XVIII.
Den volgenden morgen
ging Frank op reis; hij had een slapeloozen nacht doorgeworsteld, iets
wat hem nog nooit in zijn kamer was overkomen; hij moest nadenken, hij
voelde dat hij een beslissing te nemen had, dat de omstandigheden hem
in een vast net begonnen te omstrikken.
Hij was gewoon met zijn zoogenaamde artistieke
[161:]
zorgeloosheid
zich alle zorg en moeite van den hals te schuiven; zijn eenig grondbeginsel
was: zijn kunst vóór alles, 't andere moest maar volgen
zoo goed of kwaad 't kon; nu echter zag hij duidelijk in dat zijn principe
in botsing kwam met de gehèele buitenwereld.
Nieuwe aandoeningen, nieuwe stemmen lieten zich in zijn binnenste hooren;
hij voelde dat hij niet langer, zoo als vroeger door de wereld kon dwalen
met zijn schetsboek in de hand, zijn impressies in het hoofd; nieuwe
eischen deden zich voor, streng en onverbiddelijk.
Hij verstond alles niet, zijn gedachten en gevoelens warrelden dooreen
en slechts nu en dan doken er vage vormen uit op, en voor 't eerst in
zijn leven voelde hij er behoefte aan iemand om raad te vragen, zijn
plannen te regelen naar de wijzere inzichten van een ander.
Hij was vroeg in de ontbijtkamer, dronk snel zijn kopje thee leeg en
wandelde naar het Centraalstation; daar nam hij een kaartje naar Duinwijk.
Dr. Adrichem kwam tegen 12 uur, wanneer zijn spreekuur begon, tehuis,
en was hoogst verbaasd zijn neef op zijn lievelingsplaatsje voor het
zeeraam te zien zitten met juffrouw Bol tegenover hem, die een lang
verhaal opdischte over de ellenden van den winter, over de toenemende
slechtheid der dienstmeisjes en over de eigenaardigheden van "Dokter".
"Hé, Frank!" riep oom Théo, "hoe kom jij
hier verzeild?"
"Wel, oom, ik moest u spreken."
"En waar kom je vandaan?'"
"Van Amsterdam."
"Zoo, ik meende dat je op zijn dichtst in Kamschatka zat. En hoe
gaat het je vrouw?"
"Mijn vrouw?'"
Juffrouw Bol schikte wat aan de koffietafel en spitste intusschen een
van haar groote ooren.
"Weet je wat, juffrouw," sprak de dokter, "mijn neef
komt zoo zelden en ik wil hem graag trakteeren. Maak de pastei klaar,
die je laatst zoo goed gelukt is. Daar was een kip in en ham, geloof
ik!"
[162:]
"Dat is ook wat moois! dokter bestelt maar en vraagt niet
hoeveel tijd er noodig is zoo'n pastei te maken. Een "Engelsche
pij" noemen ze dat, meneer Frank, en verbeeld u, dat zou ik voor
de koffie moet klaarmaken; het moet drie uur in den oven staan als je
belieft."
"Nu, geef dan wat ham en eieren, en geen praatjes meer."
"Als uwe mij uit de kamer hebben wil, dokter, zeg 't dan ronduit.
Ik ben niets nieuwsgierig en ik ben 't Goddank ook nooit geweest naar
anders mans zaken, als u dat maar weet, en Brechtje is van morgen weggebleven,
dat moest ik u ook nog zeggen, en zoo, houd ik 't niet langer vol. 't
Is slaven van den vroegen morgen tot den laten avond, nooit een oogenblik
rust en een zuur gezicht en allerlei bestelling en bereddering op den
koop toe. Vraag u maar aan meneer, hoe de juffrouwen in Amsterdam, bij
mijnheer zijn Ma, een ander leven hebben; ik pas er langer voor..."
"Juffrouw, is de ham-omelette klaar?"
"Nu weer omelette, dokter weet zelf niet wat hij wil."
