XXI.
Rose-Marie behoefde
weldra niet meer te vragen wat zij doen en hoe zij 't doen moest bij
haar oom in huis.
Het werk ging als van zelf en de dagen vlogen om;
[184:]
juffrouw Bol
zeide dikwijls dat zij nu wel van haar renten kon leven, de jongejuffrouw
nam haar alles uit de hand.
"Zij is zoo vlug als water," sprak zij tot haar intimes, en
voegde er op geheimzinnigen toon bij: "men zou zeggen dat zij de
keuken- en werkmeid tegelijk was geweest! zoo gemakkelijk schijnt haar
alles af te gaan; en vroolijk als zij is, van 's morgens vroeg tot 's
avonds laat is het maar lachen en zingen. Dat doet een oud mensch toch
goed aan 't hart; als men 't jaren lang zoo triestig en stil gewend
is, wordt men vanzelf wat zikeneurig, en ik geloof dat de dokter ook
op streek is met zijn lieve nicht, want warempel ze zegt bijna altijd
oom tegen hem! Hij ziet er tegenwoordig uit of hij nog geen dertig is
en hij wordt toch al vijfen veertig met Juni."
"Nu," werd er wel eens geantwoord, "wie weet wat er nog
gebeurt; 't spreekwoord zegt wel: Hoe ouder, hoe gekker!"
"Mensch, je bent niet wijs!" stoof juffrouw Bol verontwaardigd
op.
Maar 't was waar, de dokter leek nu veel jonger; de jeugd, die van Rose-Marie
uitstraalde, scheen zich ook aan hem mede te deelen; vroeger lachte
hij nooit anders dan om zich vriendelijk te toonen; nu echter wist Rose-Marie
hem telkens een lach te ontlokken door haar vroolijke in vallen, haar
aardige gezegden of wel alleen door haar eigen aanstekelijken lach.
Zij was gelukkig en onbezorgd; zij vroeg niet naar morgen; zij dacht
niet meer aan gisteren; elke dag, hoe somber ook, was voor haar vol
zonneschijn. Haar gelukkige natuur kwam thans eerst tot volle ontwikkeling;
de roos van haar jeugd ontplooide zich hier, onder de frissche bries
van de zee, tot volle schoonheid. Zij had altijd heimwee gehad naar
geluk; hier kwam het geluk, zij wist niet van waar, zij wist niet hoe,
haar geheele ziel vervullen, en de weerglans daarvan spiegelde zich
af in haar oogen, in haar lach, in haar bewegingen en deelde zich aan
haar omgeving mede.
[185:]
De dokter onderging het meest haar invloed; wanneer hij uit was
naar een der zeedorpen, waar hij praktizeerde, en dan langs den zeekant
of tusschen de duinen zich dikwijls tegen sneeuwbuien voortwerkte, hij
de eenige, levende mensch in deze eenzaamheid, dan vervulde hem een
smachtend verlangen naar zijn huiskamer, die niet meer hol en stil was
als in de vorige jaren, maar waar zijn binnenkomen zonnelicht tooverde
in een paar jonge oogen, waar hij met angstige zorg verwacht, met blijde
vreugd verwelkomd werd, en onwillekeurig voelde hij daarbinnen snaren
trillen, welke hij sinds lang gesprongen of verlamd waande; zijn jeugd,
die hij kunstmatig verstikt had, deed plotseling weer haar rechten gelden,
en dan was er één gedachte noodig, die hij uit het diepste
zijn herinnering moest opdelven, waardoor hij met geweld aan zijn gevoel
het zwijgen kon opleggen.
De avonden waren het aangenaamste, dan werd gelezen, gesproken, vertaald;
de dokter had alle stelselmatige studie verbannen, en toch kreeg alles
zijn beurt; hij had vooral ten doel haar te ontwikkelen. Daar las hij
met haar de voornaamste meesterstukken alle volkeren of ten minste gedeelten
er van. Door zijn aanwijzingen leerde zij hun schoonheden begrijpen
waardeeren; haar fijn gevoel wees haar echter meer den weg. Zij weende
of lachte dikwijls om een en woord, soms vouwde zij de handen en riep
in verrukking uit:
"O, wat is dat mooi!"
