XVII.
Frank had tevergeefs
een paar uur in de Galerijen op en neer gewandeld en niets ontmoet.
Charlotte had er wel aan gedacht iemand daar te sturen om eens te spionneeren
welke heer daar op een mislukt rendez-vous kwam, maar misschien had
Marie hem gewaarschuwd dat zij eerst den volgenden avond kon komen,
en daarbij wie zou zij zenden? Daatje kon zij niet missen, en 't zou
haar ook te familiaar maken, meende zij terecht.
Zij vermoedde niet dat haar broer tegen tien uur, verkleumd van kou,
vol ergernis thuiskwam; op zijn kamer vond hij een briefje liggen.
"Wat schrijft ze toch net," dacht hij onwillekeurig, den brief
openmakende; "wat er nu weer is?"
Hij las niets anders dan:
"Frank!
Mevrouw heeft je briefje gevonden; ik was niet van plan er op te antwoorden
en ook niet te komen. 't Geeft immers niets. Maar nu is er wat gebeurd
en ik moet u spreken. Kom dus morgen halfacht mij tegemoet.
Leidschestraat, Kalverstraat, Reguliersbreestraat, Amstelstraat. Ik
zal rechts houden.
R. M."
Den volgenden avond op den bepaalden tijd ging Frank uit en ontmoette
Rose-Marie op het Rembrandtsplein.
[156:]
"Zullen wij ergens ingaan?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde zij, "laten we aan den stillen kant
loopen, langs Tborbecke naar de Heerengracht."
Zij vertelde hem dadelijk haar gesprek met zijn zuster.
"Nu wil zij alles weten. Ik zal haar natuurlijk niets vertellen,
maar dan zegt zij mij den dienst op, en ik sta weer op straat, zonder
getuigen, want zij zal aan dames, die naar me vragen, alles vertellen.
Wat moet ik nu doen, Frank?"
Hlj zag haar aan, zijn hart klopte tot brekens toe; hij was opgewonden
en boos, hij wist zelf niet waarom. "Met de comedie gedaan maken.
Je gaat dadelijk met mij mee. We logeeren van nacht in een hotel, en
vertrekken morgen vroeg."
Zij snikte bijna, terwijl zij hem verwijtend aanzag en sprak:
"O, Frank! Je hebt al eens misbruik gemaakt van mijn hulpeloosheid.
Doe 't nu niet meer!"
"Maar wat moet ik doen? Je praat van dwingen, wie wordt hier gedwongen?
Ik! Je wil dat ik van avond naar mijn zuster ga en haar zeg: Je meid
is je schoonzuster. Je hebt haar geen dienst op te zeggen, je behandelt
haar als je gelijke?"
"Als je dat wilde doen, Frank, zou ik 't niet eens aannemen; ik
ben nog niet in staat om tegenover je familie als je vrouw op te treden,
ik voel het genoeg. Het zou daarbij te veel gepraat geven, je kwam in
moeilijkheden en de familie raakte er door in verlegenheid."
"Wat verlang je dan van mij? 't Eene wil je niet en het andere
ook niet. Je maakt me dol!"
"Och, Frank, word niet boos! 't Spijt me dat de zaken zoó
loopen; gister was ik nog onafhankelijk van je. Ik had mijn armen om
te werken en mijn goeden naam; en nu heb ik 't laatste verloren, schijnt
het..."
"Door mijn schuld!"
"Wat doet het er toe wiens schuld het is? Ik had je briefje niet
moeten verliezen. Ik wil niets doen wat je
[157:]
onaangenaam is, en
daarom vraag ik je: waar moet ik blijven als je zuster mij uit haar
huis zendt?"
"Bij je man!"
"Maar niet dadelijk, Frank; niet op de manier die je bedoelt. Ik
was onverstandig laatst, ik heb er lang over nagedacht, en toen begreep
ik dat ik het recht niet had je zoo te antwoorden. Maar ach! ik ben
nog zoo dom, zoo onbeholpen..."
Alweer eindigde haar stem in een snik; Frank voelde al zijn toorn, al
zijn ergernis wegsmelten, nu zij zoo nederig sprak.
"Wanneer ik je vrouw openlijk zal zijn," ging zij voort, "dan
wil ik niet dat jij, je moeder en zusters zich over mij schamen. Ik
moet nog veel leeren; breng mij dan ergens, waar ik in de gelegenheid
ben het te doen. Op een kostschoot of in een familie, waar je maar wilt.
En na een jaar bijvoorbeeld, dan is 't al wat vergeten, dat ik gediend
heb bij je zuster, dan kom je mij halen en ik zal een goed, verstandig
vrouwtje wezen. Ik beloof het je! Ik weet het, je zult mij niet meer
zoo behandelen als vroeger, wanneer ik meer ontwikkeld ben."
"Maar ik wil je niet wijzer hebben."
"Dan is 't je ook geen ernst; dan zie je in mij nog altijd je model
en anders niets."
Hij zweeg; een zware strijd ging in hem om. Als hij toegaf, dan brak
hij met zijn verleden, dan kwam Rosa Marina niet verder, en toch voor
't eerst voelde hij iets in zich dat naar een flauw besef van verantwoordelijkheid
zweemde; hij begreep dat er heel gewone plichten op hem rustten, dat
het meisje, waaraan hij zijn naam gegeven had, het recht had zoo te
spreken.
"Rose-Marie!" zeide hij na een poos zwijgens, "je overvalt
me. Ik moet er over nadenken!"
Zij zag hem bedroefd aan.
"AIs je er over nadenkt," zeide zij, "dan... dan is 't
een bewijs dat je niets geeft om je vrouw en nog altijd je model betreurt."
