hij begon te hameren
op de daken, hij siste door de straten, hij speelde met het schuim en
wierp het hooger, hooger, steeds hooger, om den hemel te tarten, die
ook steeds zwarter en dreigender werd.
"Mijn God, mijn God! sta hen bij die onderweg zijn op zee en land!"
stamelde Rose-Marie; daar tuimelde zij weg van het raam; van boven naar
beneden scheurde plotseling het gewelf en een vurige slang sidderde
in een seconde vlak tegenover haar, een vaal, oranje licht door de kamer
werpend, en dadelijk voegde zich het doffe geratel van het onweer met
het valsche krijschen van den wind.
"Ziet u wel," zei juffrouw Bol. "Het zal u niet bevallen
naar den storm te kijken. Het is geen jongejuffertjes gezicht, dat weet
ik wel!"
En meteen schoof zij het paneel voor het raam. Nu was de storm afgesloten
voor Rose-Marie's oogen, maar in haar ooren woedde hij voort.
[193:]
Aarde en zee schenen in opstand tegen den hemel en den wind,
de valsche wind zweepte hen op, de wind stookte het vuur aan, de wind
raasde en gilde, hij deed alles daveren, hij was 't die de golven opzweepte
ellen hoog, hij, die alles omverwierp; daar vielen daken kletterend
in, daar stortte een schoorsteen donderend omlaag! O God, kwam er dan
geen einde aan of was dit eerst het begin, waar moest het dan heen!
Waren dat legers van zeemonsters die uit de diepten losgelaten werden?
Hoe raasden en gierden zij allen. Wat wilden zij toch?
Zij ging de kamer uit naar de keuken; juffrouw Bol zat rustig te breien.
Rose-Marie's angst klom bij elke minuut.
"Oom Theo, oom Theo, was u maar thuis!" riep zij telkens,
dan hield zij zich een oogenblik in; zij meende het gerol van wielen
te hooren, maar neen, alle geluiden deden immers mede in de afgrijselijke
symfonie, die helsche muzikanten op de aarde uitvoerden.
De glazen rinkelden, er braken ruiten, nu eens sloegen hagelsteenen,
dan weer groote droppels regen kletterend tegen de glazen.
"Ik ben zoo bang, juffrouw Bol," snikte zij, "zoo bang!"
"Kom, 't huis is stevig, je moet er je aan wennen als je aan zee
woont zoo'n spektakel bij te wonen; ik herinner mij den eersten keer,
dat ik 't hoorde, was ik ook niets op mijn gemak, maar 't wordt met
Mei al veertien jaar dat wij hier wonen."
"En heb je 't ooit zoo erg gehoord, juf?"
"O ja, veel erger, het was in '80, neen, in '81, meen ik, toen
had je hier moeten zijn, 't was of de wereld verging."
"O, God, hoor nu toch eens! Zou je niet zeggen, dat de hemel van
mekaar spleet? Wat een slag, en oom
"
Zij ging de trap op naar haar kamer; het was er volslagen donker; van
buiten stroomde het water langs de ruiten; het raam zag niet op de zee
uit, het was
194:]
het logeerkamertje, waar Frank ook had geslapen.
Zij knielde voor haar bed neer en trachtte te bidden voor haar beschermer,
haar weldoener, die nu misschien geheel alleen tusschen de duinen blootgesteld
was aan de boosheid van storm en onweer; maar het was of bij elke bede
de wind spotlachend gierde, en zij dacht aan het tooneel dat zij dezer
dagen gelezen had uit Faust: Margaretha, geknield in de kerk en bespot
door Mephistopheles.
"O, Vader in den hemel... bescherm hem, mijn... mijn..." Zij
voleindigde niet; gierend scheen de orkaan haar woorden over te nemen
en met zich mee te voeren ver van daar, waarheen dat wist zij niet,
maar zeker niet voor den Troon van God!
