XVI.
"Alle menschen!
wat zeg je, Riek! Met een heer!"
"Ja, Da, een effectieve heer, met een grijze overjas en een perreplu
op, en
"
"Een hooge hoed."
"Neen, geen kachelpijp, een gewone, zoo'n ronde."
"Dan was 't meneer Emile toch niet?"
"Neen, dat weet ik zeker. Zijn gezicht kon ik om zoo te zeggen
niet zien, maar van achter kon je 't genoeg merken."
"En ze liepen gearmd?"
"Wis en waarachtig! Ik zei nog tegen Trien, daar moet ik 't mijne
van hebben, zei ik. Laten we haar naloopen! Maar jawel, 't was zoo vol
bij den weg. En met had ik 't gezegd en weg waren ze."
"'t Is crimineel, zeg ik! Je kunt toch niemand meer vertrouwen."
"Mensch, tegen wien zeg je 't. Ze bennen allemaal zoo, ze deugen
geen van allen met hun Fedorahaar en fijne snoetjes! Je zegt het toch
niet aan mevrouw?"
"Ik zou nog liever! Ik zeg maar, geen koeien geen moeien."
"Of je gelijk hebt!'
Dien middag echter wist mevrouw Zandberg er alles van en nog meer zelfs
dan Rika verteld had: ze waren uit een café gekomen en ze hadden
zoo echt verliefd
[148:]
met elkaar geloopen en zij gingen later den
kant op van de Damstraat.
"Ik begrijp 't niet," zeide mevrouw, "zij was om negen
uur weer thuis."
"Let uwes maar op, mevrouw! Ik heb 't altijd wel gedacht, er steekt
wat achter. Ik heb al met zooveel kameraden gewoond, maar zoo'n vreemde
snoes als Marie heb ik nog nooit aangetroffen. Zij doet heel anders
als andere booien."
In vroegeren tijd zou mevrouw Zandberg eenvoudig geantwoord hebben:
dat komt omdat Marie haar plicht doet en niets dan haar plicht, wat
de dames-dienstboden steeds meer en meer moeite schijnt te kosten, en
wat in het oog vooral der mevrouwen zoo makkelijk en licht schijnt.
"Ik kan haar toch niet ondervragen," zeide Charlotte, "wat
zij buiten mijn huis doet, is mijn zaak niet. Zij is op tijd thuisgekomen,
dus kan ik er niets van zeggen."
't Speet zoowel mevrouw Zandberg als Daatje bijzonder, dat zij een aanknoopingspunt
misten, om beter in Marie's privaat leven door te dringen; groote nieuwsgierigheid
vervulde bijna tot op dezelfde hoogte mevrouw, meid en werkster, doch
zij zagen voor het oogenblik geen kans die te bevredigen.
Toevallig was Rose-Marie dien middag druk bezig de stoep te dweilen,
toen Frank voorbijkwam; een onweerstaanbare kracht trok hem naar de
Plantage, hij wilde weten of zij goed thuis was gekomen. Eigenlijk was
't belachelijk; wie verongelukt er nu in een tram -
maar hij had geen rust vóór hij er zich zelf van overtuigd
had.
Toen hij haar zag in haar katoenen japonnetje met opgestroopte mouwen,
neergehurkt op den grond en met haar fijne handen de blauwe steenen
opdweilende, vloog het bloed hem eensklaps naar het gelaat; schaamte,
ergernis, gekwetste trots, spijt, hij wist het zelf niet, vervulden
hem geheel.
"Rose," zeide 'hij, terwijl zij opstond en den emmer
[149:]
verzette om hem den doorgang vrij te laten, "laat het uit zijn!
kom met mij mede. Ik zal..."
Hij zweeg. Wanneer hij nu oprecht tegen zichzelf had willen zijn, zou
hij bekend hebben, dat niets hem thans weerhield dan valsche schaamte;
hij voelde zich overwonnen door dat kind, en Rosa Marina zou desnoods
onvoltooid blijven!
"Je weet mijn voorwaarde," antwoordde zij, nam den emmer op
en ging het huis in.