De dokter hief zijn koele, strenge oogen naar de huishoudster op en
vervolgde haar zoolang met zijn blik totdat zij, slecht op haar gemak,
de kamer uitging en de deur met een slag achter zich toetrok.
"Oom, ik vind uw levensgezellin voor- en achteruit gegaan,"
zeide Frank glimlachend.
"Hoe zoo?"
"Vooruitgegaan in brutale welbespraaktheid, achteruit in eerbied."
"Och ja, zij wordt oud, en 't valt haar hoe langer hoe moeilijker,
haar kleine vleugeladjudanten te tiranniseeren, want zij heeft den naam
van Xantippe door 't heele dorp. Enfin, ik heb er den last en het gemak
van, niemand anders. Maar antwoord me nu op mijn vraag van daareven.
Hoe gaat het je levensgezellin, je echte, ware gezellin, je vrouw?"
"Weet u er dan niets van, oom?"
"Waarvan?"
[163:]
"Wel, dat... dat zij mij in den steek heeft gelaten."
"Jou verlaten, wel, hoe kan ik dat weten? Ik krijg tweemaal in
het jaar brieven van je moeder, in Juni met mijn verjaardag en met Nieuwjaar.
In Juni schreef zij mij dat je weer op reis was en zij, sinds je huwelijk,
niets meer van je gehoord had, en den nieuwjaarsbrief heb ik natuurlijk
nog niet. Maar wat zeg je, is zij heengegaan, en waarom?"
"Omdat zij niet langer meer verkoos als model te dienen."
"Verkoos zij dat niet? Nu valt zij mij weer mee. Vertel me nu alles,
hoor!"
"Och, oom, 't zoo'n lange historie en ik heb altijd een hekel aan
vertellen gehad, maar ik zit er geducht in en daarom kom ik u opzoeken.
U heeft mij op zoo'n eigenaardige manier gewaarschuwd vóórdat
ik dien dwazen coup deed, en nu weet ik niemand anders die mij raden
kan."
"Wel, jongen! Nu vind ik, dat je vooruitgaat; erkenning van schuld,
raadvragen, conventioneele banale dingen, maar in mijn ouderwetsch oog
het begin der wijsheid. Biecht op! Ik luister."
Frank vertelde zoo kort mogelijk alles wat er voorgevallen was tusschen
hem en Rose-Marie; hun verblijf in Den Haag, haar vlucht, zijn terugkeer
in Amsterdam, hun zonderling wederzien; haar eischen en de moeilijkheden
waarin zij nu geraakt was.
Hoe kort het verhaal ook duurde, telkens werd het onderbroken door de
schel der spreekkamer; de dokter moest nu eens een visschersjongen een
doorn uit het vleesch halen, dan weer een vrouw een kies trekken of
over de bleekzucht van een meisje zijn oordeel zeggen; Juffrouw Bol
kwam ham en eieren binnenbrengen en klaagde haar nood over de hebbelijkheid
van den dokter om zijn spreekuur te houden onder het koffiedrinken,
waardoor het tot in 't oneindige gerekt werd.
"Ieder zijn pleizier, zeg ik altijd, maar dan moet ik toch ook
zeggen, mijn dokter heeft al heel rare plei
[164:]
ziertjes. Nooit uit
dan voor zijn patiënten, nooit geen menschen, nooit geen partijtjes.
Bah! ik zou er voor danken."
Toen haar meester binnenkwam droop zij stil af; de dokter nam zijn servet
weer op, bediende zich en zag Frank vragend aan voor het vervolg van
zijn verhaal; hij knikte nu en dan goedkeurend.
"Een braaf kind, een ferme vrouw! Jongen, jongen, jij mag Onzen
lieven Heer op je beide knieën danken, dat het toeval of liever
jou malle kuren je zoo'n vrouw bezorgd hebben. Daar zit pit en karakter
in, en als je dat weet te waardeeren, dan ben jij de eenige, die van
het geval profiteert. Ik heb 't je gezegd, de ziel wreekt zich vroeg
of laat, dat heb je nu gemerkt! En wat ben je nu van plan?"
