[80:] IX.
"Judith! zou
je lust hebben naar den Haag te gaan logeeren?" vroeg Reinout een
paar maanden later
aan Judith.
"Logeeren in den Haag? Hoe kom je daaraan?" was haar wedervraag.
"Mama, vol dankbaarheid voor je goeden invloed op haar booswicht
van een zoon, vraagt me hoe een vormelijke invitatie tot logeeren door
jou en verdere familie zal worden opgenomen."
"Ik kan niet zeggen, dat ik er zeer op gesteld ben, Reinout!"
"Waarop ben je dan gesteld? Welken wensch heb je ooit? Neen, je
moet de wereld eens op een andere manier zien dan dwars door de bladen
van je boeken. Ik zal zeggen, dat ze je maar zeer dringend inviteeren
moet."
"Och, doe dat niet Reinout! Ik schrik er tegen aan; ik ken je familie
niet."
"Maar zij kennen je des te meer! Ze weten welk een savante je bent
en wat er al bij behoort."
"Dat komt zeker niet door jou."
"Waarachtig niet! Ik heb er hun niets over geschreven, maar papa
heeft hier andere correspondenten."
"Een aanbeveling is. dat zeker niet voor mij. Neen, Reinout, ik
doe het niet; ik ben hier tevreden en gelukkig. Zal ik 't nog zijn,
wanneer ik van iets anders een glimp heb gezien?"
"En dat wil ik juist. Je moet niet zoo kalm blijven op je Olympische
hoogte, al het drijven van de wereld met minachting aanziende; wanneer
je eens wat afgedaald bent, Judith, zal je volmaakt worden!"
"Helaas! Ik vrees er voor!"
"Ja, volmaakt door misschien minder volmaakt te zijn; zooals je
nu bent sta je zoo hoog boven mij, zoo hoog, dat ik niet naar je durf
opkijken."
"Dat zou men niet zeggen!"
[81:]
"t Is toch
zoo! Lach er maar niet om; ik toon het niet, maar in mijn binnenste
moest je eens kunnen zien om te weten, hoe ik je bewonder, vereer!"
"Kom, dat zijn maar praatjes!"
"Neen, 't is zoo! Werkelijk waar, maar er ontbreekt je iets, of
misschien is dat ontbreken juist je grootste bekoorlijkheid. Ik weet
het niet!"
"Heb je misschien een uitstapje gemaakt naar de een of andere hoogere
sfeer?"
"Och neen, maar toch voel ik me zoo heel anders. Misschien is het
de lentelucht, die mij naar 't hoofd stijgt. Westveld ziet er tegenwoordig
op zijn mooist uit. Van mijn kamers zelfs heeft men een prachtig gezicht.
Overal ziet men bloemen tot zelfs op de graven, en 't is toch nauwelijks
April. In Den Haag is 't nu heerlijk, Judith. Je moet er heen!"
"Ik ben er bang voor!"
"Neen, je zult vele menschen Ieeren kennen, hen spreken, hen hooren
en dan eerst zal je volmaakt zijn, als je zeggen kunt met Terentius
of een ander: Ik ben mensch en niets menschelijks is mij vreemd!"
"Zal 't mij gelukkiger maken, Reinout?"
"Wijzer zeker! Maar wat ben je toch voor een meisje, dat à
propos van eenvoudig uit logeeren gaan zulke diepzinnige beschouwingen
maakt?"
Judith glimlachte. Reinout zag haar aan en ging na een poosje voort:
"Zal je rood dragen, Judith, en niet dat eeuwige grijs, dat je
zoo geel maakt als het papier van je boeken?"
"Ach, Reinout, daar begint het al. Ik heb geen begrip van modes
en van flatteerende kleeren; ik zal daar een gek figuur maken, ik ben
er zeker van!"
"Dat zal geheel aan je zelf liggen, maar 't doet er niet toe. Ik
zal mama schrijven, dat ze je inviteert."
Zooals licht te denken is, was de spoedig daarop volgende invitatie
een groote gebeurtenis in 't leven der Hagens.
[82:]
Tante Theresia
vond het uitstekend; toen zij in den Haag ging logeeren, was ze wel
ouder geweest, maar het zou toch heel goed voor Judith zijn, meer van
de wereld te zien. Zij was te oud en te verstandig om door een kort
verblijf in een groote stad tegenzin te krijgen in 't kleinsteedsche
leven te huis.
Haar vader vond het nog meer uitstekend; de Steelands mochten van hun
kant toch wel iets doen in ruil voor alle vriendschap, die zijn zoon
bij hen genoot, en tante Johanna had natuurlijk niets in te brengen.
Judith zelve zag er zeer tegen op, maar toch stemde zij er in toe en
liet de tantes zeer gehoorzaam begaan, toen deze voor haar toilet zorgden
op echt Westveldsche wijze en bekommerde zich niet het minst over al
die toebereidselen.
Reinout was in de wolken; hij gaf haar alle mogelijke inlichtingen,
hoe zij met deze en met die handelen moest, wat zij zeker diende te
zien en de punten, waarover hij in 't bijzonder haar oordeel wenschte
te vernemen.