Frank voelde dat hij nu te strijden had; strijd was hem onbekend, nooit
was hij in de noodzakelijkheid, geweest iemands tegenstand te overwinnen;
de eerste, die hem had durven tegenstreven, was Rose-Marie geweest,
toen zij voor geen geld wilde poseeren; hij had haar getrouwd. Licht
dacht hij over het huwelijk; met dit meisje zou 't gemakkelijk zijn
de ketens daarvan te dragen. Hij behoefde niets aan zijn leven te veranderen;
hij had zijn model steeds bij de hand.
Artisten, volgens hem, stonden boven alle conventioneele wetten en beschouwingen;
zij hadden een moraal op zichzelf; met de huisbakken denkbeelden der
oude lui en der burgers had hij sinds lang gebroken.
Er bestonden andere leefregels voor kruideniers dan voor kunstenaars,
of liever kunstenaars behoefden zich aan geen voorschriften van wie
ook te storen. Hetgeen hun kunst vereischte dat was de hoogste wet,
daaraan hadden zij 't recht alles op te offeren.
En zoo had hij ook zonder eenig gewetensbezwaar beschikt over het leven
van het jonge meisje, dat hem zulk een begeerlijk model toescheen; door
haar te trouwen wist hij zeker dat zij alleen voor hem bewaard bleef,
hij en niemand anders had het recht haar af te beelden.
Bovendien hij vond het belangwekkend eens heel anders te trouwen dan
elkeen; zijn huwelijk miste al het banale aan alle andere huwelijken
eigen, er was sprake van geld, noch stand, en zelfs het allerminste
van liefde, en zoo had hij achteloos plichten op zich
[150:]
genomen
welke hij volstrekt niet van zins was ooit te vervullen.
Hij had haar immers gekocht en meende nu haar meester te zijn; zij leerde
het hem anders. Eerst droeg hij zijn teleurstelling vrij kalm, hij wilde
haar niet zoeken, hij ging op reis, teekende en schetste naar hartelust,
maar intusschen groeide het idee van zijn Rosa Marina steeds meer en
meer in hem, en toch kon hij niet met de uitvoering voortgaan uit gebrek
aan een model.
Hijzocht en zocht dagelijks, beproefde het nu eens met deze dan met
gene, altijd vergeefs, en moedeloos keerde hij naar Holland terug, vast
besloten zijn best te doen Rose-Marie te vinden.
Tot veel was Frank in staat, niet tot onoprechtheid; het schokte hem
hevig haar terug te zien als meid zijner zuster, maar haar bedriegen
- haar meer beloven dan hij geven kon, wilde hij niet.
En zij stond er op hun huwelijk als een ernstige zaak te beschouwen,
zij wilde van hem een braaf familievader maken, een bourgeois, belachelijk!
Hij zou zich de wetten laten voorschrijven door dat kind, door een meisje
dat hem geheel onverschillig was, dat hem alleen belang inboezemde door
de beweeglijkheid harer trekken, door haar mooie oogen, door haar spontaneïteit.
Als hij deed wat zij wenschte, dan zou zij juist die eigenschappen,
welke hij alleen en enkel in haar waardeerde, moeten verliezen. Pas
si bête! Graag of niet.
Rosa Marina zou voltooid worden met of zonder haar.
"Wel, Frank, als je toch van plan bent je te vervelen, zit me dan
hier niet te embeteeren," zeide Charlotte spijtig tot haar broer,
die zwijgend in het vuur zat te staren.
"Wat belief je?"
"Waarover zit je toch te soezen? Ik praat met je over alles en
nog wat, ik krijg niets dan ja of neen tot antwoord. Waar denk je dan
toch aan?"
"Waar ik aan denk? Aan Rosa Marina!"
"Je vrouw?"
"Wel neen! Mijn schilderij!"
[151:]
"Zöo, hoever is 't gevorderd?"
"'t Is nog niets verder!"
"Is 't waar, Frank, dat je Zigeunerin een portret is van je vrouw?"
"Het kan wel."
"Weet je wat ze zeggen, dat ze veel lijkt op Marie."
"Marie?"
"Ja, mijn tweede meid!"
"Zoo!"
Hij stond op, nam zijn hoed in de hand en groette zijn zuster.