"Dat weet ik niet, oom, dat kom ik juist vragen!"
"Je laat haar uit den dienst gaan, zij moet hem opzeggen en niet
je zuster, en dan breng je haar in een flinke kostschool onder leiding
eener verstandige vrouw; je betaalt haar pension, en om dat bij elkaar
te kunnen halen, werk je dag en nacht als het moet zijn. Laat er haar
een jaar, twee jaar blijven, zoolang het noodig is, zijn dan kom je
haar presenteeren aan je moeder en je zusters. Als ze dan hooren dat
de jonge mevrouw Van Haren en Marie, de tweede meid van mevrouw Zandberg,
dezelfde persoon is geweest, dan doet het er niets meer toe. 't Staat
interessant en daarmee uit, en jij gedraagt je verder als een braaf
huisvader en laat je door je vrouwtje op de handen dragen."
"Op de handen dragen?" Frank's stem klonk bitter; "daarvoor
is 't noodig dat zij van mij houdt en dat doet ze volstrekt niet. Zij
is met mij getrouwd uit zedelijken dwang en laat het me genoeg voelen.
Zij is goed en zal dus niets doen, wat ik haar verwijten kan, maar overigens
is er niets tusschen ons gemeen."
"Des te erger! Je hebt het huwelijk geprofaneerd Frank, en daardoor
een groote fout begaan; 't is billijk dat je daarvoor de straf draagt
levenslang. En waarlijk
[165:]
je straf is zoo groot niet. 't Kind bemint
je nog niet. Je hebt trouwens nog niets gedaan om haar liefde te winnen;
tracht er nu naar en je staat voor het begin van een gelukkig leven."
"Oom, het leven is hier de quaestie niet; of ik gelukkig of ongelukkig
word, wat maakt dat uit? Als ik dood ben heeft er niemand iets aan;
maar mijn werk is voor mij de hoofdzaak. Dat overleeft mij!"
"Ik dacht dat je genezen waart en nu begin je weer! Kunst is een
mooi ding, maar het leven staat er boven; het grootste kunstwerk, dat
je moet maken, is je eigen leven, en om dat goed te kunnen voltooien
zijn er middelen genoeg. Godsdienst; philosophie, moraal, wetten, de
ondervinding van vroeger geslachten, wat je maar wilt, dat alles staat
tot je beschikking, dat moet je gebruiken om je leven te gebruiken tot
een waar kunstwerk, en dan hebben anderen na je dood er nog meer aan
dan aan een schilderij hoe mooi ook, dan aan de Nachtwacht, aan de Joconde
of wat dan ook. En heb je eenmaal aan dat werk geknoeid, gevlakt, dan
ziet het er treurig uit. Niets laat zich meer uitvegen en je heele leven
is dikwijls niet lang genoeg om goed te maken wat je in een oogenblik
van roekeloosheid, gedachteloosheid, weet ik wat, soms ellendig bedorven
hebt."
De dokter was opgestaan en ging heftig bewogen op en neer. Frank zag
hem nadenkend aan.
"Oom," vroeg hij na een; poos, "u praat bij ondervinding!"
"En als dat zoo ware? Als ik ook eens iets had misdaan en er geen
mogelijkheid meer in zie het goed te maken? Je vindt mij een echte Philister
omdat ik zoo spreek, maar bedenk dat ik sinds jaren buiten de wereld
sta. Hier tusschen deze eenvoudige menschen heb ik afgeleerd te veel
waarde te hechten aan al die ingewikkelde dingen uit den modernen tijd;
het leven is hier tusschen die stoere mannen doodeenvoudig; men leeft
om te leven en niet voor kunst en voor
[166:]
impressies, en voor literatuur
en voor pleizier, en Joost mag weten waarvoor meer, wat eigenlijk niets
anders zijn dan de tierlantijntjes van het leven. Hier leerde ik den
prijs kennen van een leven, hoeveel moeite het kost het te verdedigen
tegen ziekte, minder nog dan tegen den storm en de zee, en daarom heb
ik de banaliteit een goed besteed menschenleven te kiezen boven een
stuk doek, hoe mooi beklad ook!"