Vooral van kunst wilde de dokter, dat zij op hoogte zou raken; zij moest
de namen en de richtingen kennen der voornaamste schilders en hun scholen;
hij liet haar afbeeldingen van hun werken zien, legde haar uit wat de
jongeren zochten te bereiken en wat hetstreven der ouderen was, en zij
luisterde aandachtig en verraste hem door haar puntige opmerkingen en
vlug begrip.
Dikwijls ontsponnen zich uit het gehoorde of geziene gesprekken over
de hoogste en belangrijkste onderwerpen.
[186:]
Rose-Marie vertelde openhartig alles wat ooit in haar was omgegaan
en volgde gemakkelijk haar meester in de hooge vlucht zijner gedachten;
de uren vlogen om en het werd dikwijls middernacht vóórdat
zij weer tot de aarde terugkeerden.
"Wat leert u mij alles goed inzien!" riep zij opgetogen uit;
"hoe heel anders beschouw ik nu de rnenschen en de wereld dan vroeger,"
en haar vroolijkheid kwam weer boven. "Wat zouden Rika en Daatje
zeggen als zij de wijze dingen hoorden, waarover Marie het nu heeft."
Hij liet haar ook opstellen maken en hierin had haar phantasie vrij
spel; als het ware stap voor stap kon hij de vorderingen nagaan, die
de ontwikkeling van haar geest maakte, en vóór alles trof
hem haar reine ziel, de hooge, edele eigenwaarde, waarvan haar denkbeelden
getuigden. De woorden en gedachten vloeiden uit haar pen; zij vond als
van zelf, met een aangeboren smaak en goed oordeel, sierlijke wendingen,
fraaie beelden, geestige invallen. Haar zoo lang gesloten ziel, die
in de laagste en meest alledaagsche zorgen had moeten verkeeren, opende
zich nu eensklaps voor alles wat schoon en edel was, en kwam zoo tot
vollen bloei.
Die bloei deelde zich ook aan haar uiterlijk mede; altijd was Rose-Marie
een aardig, lief meisje geweest, nu werd zij bijna plotseling een schoone
vrouw; haar gestalte werd voller en scheen langer, haar gang veerkrachtiger,
haar oogen schenen nog meer dan vroeger het vermogen te hebben alle
aandoeningen harer ziel uit te spreken, maar er was nu iets in van een
edeler vlam, een hooger leven dat haar bezielde en vervulde.
De dokter zag met voldoening en blijdschap de verandering, die in haar
omging.
"'t Zal niet lang meer duren, of zij zal, wanneer Frank haar in
de "wereld" brengt, furore maken," dacht hij. "Zou
de tijd nog niet gekomen zijn hem te roepen? Wat zal ik in 's hemelsnaam
haar nog meer leeren? Wat zij nog niet weet, dat leert haar eigen instinct
wel."
[187:]
Maar toch aarzelde hij. Uit zelfzucht misschien. Wanneer zij
wegging, dan werd het weer doodsch en mistig in en rondom hem; dan was
't of hij zijn groot zeeraam sloot en alle licht en glans uit zijn kamer
verbande.
In het dorp werd Rose-Marie ook spoedig populair; hij moest er om lachen
zooals zij op de hoogte raakte van alle familiezaken en belangen der
visschers; zij wist altijd welke botters uit waren, welke terugkwamen;
zij kookte voor de zieke vrouwen, maakte koekjes voor de kinderen; zij
leerde de meisjes haken en breien, de jongens nieuwe knoopsteken voor
hun netten. 's Avonds als de dokter thuiskwam, had zij altijd allerlei
nieuwtjes te vertellen; deze had dit gezegd, dien was dat overkomen.