"O, Heer, Gij die de winden beveelt, laat kalmte komen," smeekte
zij, en waarlijk even zweeg de storm; de regen alleen ritselde van het
dak en stroomde langs de goten, maar dat akelige piepen en kreunen,
door het vreeselijke brullen der golven beantwoord, verstomde voor eenige
seconden.
"Ik dank U, ik dank U, mijn gebed is verhoord!" wilde zij
uitroepen, maar zij had er geen tijd toe, sissend en schetterend viel
het helsche orkest weer in en de golven overstemden het angstig loeien
van den wind; zij klaagden en kermden als wilden zij zeggen:
"Wij worden mishandeld, gegeeseld, opgezweept; wij kunnen niet
kalm zijn, al wilden wij ook. De wind martelt ons met haar duivelsche
foltertuigen."
En zij voelde plotseling medelijden met de zee, die van morgen nog zoo
speelsch, zoo dartel, zoo vroolijk, zoo onschuldig, zoo bevallig was;
de zee liet zich toen kussen door de zonnestralen, zij liet zich streelen
door het lentewindje, en als zij nu boos was, als zij zich nu woedend
verhief, het was haar schuld niet, de wind deed het haar aan, die booze,
trouwelooze, verraderlijke wind.
Zij kon er om schreien, om die arme, mooie zee; zij voelde een onweerstaanbaar
verlangen haar te zien in
[195:]
haar diepe ellende, en zij ging naar
het tegenoverstaande raam, een eenvoudig zolderraam, en trachtte naar
buiten te staren in de dikke duisternis. Zij huiverde, maar hield met
haar vingers toch de smalle vensterbank omklemd, want zij wilde zien,
zij moest zien.
Het was een ontzettend gezicht, de golven schenen licht te dragen, vonken
dansten over de kammen in een dollen, wilden heksendans, afgrijselijke
kolken openden zich telkens, en dan wrongen zich de wateren als het
ware uit de diepte los, en stonden op tegen den hemel, als wilden zij
dien aansprakelijk stellen voor hun bittere verontwaardiging, hun machtelooze
woede, hun ondraaglijk lijden; maar de hemel was bedekt door wolkenmassa's,
zoo dik, zoo zwart, als kon nooit meer een straal van zon, maan of sterren
hen doordringen; nu en dan slechts scheen hij van elkander te barsten,
als de bliksem hem doorkliefde in alle richiingen, en voor een honderdste
seconde flikkerde akelig vaal licht over het gewelf.
En als die zee nu door dien wind zoo beroerd kon worden, die machtige,
groote zee, hoe zou het dan gaan met den man, daar geheel alleen overgeleverd
aan zijn woede, aan zijn onbarmhartigheid?
Zij vluchtte weg van het raam; luid snikkend snelde zij naar beneden,
wierp zich in de fauteuil van haar oom en wrong in wanhoop de handen.
Juffrouw Bol kwam met het licht binnen en hoorde haar snikken en zuchten.
"Kom, ik zou mij niet zoo aanstellen," zeide zij, met iets
als hartelijkheid in de stem, "'t zal wel losloopen."
"Maar die arme roenschen, die buiten zijn, juffrouw Bol, die visschers..."
"Ja, daar zal een harde wijs op gaan; met den laatsten storm is
de "Vier Gezusters" vergaan, u weet wel, dat is de schuit
van Teunissen; drie broers waren er op. Ja, dat was een geschiedenis,
en als de dokter zich er niet mee bemoeid had, was er van de heele familie
njets terechtgekomen."
[196:]
"En nu is hij zelf misschien..."
"Kom, kom! Hij zit hoog en droog bij Harmsen."
"Gelooft u dat stellig, juffrouw!"
"Wel zeker."
"O, als het maar zoo was!"
Zij stond op en ging de kamer op en neer; juffrouw Bol keerde terug
naar de keuken, maar kwam spoedig met de boodschap:
"Het water staat al onder in den tuin; straks slaat de zee nog
tegen de ruiten."
"Als oom maar thuis was!" kermde Rose-Marie hoe langer hoe
angstiger, "dan zou ik niet bang zijn."