"Wat eene rare pisang is toch die broer van je," zeide Zandberg,
die een oogenblik later thuiskwam en zijn zwager op het trottoir had
ontmoet, met de handen in de zakken en gebogen hoofd; "ik vroeg
hem waar hij naar toeging, waarom hij niet bij ons een borreltje bleef
drinken. "Neen, ik moet naar de Joden Breestraat, 't is Vrijdagavond,
en dan vind ik 't daar eerst recht typisch."
"Je kunt er niet wijs uit worden. Ik voor mij geloof dat hij doodelijk
is van Eugenie van Loenen. Phie vertelde mij van middag dat hij gisteravond
in ma's salon geweest is - je weet ze hadden de Van Loenens, - en dat
hij zoo vreeselijk aandachtig luisterde toen Eugenie zong en zelfs in
ééns de kamer uitging. Dat ellendige huwelijk zal hem
ontzettend drukken."
"Laat hem echtscheiding vragen. Hij is toch over alle vooroordeelen
heen!"
"Wanneer hij maar eens spreken wilde, zegt ma altijd, dan konden
wij hem misschien helpen, maar nooit, nooit komt er zóó
iets over zijn lippen."
"Mevrouw, vroeg eenige dagen later Daatje, en kwam zeer geheimzinnig
binnen, de deur achter zich toesluitende en in alle hoeken rondkijkende
of er misschien iemand zich verborgen had tusschen de portières
en gordijnen, "mag ik eens een woordje met u spreken?"
"Gerust, Da, gerust!" zeide Charlotte. Zij had weinig te doen,
haar man was bijna den heelen dag uit, en ongelukkig waren er geen kinderen
om het ledige van
[152:]
haar hart en hoofd te vullen. Op een pikant
nieuwtje was zij veel meer belust dan met haar stand en leeftijd overeenkwam.
"Wat is er toch, Da! Je maakt me nerveus, zenuwachtig, bedoel ik.
Niets kwaads, hoop ik?"
"Mevrouw moet zelf maar eens zien! Gister ontving Marie weer een
brief, zij kreeg een kop als vuur; ik zei natuurlijk niks, niemendal.
't Zijn mijn zaken niet, denk ik altijd, en nu van morgen, terwijl ik
het turfhok doe, vind ik dit briefje, en ik dacht: 't Is heel kaseweel
dat ik 't justement vinden moet, en toen dacht ik: ik breng 't maar
aan mevrouw, die moet het toch eiges weten."
"'t Is heel goed van je, Da!" sprak mevrouw met veel waardigheid,
"zeker moet ik weten wat voor volk ik in huis heb, en als 't nu
jou gold of een ander, dan zou ik het niet eens willen lezen. Ik weet
dat jelui fatsoenlijke meiden bent, maar van Marie weet ik niets."
"En wij ook niet. Ze heeft nog niet zóóveel zich
uitgelaten over d'r permentage. D'r ouders bennen dood, meer zeit ze
niet."
"Geef me het briefje, Da, en ga dan weer stilletjes naar de keuken!"
Daatje gehoorzaamde, en nadat zij weg was, een weinig teleurgesteld
dat mevrouw haar zoo wegzond, las Charlotte het briefje, dat met drukletters
was geschreven.
"Kom van avond zeven uur in de Galerijen. Ik moet je noodzakelijk
spreken. Ik wacht je stellig."
Mevrouw streek het papiertje glad en besloot na eenig wikken en wegen
af te wachten of Marie verlof zou vragen om uit te gaan, maar het werd
12 uur, 't meisje deed geregeld haar werk en vroeg niets; zij werd er
ongeduldig van.
Na de koffie ging zij uit; Marie bracht haar aan de deur, zeide beleefd
goedendag, maar vroeg niets.
Mevrouw Zandberg reed naar de Vondelstraat en vertelde haar moeder en
zusters het geval. Natuurlijk klonk het weer als gewoonlijk van de oude
mevrouw:
[153:]
"lk heb ze nooit vertrouwd, een meid zonder getuigen, je
mag haar wel goed nagaan."
"Maar als zij mij nu niet vraagt om een uitgang, wat dan?"
"Zij is zoo geslepen; als zij 't niet vraagt, dan is 't alleen
omdat zij vermoedt dat je het briefje hebt. Langer kan het toch zoo
niet blijven; je vertrouwt haar niet meer. Maak er dan een eind aan,
zeg dat je het briefje gevonden hebt en dat je nu alles weten wilt;
en verkiest zij het niet te bekennen, dan zeg je haar den dienst op."