Zij was hier geweest en daar, en overal had zij wat opgevangen.
Over Frank en over haar toekomstig leven naast hem sprak zg als over
iets, dat nog in het zeer verre verschiet lag; telkens zeide zij dan
zeer onbevangen en natuurlijk:
"Later zal ik 't Frank wel eens leeren," of: "nu weet
ik wel wat Frank bedoelt, en dan zal ik hem weten te antwoorden. Hij
zal 't immers prettig vinden, gelooft u niet, oom, als ik met hem over
alles en nog wat zal kunnen praten?"
De winter ging om en de lente brak aan; er trilde een weelde door de
lucht, waarvan Rose-Marie zich geen rekenschap kon geven.
"Hoe heerlijk, hoe heerlijk!" riep zij uit, "zoo'n lente
heb ik nog nooit bijgewoond!"
Zij ging met de visscherskinderen uit om lelietjes der dalen te plukken
in een bosch, diep tusschen de duinen; zg stoeide en lachte met hen
als ware zij zelf nog een kind. Dat zij getrouwd was en dat haar man
op haar wachtte, scheen zij zich nauwelijks meer te herinneren; zij
gevoelde zich zoo jong, zoo bIijde, zoo gelukkig; 't was of zij nu eerst
wist, wat het was gelukkig te zijn en te leven.
's Avonds kwamen zij terug, beladen met meidoorn
[188:]
takken en bouqetten
van veldbloemen; zij zag er dan zoo frisch, zoo geurig, zoo blozend
uit als ware zij de lente zelf, die haar zegetocht hield over de duinen
en langs de zee.
Maar haar grootste genot bleef het den dokter te vergezellen op zijn
tochten naar naburige dorpen; dan was zij altijd gereed hem te volgen.
Soms wandelden zij uren lang, hetzij in het goudgele strand, waar hun
voeten diep in het zand hun sporen nalieten, of tusschen de zilveren
duinen. Dan zagen zij de zon, ondergaande in een schitterende glorie,
de golven omgetooveld in gesmolten goud, het duin gras overstrooid met
donkere robijnen; de duinen in de verte doken diep weg in hun geel paarse
tinten, en als eindelijk de zon in het water verdween, als een koning,
die zich in zijn slaapvertrek terugtrekt en nog enkele oogenblikken
zijn mantel met edelgesteenten bestrooid over de golven laat slepen,
dan gebeurde het dikwijls dat Rose-Marie's hart wegsmolt in droefheid
en blijdschap, een vreemd gevoel dat haar deed jubelen en weenen tegelijk.
En dan die terugkeer, als de maan langzaam, heel langzaam achter de
duinen oprees, zoo stil, zacht en rustig brandend als een reusachtige
lamp van opaal, hooger en hooger klom, blauwachtig staal op de golven
deed trillen en de duinen in tooverbergen van gesmolten zilver herschiep,
wat was het dan stil om hen heen, zoo stil dat het bijna heiligschennis
werd die stilte te verbreken door hun stemmen. Dan nam Rose-Marie den
arm van den dokter; zij voelde zich een weinig vermoeid en zij steunde
op hem; het was zoo veilig, zoo rustig op zijn sterken arm te leunen,
en hij liet haar begaan; hij was in zijn eigen gedachten verdiept en
gunde haar gaarne dien steun.
Zwijgend gingen zij naast elkander voort en de visschers, die hen tegenkwamen,
groetten vriendelijk en soms fluisterden zij:
"Zou men niet zeggen, dat onze dokter en de juffer
[189:]
man en
vrouw waren; hij is nog lang niet oud, zelfs niet bij zoo'n jonkheid."
Maar zij hoorden het niet; zij gaven zich over aan het genoegen van
hun samenzijn; voor Rose was dit genoegen onvermengd; voor den dokter
verbitterd door een enkele herinnering, die hij echter hoe langer hoe
verder naar den achtergrond verbande, zoo ver dat hij er nauwelijks
meer aan kon of wilde denken.