"Kind, schei toch uit," riep de huishoudster korrelig, "de
dokter komt wel op zijn pooten ik bedoel op zijn voeten, terecht, geloof
me!"
Rose-Marie ging naar zijn lessenaar en begon werktuiglijk de boeken
en papieren, die de dokter naar gewoonte door elkander had geworpen,
te rangschikken.
Gisteravond zaten zij nog zoo gezellig hier voor den lessenaar en lazen
Le Cid; nu herinnerde zij zich dat haar oom een weinig ongewoon deed.
"O, foei," had zij uitgeroepen, "ik hoop maar niet dat
Chimène met Rodrigue trouwt, den moordenaar van, haar vader.
Dat is schande; vindt u niet, oom?"
"Kind! oordeel niet te gauw. Maar ik vind Le Cid een akelig stuk.
Zullen wij niet liever iets anders nemen? Cinna is erg langdradig, maar
Polyeucte."
"Neen, ik ben zoo verlangend naar het einde
"
En nu konden noch Chimène, noch Rodrigue haar iets meer schelen;
zij zag David Copperfield daar liggen; met een gevoel van walging wendde
zij het hoofd af. Wat waren de boeken toch onverdraaglijk als de natuur
aan het woord was, zoo geweldig, zoo streng!
O, was het nog maar gisteravond! Zij raakte nu bijna gewoon aan het
geraas daarbuiten; wanneer oom maar terug was, dan zou zij niet meer
vreezen, dan zou zij misschien weer kunnen lachen.
Zij zocht juffrouw Bol op.
[197:]
"Juffrouw, zouden we niet iemand kunnen zenden om den dokter
te zoeken? Misschien is hij toch wel onderweg, men kan niet weten!"
"Mensch! wat bezielt je? 't Is geen weer om er een hond uit te
jagen en de dokter zal ook wel te wijs zijn om zich buiten te wagen."
"Zou u denken?"
"Welzeker is 't zoo, mijn hand er op! Nu, de dokter zal ook niet
weten wat hem overkomt, dat er hier zoo over hem gekrimeneerd wordt.
Ik zeg geen kwaad van hem, o hemel, neen! Ik zou een slechteren heer
kunnen treffen, maar ik zou liever, ik weet niet wat, doen, dan me zoo
druk over hem maken. Hij is wijs genoeg, zeg ik maar, om te weten wat
hij doet of laat!"
"'t Wordt minder! Dunkt je niet, juffrouw?"
"'t Zal toch wel eens minder worden, denk ik!" was het droge
antwoord, en onvoidaankeerde Rose-Marie weer naar de huiskamer terug;
zij verlangde naar sympathie, en van juffrouw Bol kreeg zij die niet
genoeg.
De storm ging nog wel in lang niet liggen, maar heviger werd hij niet;
haar onrust werd echter hoe langer hoe grooter.
"Moet u geen thee hebben?" vroeg juffrouw Bol.
"Voor mij, neen; dank je! Maar wacht, ik zal alles klaarzetten
tegen dat de dokter komt. Wat zal hij 't koud hebben en wat zal hij
nat zijn!"
"Och, Heer, ja, verwen hem maar! Ik heb hem daar niet aan gewend,"
spotte de huishoudster.
"Dat is niet goed van je, juffrouw! Want de dokter is zoo goed;
zoo'n edele man bestaat er geen tweede!"
"Ach, kom! Je schijnt heel veel van je zoogenaamden oom te houden,
hè!"
Rose-Marie was te onschuldig om iets te raden van de bijzondere bedoelingen,
waarmede deze woorden gezegd werden.
"En zou ik niet? Van wien zou ik meer houden dan van hem? O, als
je wist, juffrouw Bol, wat ik hem te danken heb."
[198:]
"Ja, dat begrijp ik; maar 't is kaseweel, dat hij er niets
van geweten heeft, dat hij nog zoo'n betrekking op je had, toen je hier
was met je kromme zus."