Zij hield zich goed en vertelde niemand hoeveel slapelooze nachten dit
haar plan kostte, hoe zij den tijd met schrik zag omkruipen en al haar
geestkracht noodig had om zich niet op het laatste oogenblik terug te
trekken en de heele reis er aan te geven.
Op den morgen van het vertrek was de geheele familie rondom de diligence
verzameld; tante Johanna scheen al haar tranen in eens te vergieten.
Tante Theresia gaf haar allerlei raadgevingen, waarvan die, welke haar
in 't oor gefluisterd werden, zeker de belangrijkste waren.
Die raadgevingen omvatten alles: haar houding op reis tegenover vreemdelingen
en medepassagiers, haar aankomst bij de familie, haar wellevendheids-formulieren,
haar gedrag tegenover - en hier begon 't fluisteren - tegenover jongelui,
misschien aanbidders...
Geen meisje pas de schoolbanken ontgroeid en haar
[83:]
eerste reisjemakend,
ontving ooit wijzer lessen dan de geleerde vijf en twintigjarige vrouw;
glimlachend luisterde zij en beloofde alles wat tante Theresia maar
wilde.
Haar vader had slechts een korten afscheidsgroet:
"Blijf niet te lang weg, want ik zal mijn middagschaakpartijtje
erg missen."
Mijnheer Dorus, die natuurlijk ook niet ontbrak, zeide op zijn gewonen
zoogenaamd grappigen toon:
"Nu, zie maar goed toe en onthoud alles nog beter, dan kun je later
Gontje's kleinkinderen vertellen van den tijd toen jij in den Haag logeerde."
Tante Theresia had het te druk om zich op zijn aardigheid te wreken.
Reinout gaf haar de tasch aan en verzocht vele groeten aan zijn familie.
"Nu, vertel maar niet te veel goeds van hem, zooals je zeker van
plan bent, om die oude lui te vleien. In Augustus druipt hij toch weer,"
was de liefelijke opmerking van mijnheer Dorus, "en nu adieu, hoor!
Ik moet naar 't hondje van de douairière Paula, dat een borstkwaal
schijnt te hebben. Als je nu niet met een vrijer te huis komt, dan krijg
je er nooit meer een!"
Weldra reed de diligence weg en de achterblijvenden keerden huiswaarts.
Nu eerst werd het allen duidelijk, hoezeer men de stille, bescheidene
Judith miste. Tante Johanna schreide zich eIken middag de oogen rood
en zuchtte zoo hard, dat men het in de keuken hooren kon, totdat zij
een terechtwijzing ontving van haar zuster, die onder 't breien telkens
naar de klok zag, maar het nooit bekennen wilde, dat zij Judith's afwezigheid
opmerkte.
Haar vader pruttelde geregeld, wanneer het tijd was voor zijn schaakpartijtje,
over dat malle uit logeeren gaan en 't scheen zelfs of mijnheer Dorus'
gewone aardigheden hem niet meer zoo vlug uit den mond vielen als gewoonlijk.
[84:]
"Ik heb er
behoefte aan met die kleine heks van een Jezabel, of hoe heet ze ook,
te bakkeleien," zeide hij dan.
"We moesten," stotterde vreesachtig tante Johanna "Al..
Gontje aan huis nemen zoolang Ju
"
"Wat is dat voor gekheid, Johanna," klonk het strenge bescheid,
"kan je nu die kleine ontbering niet dragen? Wat ben je toch gehecht
aan de aardsche zaken en dat op jouw leeftijd! 't Wordt toch eens tijd,
dat je aan je eigenlijke bestemming op aarde denkt."
En de arme zondares boog het hoofd en begon stil huilend hartstochtelijk
te breien en te denken aan haar lieve Judith, die haar nooit afsnauwde
en nooit terechtwees, niettegenstaande zij soms zoo dom en onverstandig
kon zijn.
Reinout kwam natuurlijk zoo veel niet meer bij de Hagens; hij mocht
vrij op Judith's kamer boeken halen, maar rust vond hij daar niet, trek
om te studeeren nog minder.
Sedert zij weg was, ontbrak hem ook alle ijver, hij wandelde uren lang
in 't veld, ging visschen of voor zijn plezier lezen, maar de studie
vlotte niet.
Hij was er dan trouwens zeker van, dat hij meer dan genoeg wist voor
zijn naderend examen.
"W'at heb ik me toch aan haar gewend," dacht hij "en
zij denkt er niet eens aan mij te schrijven."
Zijn moeder meldde hem dat Judith haar goed beviel; zij was een eenvoudig,
kleinsteedsch meisje, en had blijkbaar een goed hart en een vriendelijk
gezicht. Dat was alles, geen woord over haar geleerdheid.
Reinout ergerde zich en toch schreef hij geen letter om haar in een
ander daglicht te stellen.