Charlotte liet zich opwinden, en toen zij tegen vier uur
thuiskwam werd Marie binnengeroepen.
"Heb je niets verloren, Marie?" vroeg zij indrukwekkend.
"Neen, mevrouw, voor zoo ver ik weet niet," was het kalme
antwoord.
"Ook geen briefje?"
"Een briefje?"
Zij werd bleek, tastte in den zak en haalde er haar zakdoek en portemonnaie
uit, niets anders.
"'t Kan wel wezen, mevrouw!" stotterde zij.
"Hier is 't briefje," zeide mevronw met nadruk, 'je begrijpt
dat ik 't gelezen heb; ik heb 't recht te weten wat mijn bedienden doen.
Je schijnt een geheimen omgang te voeren, want onlangs ben je ook gezien
aan den arm van een heer. Kind, kind! wees toch voorzichtig! Een groote
stad is vol gevaren! Ga niet met den eerste den beste mee! Geloof me,
de mannen zijn niet te vertrouwen, al praten ze nog zoo mooi; zij hebben
geen eerlijke bedoelingen. 't Kan me voor je spijten, je bent jong,
knap, onervaren, ik hoop 't ten minste; 't zou zoo jammer zijn als het
verkeerd met je afliep, want ik ben heel tevreden over je, je bent goed
voor je werk. Maar in den laatsten tijd vind ik je veranderd, je hebt
iets aan 't hoofd. Kom, wees oprecht, zeg mij alles!"
Rose-Marie stond met neergeslagen oogen voor haar mevrouw en draaide
zenuwachtig aan haar boezelaar.
[154:]
Charlotte bewonderde zichzelf, zoo moederlijk waardig als zij
de zaak behandelde.
"Nu, Marie, je kunt mij gerust de waarheid zeggen. Het blijft onder
ons; als je een eerlijke verkeering hebt, hoef je er je niet voor te
schamen. Ik zal er blij om zijn voor je, want je staat zoo alleen op
de wereld, ik gun je graag een braven, oppassenden man, ik zou 't zoo
jammer vinden als jij je liet bedriegen door den een of anderen fat,
die je met mooie woordjes en cadeaux vleide."
Het meisje zeide nog maar niets.
"Heb ik gelijk of niet?" ging mevrouw voort.
Zij schudde het hoofd.
"Wat moet ik daaruit verstaan? Zeg 't mij oprecht. Is die man,
of die heer, met wien je laatst over den Nieuwendijk en den Dam liep,
je vrijer?"
"Neen, mevrouw!" antwoordde zij.
"Wie dan, je broer?"
"Ik heb geen broer!"
"Maar wie is 't dan? 't Is toch stellig waar, want je ontkent het
niet, en deze brief zegt het trouwens genoeg dat je rendez-vous geeft
aan een man."
Nieuw stilzwijgen. Charlotte werd ongeduldig.
"Hoor eens, Marie," sprak zij nu minder zachtzinnig, "je
staat daar als een pop; je wilt het mij niet zeggen, maar ik moet het
weten. Ik heb je genomen zonder getuigen, je vertelt mij, noch je kameraad
iets van je familie, en zoolang er niets op je aan te merken viel, had
ik er vrede mee, maar nu doe je zoo vreemd en ik sta er dus op dat je
mij alles zegt. Ik geef je drie dagen om na te denken, en als je mij
dan niet je heele levensgeschiedenis vertelt en meteen namen noemt bij
wie ik informeeren kan of je de waarheid zegt of wel liegt, dan zal
ik genoodzaakt zijn je den dienst op te zeggen."
"'t Is goed, mevrouw! Mag ik gaan?"
Mevrouw knikte, genadig van ja; Marie ging. Bij de deur keerde zij zich
even om en vroeg:
[155:]
"Mevrouw, mag ik morgen mijn avondje hebben?"
"Waarom juist morgen?"
"Omdat ik dan uit wilde gaan!"
"En van avond niet?"
"Neen, mevrouw!"
Charlotte bedacht zich even, maar zeide toen kortweg:
"'t Is mij goed!"