"Dat is erg jammer geweest, zeker."
Juffrouw Bol vond de gelegenheid mooi om wat meer van de particuliere
zaken van de logée te hooren, maar Rose-Marie liet niets meer
los; zij legde het mooie kleed, dat zij zelf gemaakt had, over de tafel,
haalde het servies voor den dag, de broodjes, het vleesch, de cognac
Hesch; zij maakte alles even smakelijk en aantrekkelijk; zij warmde
oom's pantoffels bij den haard, waarin zij een vuurtje aanlegde, en
toen al haar toebereidselen gereed waren, bleef zij met over elkander
geslagen armen staan en zuchtte diep.
"O, God! en als hij verongelukt is, dan zal hij hier nooit meer
komen zitten, dan zal ik hem nooit meer kunnen zien, mijn lieve, beste
oom, mijn tweede vader... "
Zij ging op haar voetenbankje bij den haard zitten en luisterde weer
naar het loeien van den storm, bevreesd, sidderend, biddend, soms knikkend
en kermend.
Juffrouw Bol kwam binnen en schudde lachend het hoofd.
"Juffie, juffie, wat zit u je toch op te winden. Het helpt toch
niemendal. Je deugt niet voor visschersvrouw, hoor!"
"En ik ben nog wel een zeemanskind," zeide zij met een Hauwen
glimlach. "Och, juffrouw Bol, ik ben zoo angstig."
"Dat zijn de zenuwen. Neem dan wat uit de apotheek."
"Neen, ik durf niet. Hoe laat is 't?"
"Negen uur."
"Zou oom al terug kunnen zijn?"
"Dat kan je denken. Hij komt van nacht zeker niet meer."
"O, dat zou toch vreeselijk zijn."
"Had je dan liever dat hij door het booze weer kwam?"
"Neen, dat ook niet!"
Eindelijk viel zij in een lichte sluimering maar telkens schrikte zij
wakker met een hevigen schok, als de wind
[199:]
even met nieuwe kracht
tegen de ramen beukte; zij droomde dat men den dokter binnendroeg, met
gebroken oogen en verbrijzeld hoofd; zij wierp zich jammerend op hem
en hij vond nog kracht om haar over de haren te streelen en vriendelijk
te zeggen:
"'t Is niets, kind, 't is niets!"
Daar vloog zij op, dat was zijn stem; o ja, zeker, zij vergiste zich
niet. Zij vloog de kamer uit, de gang in! Droomde zij nog? Daar stond
de dokter, de haren nat en verward door den regen; hij trok zijn overjas
uit en gaf ze juffrouw Bol.
"Brr, het weertje wel, hoor!" zeide hij. Maar zij vergat alles;
zij wist alleen dat haar angst en vrees ijdel waren geweest, dat de
hemel niet gespot had met haar gebed en dat hij behouden door storm
en onweer was teruggekeerd.
En met uitgestrekte armen tilde zij hem jubelend tegemoet, wierp zich
om zijn hals en bedekte zijn gelaat met kussen.
"Goddank, oom! oom! Ik ben zoo on gerustgeweest!"
"Kindlief, houd je bedaard!" zeide hij, en maakte zich zachtkens
los uit haar omhelzing; "het weer heeft je opgewonden. 't Is voor
't eerst dat zij zoo iets bijwoont, juffrouw! Kom, wees verstandig.
Ik zal je wat kalmeerends ingeven!"
Maar haar onstuimige vreugde bedaarde niet, de overgang tusschen haar
angst en blijdschap was te groot geweest; zij lachte en schreide tegelijk;
zij klemde zich aan zijn arm en drukte haar hoofd daar telkens tegen,
als moest zij duidelijk voelen dat hij nog levend voor haar stond.
Bedaard ging hij met haar naar de kamer en liet haar op de fauteuil
zitten, die zti voor hem had bestemd.
"Neen, oom... neen, die stoel is voor u!" zeide zij.
"Blijf maar even zitten!"