[158:]
"Ik kan zoo niet besluiten. Morgen of overmorgen hoor je
meer van mij!"
"Maar hoe? Overmorgen moet ik haar alles zeggen."
"Nu, goed, morgenavond! Ik kom na achten! En je opent mij de deur,
dan stop ik je een brief in de hand. Dat geknoei ergert mij vreeselijk."
Zij liepen over de Heerengracht en waren nu aan de Utrechtsche straat
gekomen.
"Ik zal hierheen gaan," sprak Marie en wilde linksaf.
"Waarom? Ik zal je brengen!"
"Neen, doe dat niet. Zij mochten ons weer eens samen zien."
"Zooals je wilt. Tot morgen! Geef mij een hand."
Zij legde haar hand in de zijne; hij hield ze vast.
"Nog iets! Was Charlotte hard tegen je?"
"O, neen, zij was heel goed, heel gemoedelijk, heel lief. Zij heeft
gelijk."
"Tot morgen dan!"
"Ja, tot morgen!"
Zij ging snel heen. Frank bleef even staan, toen volgde hij haar van
verre. Zonder links of rechts te zien ging zij snel de levendige straten
door, de Amstelbrug over, en eerst op de Nieuwe Heerengracht merkte
zij dat iemand haar volgde.
Zij versnelde haar stap, maar de andere liep nog vlugger tot hij haar
ingehaald had; eensklaps voelde zij een arm om haar middel geslagen.
"Lief poesje!"
Snel sloeg zij den arm, met de parapluie gewapend, uit en riep:
"Ga heen! Ik ben niet van je gediend."
"Kom, kom, maak je zoo kwaad niet. Tegen anderen ben je niet zoo
bits! Kijk toch wat vriendelijker, al ben ik je mooie Frank niet. Een
artist trekt wel altijd mee!"
Zij schrikte hevig, en haar aanvaller aanziende, herkende zij Emile.
"Mijnheer, dat is te brutaal! Zoo iets verwacht ik niet van u."
[159:]
"Daarom wou je niet met mij uitgaan, hè? Frank is
me voor geweest, schijnt het. Nu, ik wil hem niet onder de duiven schieten,
maar een enkel kusje hindert toch niet!"
Zij rukte zich los uit zijn omarming. Het was stil op de gracht, nergens
vertoonde zich iemand.
"Niemand zal 't weten, hoor! De preutsche Lot het minste. Je weet,
Frank is een getrouwd man, hij kan 't dus niet eerlijk met je meenen,
terwijl ik nog à prendre ben. Kom, een kusje in eer en deugd!"
Hij versperde haar den weg; zij verweerde zich met haar parapluie zooveel
zij kon.
"Wil je dat wel eens laten, lafaard!" riep een stem, en Rose-Marie
keerde zich om en herkende Frank.
"Lafaard! Wie durft dat zeggen?"
"Ik! Schaam je, een fatsoenlijke vrouw in den donker aan te vallen."
"Schaam je zelf! De pot verwijt den ketel dat hij zwart is."
"Wat weet je daarvan! Ik zal de dame naar huis brengen. "Maak
jij dat je wegkomt."
"Dan heb je er dubbel profijt van. De "dame" zal zeker
aan jou gezelschap de voorkeur geven boven het mijne, maar ik laat het
er niet bij."
"Geef mij den arm, Rose! Ik heb 't recht haar te verdedigen en
te beschermen."
"'t Recht, wie geeft je dat recht?"
Frank zag hem aan; hij bewoog reeds zijne lippen om iets te zeggen,
maar Rose-Marie kwam tusschenbeide.
"Ik dank u, mijnheer Van Haeren," zeide zij. "'t Is mooi
van u dat u de dienstbode van uw zuster verdedigt. Laat u mij gerust
gaan, er zullen van hier tot de Plantage geen brutale menschen meer
gevonden worden, die 't mij lastig maken."
Zij boog even en verwijderde zich haastig.
"Emile," sprak Frank, "je vergist je in haar."
"Zoolang ik in haar een braaf meisje zag, heb ik haar gerespecteerd,
maar ik heb gezien hoe je haar tegenkwam,
[160:]
blijkbaar ten gevolge
van een afspraak, hoe je samen opwandelde en teeder afscheid nam. Is
't wonder, dat ik haar nu durf behandelen als... als elk ander?"
"En toch herhaal ik - je vergist je. En ik zal het je vertellen
waarom, als je mij op je eerewoord belooft er niemand iets van te zeggen."
"Nu dan."
"Je belooft het me?"
"Als je het me zegt, natuurlijk."
"Zij is mijn vrouw."
"Je vrouw! Je vrouw! Was zij daarom dien avond zoo van streek?
En je herkende haar.., en je laat haar dienen..."
"'t Is nu eenmaal zoo, ik kan je niet alles zeggen, maar nu weet
je ook dat zij recht heeft op ieders eerbied en achting, en dat ik die
voor haar eisch."
"Dat verandert alles. Maar neem me niet kwalijk, 't is me een vreemde
historie. Waarom doe jelui zoo raar? Kwade vrienden ben je toch niet.
Ik weet niet wat ik liever deed, dan zelf de groote mijnheer te spelen
en mijn vrouw voor meid te laten dienen."
"Och, je weet, wij artisten!"
"Jelui bent een raar zoodje! Had ik 't eer geweten, ik had er mij
niet aan gewaagd. Maar je hebt een mooie vrouw, hoor en en bij-de-handje
ook! De fijne schaaf er wat over en je kan haar brengen waar je wil.
Je hoeft je over haar niet te schamen, volstrekt niet!"