"Oom, u is geen artist, u kan er niet over oordeelen wat ik voel,
nu mijn ziel vervuld is van mijn werk; als Rose nu maar wilde, doch
zij weigert. Is dat niet het grootste bewijs voor de weinige liefde,
welke zij voor mij voelt, voor de weinige belangstelling die ik zelf
en mijn werk haar inboezemen? Is het offer dan zoo groot dat ik haar
vraag?"
"Zij wantrouwt je en je hebt het verdiend. Op zichzelf is er niets
in hetgeen je haar vroeg, dat zij niet aannemen kon. Maar wat haar tegen
de borst stuit, 't is dat je haar uitsluitend beschouwt als model en
niets meer, dat je haar gevoelens laat huichelen die zij niet bezit,
alsof zij een actrice was en niet je vrouw. Er is maar één
ding mogelijk, Frank; zet je Rosa Marina op den achtergrond, totdat
je vrouw, genoeg voorbereid om haar taak ernstig op te vatten, haar
rechtmatige plaats komt innemen in je huis."
"En in mijn hart, niet waar! Conventioneeler kan het niet, maar
ik houd het niet zoolang uit."
"Om je Rosa Marina? Kerel, ben je dan een mensch van vleesch en
bloed of een met bonte verf besmeerd palet? Meen je dat, of is het maar
aanstellerij? Hoe kan men nog kiezen tusschen een mooi, lief vrouwtje
en een paar streken verf!"
"We begrijpen mekaar nooit, oom! U voelt niet wat ik voel, wat
mijn ziel vervult, die impressies, die mooie dingen goud, zilver, lila,
rood, welke ik inwendig zie, de dorst om ze weer te geven, daarover
worden wij 't nooit ééns. Wanneer ik doe wat u van mij
vraagt, als zij een jaar op een deftige kostschool blijft, dan verliest
[167:]
zij al haar originaliteit, haar spontane expressies en ik heb
er niets meer aan."
"Als model! Frank, ik hoopte dat je bekeerd was, maar nu zie ik
in dat je verstokter bent dan ooit; laat haar dan aan haar lot over;
hoe treurig het ook moge zijn, het zal steeds eervoller zijn dan in
jou dienst."
De dokter liep naar het raam en zag naar buiten naar den thans onder
de sneeuw bedolven tuin, waarachter als een licht geelbruin vlak de
ruime zee zich ontplooide met haar witte kammen, eeuwig naderend, eeuwig
vluchtend.
Frank bleef zwijgen, in onzekerheid over hetgeen hij doen of zeggen
zou; 't was zoo zonderling: hij sprak, maar hij meende niet meer alles
wat hij zeide; het scheen haast of er twee menschen in hem waren; de
eene die niet uitsprak, wat hij wilde zeggen, de andere die dacht, wat
hij niet wilde dènken.
"Ben je nu tot iets besloten?" vroeg de dokter.
"Neen, oom, nog niet! Ik vind een pensionnaat zoo'n ellendige nivelleerings-machine,
een Procustus-bed; weet u niets anders?"
"Misschien kun je haar in een familie brengen, waar zij nog wat
omgang met de menschen aanleert. De keuze is dan moeielijker, dat is
waar! Hoe staat het met haar ontwikkeling?"
"O... ja, dat weet ik eigenlijk niet."
"Je hebt toch wel briefjes van haar?"
"Jawel, zeker, die zijn heel netjes en correct geschreven, 't viel
me zelfs op, dat ze er zoo goed uitzagen."
"Heb je er een bij je? Ik bedoel natuurlijk een waarin geen geheimen
staan. Dat zal me misschien in staat stellen den graad van haar ontwikkeling
te bepàlen."
Frank haalde uit zijn zakportefeuille drie briefjes.
"Geheimen zijn er volstrekt niet in, .zoo belangrijk was onze correspondentie
nooit. Hier heeft u de missive, waarin zij mij mijn congé gaf!"