Hij ging naar zijn huisapotheek, nam daar een fleschje uit en druppelde
iets in een kelkje; zijn hand beefde zichtbaar, terwijl hij het tegen
de lamp omhooghield
[200:]
om de druppels te laten vallen; nog eens
telde hij ze en reikte haar het glas over.
"Drink, dat zal je goeddoen!" sprak hij vriendelijk maar een
weinig afgetrokken. Zij gehoorzaamde; haar tanden klapperden tegen het
glas.
"En nu naar bed, dadelijk!" beval hij.
"Maar oom, u is nog zoo nat, nog zoo gehavend van den storm! Vertel
u mij eerst..."
"Er valt niets te vertellen, kind! Niets! Ik heb een moeilijken
tocht gehad, heel moeilijk!"
"En uw rijtuig!"
"Dat heb ik bij Harmsen laten staan."
"Maar waarom is u er door gekomen, dat was immers te gewaagd."
"Ik dacht er aan, dat de vrouw van den timmerman mij van nacht
noodig kon hebben; 't is een bijzonder geval, en ik zou niet graag buitenshuis
zijn geweest als ze mij kwamen roepen, en toen dat been nogal gauw gezet
was, dacht ik: Komaan! ik hoef maar alleen den weg af te loopen, gevaar
is er niet, als ik maar altijd den rechten koers houd, ik ben geen jong
juffertje. Maar 't viel mij niet mee. En nu naar bed! Morgen is er ook
weer een dag!"
"Ach, ik wilde zoo graag nog wat opblijven."
"Daar komt niets van in. Je hebt je druk genoeg gemaakt."
"Nacht oom!"
Haar stem klonk zoo teeder en zoo smeekend als verwachtte zij van hem
nog een bijzonder teeken van hartelijkheid, maar hij gaf haar niet eens
de hand; hij keerde zich om en deed of hij iets op zijn bureau zocht.
"Nacht, Rose, wel te rusten!"
Zij ging heen, zielsbedroefd, zij wist zelf niet waarom; zij moest immers
blijde zijn dat haar oom terug was, en in plaats daarvan voelde zij
zich zoo neergeslagen als zij 't niet meer geweest was, gedurende den
tijd dat zij hier woonde.
Toen juffrouw Bol in de huiskamer trad, zat de
[201:]
dokter alleen
voor de helder gedekte tafel, de handen in de zakken, de oogen peinzend
in de ruimte starend.
"Hé, is de juffrouw naar bed?" vroeg zij verwonderd.
"Ja, ik heb ze laten gaan, zij is erg overspannen!"
"Nu, dat zou ik denken! Wat heeft ze aangegaan! 't Is oom voor
en dokter na geweest! Als ik er niet een stokje voor had gestoken was
zij u waarlijk nog gaan zoeken in dit noodweer."
De dokter antwoordde niet.
"Dokter," ging zij na een poosje, geheimzinnig met de oogen
knippend, voort, "als ik u was, wist ik wel wat ik deed."
"Wat dan?" vroeg de dokter verstrooid.
"Dat meisje houdt dol veel van u, dat zie ik wel met een half oog,
en u is ook nog een heel knappe man, al is u ook bijna vijf en twintig
jaar ouder, en als u verstandig was dan zond u Bolletje met een pensioentje
naar huis en trouwde met haar. De koning was nog veel, ouder dan de
koningin, en 't werd toch wat een gelukkig huwelijk, zeggen ze!."
"Juffrouw Bol," zeide de dokter uit de hoogte, "ik zal
je ook wat druppels ingeven, maar van die druppels welke, de menschen
inkrijgen, die op 't punt staan naar Meerenberg te vertrekken."
"Die kan u haar beter ingeven! ik heb ze niet noodig."
"Maak dan ook maar dat je naar boven komt en bemoei je niet meer
met zaken, waarvan je geen begrip hebt."
Het huis daverde van den slag, waarmee juffrouw Bol de deur toewierp,
harder dan zooeven de storm het had kunnen doen.