Drie weken bleef zij weg; eindelijk op een heerlijken avond tegen het
begin van Juli kwam zij thuis.
t Heele gezelschap dat haar weggeleid had, kwam haar weer afhalen; tante
Johanna snikte van pret, tante Theresia trachtte door haar deftige houding
eenigszins den indruk te verzwakken, die haar neer
[85:]
buigende vriendelijkheid
om Judith af te halen op het publiek maken moest. De oude heer vroeg
of zij nog dacht aan terug komen. Dorus noemde haar juffrouw Ruth en
Reinout zag haar onderzoekend aan of er ook een verandering in haar
was gekomen.
Maar zij had, evenals toen zij wegging, haar bruin kleedje aan met denzelfden
strik om den hals, dezelfde broche en dezelfde oorringen; zij lachte
even kalm bij de begroeting aIs bij het afscheid, nam tante Johanna's
arm even eenvoudig als toen en toch
"Neen," dacht Reinout,
"er is toch iets nieuws in haar!"
"Heb je al een vrijer?" vroeg Dorus vrij hardop.
Reinout had den grappenmaker met een slag wel den mond willen sluiten,
zoo ongepast vond hij die aardigheid.
"Tien," antwoordde zij glimlachend.
Thuis gekomen had Judith werk genoeg om alle vragen van tante Theresia
te beantwoorden.
"Hoe zag die straat er uit? En was die gracht gedempt? En 't standbeeld
van Willem II, hoe was dat uitgevallen? En 't koninklijk paleis? Had
Judith ook den koning gezien?"
"Was prins Alexander werkelijk zoo zwak als men beweerde?"
Judith antwoordde op alles; zij bracht Reinout vele boodschappen over
van zijn ouders en zusters, toonde zelfs nog ooren te hebben voor Dorus'
grappen, maar er was iets in haar oogen, iets verstrooids, alsof zij
moeite had haar gedachten binnen de gewone grenzen te houden.
"Wat een drukte, wat een drukte!" zeide zij, de hand voor
haar oogen houdende, "dat Scheveningen is zoo vol en dan dat Bosch!"
De familie was allerliefst geweest; ze had van alles geprofiteerd, van
de wintergenoegens, die in Juni nog niet geëindigd, van de zomervermaken,
die dan juist begonnen zijn.
[86:]
Zij had de muziek
der grenadiers gehoord in 't Bosch; te Scheveningen was zij meermalen
bij muziekuitvoeringen en vuurwerk geweest; verscheidene soirées
en diné's had zij bijgewoond, zelfs een pic-nic in de Scheveningsche
boschjes.
"Ik heb de wereld van alle kanten bezien," zeide zij.
"En is ze je bevallen?" vroeg Reinout.
Zij zweeg als hoorde ze het niet.
"Je moeder is zoo goed," hernam zij.
"En hoe ziet zijn vader er uit?" wilde de oude heer weten.
"Nog zeer flink en altijd druk bezig."
"Dus je bent veel met Willem uitgeweest? Zijn engagement is er
eindelijk door, niet waar?"
"Ja, dat hebben we ook nog gevierd."
"Maar heeft niemand je nu het hof gemaakt," drong Dorus aan,
"je weet hoe men dat uit logeeren gaan ook wel eens noemt? Op staal
gaan! Is niemand op je afgekomen?"
"Niemand," antwoordde zij flinkweg.
"Nu, dan maar geen moed verloren. Een volgenden keer gaat het misschien
beter. Doe niet als tante Theresia, die is maar eens op staal geweest
en toen het het dadelijk lukte, heeft ze 't opgegeven."
"Als ik gewild had!" sprak zij trotsch.
Dorus maakte een beweging, die beteekenen moest:
"Ja, we weten er alles van."
"En heb je nog wat gehad aan je talenkennis," vroeg haar vader.
"Neen papa, ik heb niets dan Hollandsch gesproken."
"Daar heb je 't al! Wat voor nut heb je nu van al die geleerdheid?
Ben je dan met geen vreemdelingen in gezelschap geweest?"
"Toch wel!"
"Wie dan zoo al?"
"De secretaris van de spaansche ambassade, een fransche schilder
en een duitsche dokter."
[87:]
"En met geen
van allen hun taal gesproken?"
"Neen, papa!"
"Waarom niet?"
"Ze spraken mij niet aan."
"Zoo," lachte Dorus, "dat is de oude anecdote van Meidinger
met de achttien redenen, waarom de burgers van zekere stad niet ter
eere van den koning saluutschoten hadden laten vallen. De eerste reden
was, ze hadden geen kanonnen en de zeventien overige redenen schonk
Z.M. hun zeer mild! Nu verontschuldig je maar niet langer, beste Ruth!"
Reinout zag, dat het praten Judith vermoeide, hij nam dus afscheid,
hopende dat Dorus zijn voorbeeld zou volgen, maar deze zat te goed om
aan opstaan te denken.
Tante Johanna deed ook nog een vraag:
"Hoe vonden ze je nieuwe zwarte japon, Ju?"
"O tante, zwart is altijd deftig," was het ontwijkende antwoord
en toen het Judith eindelijk gelukt was zich te verwijderen, zeide tante
Theresia:
"Mij dunkt, het kind is niet zoo erg opgewonden over 't geen zij
genoten heeft; zoo is het tegenwoordig geslacht. Reeds blasé
in de luren. Hoe heel anders was het in mijn tijd!"