En hij reikte zijn oom den brief over, door Rose-Marie in Den Haag achtergelaten.
[168:]
"Hm, hm! Een aardig meisjeshandje, maar met veel meer karakter
dan men er gewoonlijk in vindt." Hij las het door: "Doremael
van Asperen, heet zij zoo?"
"Ja, oom, dat heb ik later pas gemerkt. Op onze verlovingskaarten
stond Gresinger, maar dat was haar stiefvader."
"Weet je ook wat haar vader deed ?"
"Hij was zeeofficier. Ma had 't er ten minste over dat het een
chique familie was, en dat ik me eigenlijk niet over haar had te schamen
en zoo al meer."
"Dan zal 't zijn dochter wezen, Marietje, wier portret boven zijn
schrijftafel hing
Mijn God, mijn God!"
"Maar, oom, wat scheelt u ?" vroeg Frank, en zag zijn oom
aan, die 't hoofd op de hand liet vallen en diep geschokt scheen.
"Ik heb haar vader goed gekend, hij was mijn commandant."
"Zoo iets zei ma ook, meen ik, indertijd."
"Vreemd, zonderling!"
Hij stond op en ging met groote.stappen de kamer op en neer.
"Dat arme kind! Had hij dat vermoed, zijn Marietje, zijn lieveling,
zijn eenige! Frank, Frank, wat heb je toch begonnen? Maar je, wist het
niet, 't is jou schuld niet, natuurlijk, maar ik heb weer een groote
zonde van nalatigheid op mijn geweten. Dat meisje trok me zoo aan, en
nu weet ik waarom, zij lijkt op hem. Ik had alles moeten doen om haar
en haar zusje in beter omstandigheden te brengen. Maar ik heb me onttrokken,
ik heb als een lafaard gezegd: "Dan is er niets aan te doen, arm
kind!" en daaruit is alle ellende voortgekomen. Maar hoe kon ik
ook denken, dat zij zijn kind was!"
"Heeft u zoo veel van uw chef gehouden, oom?"
"Van hem gehouden? Neen, ik heb hem gehaat... maar geacht."
Een oogenblik stilte.
"En nu weet ik iets anders, Frank! Vertrouw je vrouw mij toe. Laat
haar hier komen; hier zal zij haar
[169:]
oorspronkelijkheid niet verliezen,
ik zal haar ontwikkelen zoo veel ik kan, ik zal mijn best doen om van
haar een vrouw te maken, die op één lijn kan staan met
je zusters, wat uiterlijke beschaving betreft ten minste, want overigens
staat zij nu reeds hooger. En ik zal je schrijven zoodra je haar kunt
komen halen, en dan, beloof je mij één ding, maar plechtig
als een man. Je maakt haar gelukkig, zoo gelukkig als je kunt I Neem
je mijn voorstel aan?"
"Oom," riep Frank met meer opgewektheid dan anders in zijn
aard en manieren lag, "vóór mijn huwelijk ben ik
hier gekomen om mijn bruid onder uw bescherming te brengen; u heeft
mij dat geweigerd. Nu durfde ik 't niet meer vragen, maar ik hoopte
dat u 't mij zou aanbieden. Nergens liever zou ik haar hebben, want
om u de waarheid te zeggen, ik weet niet wat in mij omgaat, maar ik
geloof dat de tijd niet ver meer af is dat ik Rose liever zal hebben
als mijn levenskameraad dan als mijn model!"
"En je Rosa Marina?"
"Die kan wachten, die heeft al zoo lang gewacht. Mag ik 't haar
zeggen, dat zij bij u een tehuis zal vinden?"
"Neen ... doe dat niet! Ik zal haar halen."
"U haar halen uit Amsterdam? U?"
"Ja, ik! Morgen zal ik gaan!"
" En wil u Charlotte zeggen in welke verhouding zij tot mij staat?"
"Neen, dat zeg ik niet. Laat de rest aan mij over."