X.
Den volgenden morgen
zat Judith voor haar lessenaar, omringd door haar gewone boeken, maar
zij werkte niet. Haar oogen zwierven naar de heldere blauwe lucht en
de zomerzon, die aan den alledaagschen moestuin nog een vriendelijk
aanzien gaf.
't Was alles zoo precies hetzelfde als drie weken te voren. 't Scheen
of zij gisteren dat alles nog gezien had, terwijl de herinneringen,
die zich in haar hoofd verdrongen, voortkwamen uit een benauwden droom.
[88:]
Benauwend, ja,
zoo was die herinnering nu en toch, zij had niets dan genoegen gehad;
in drie weken had zij meer van de wereld gezien dan anderen in drie
maanden, waarom dan
Er werd geklopt, zij schoof werktuigelijk een boek bij en riep "binnen."
't Was Reinout, die verscheen en vergeefs een stoel zocht om er zich
op neer te zetten; de stoelen en canapé waren beladen met de
doeken, mantels en hoeden, die Judith's reiskoffer verlaten hadden.
Eindelijk vond hij een laag bankje en zette zich voor haar voeten neer.
"Zie zoo, dat is mooi!" zeide hij. "Hercules aan Omphale's
voeten. Vertel me nu eens je indrukken van de g r o o t e wereld!"
"Je vraagt me veel, Reinout! Mijzelf kan ik ze nog niet eens duidelijk
maken en dan jou er al rekenschap van geven!"
"Dat is misschien gemakkelijker. Is die wereld je mee- of tegengevallen?
Wat bevalt je meer, dit oesterbestaan of het leven der Intelligenz in
de Hofstad?"
"Twee moeilijke vragen, die ik nog niet beantwoorden kan."
"O wijsheid! Hoe lang moet je redeneeren en philosopheeren om op
die twee onnoozele vragen een antwoord te geven?"
"Een ding is me alleen duidelijk, Reinout, of die wereld mij al
dan niet bevalt, of ik haar ruilen wil tegen mijn gewoon leven dat kan
ik nog niet beslissen, maar dit weet ik alleen: Ik deug er niet voor."
"Judith! hoe kom je daaraan?"
"Ik was er misplaatst, Reinout, dat merkte ik spoedig. Ik kon geen
deel nemen aan die luchtige losse scherts, aan die vroolijke geestige
gesprekken en daarom zweeg ik liever. Nu waren er eenigen, die wisten
dat ik een geleerde heette; zij begonnen met mij over ernstige, diepzinnige
onderwerpen te spreken,
[89:]
dan zag ik de dames
spottend naar mij zien en ik stotterde, ik kon niet antwoorden."
"En je liet je van de onvoordeeligste zijde kennen; je hebt zeker
den indruk gemaakt van een stijve, domme provinciepop."
"Dat kan wel zijn," antwoordde zij gelaten, "ik heb aan
alles deelgenomen, maar ach! ik voelde mij zoo verlaten, zoo eenzaam.
Ik verlangde naar huis."
"Zoodat alles je eigenlijk kinderachtig en dom voorkwam en je de
menschen beklaagde, die in zulke beuzelarijen plezier vonden. Is dat
de slotsom geweest van je bespiegelingen?"
"Toch niet, Reinout; "ik kan me best begrijpen dat het haar
amuseert; 't is een waar genot zoo vrij en zonder dieper nadenken zich
te kunnen bezighouden, muziek te maken of te hooren, mooie toiletten
te zien, te rijden en te dansen, maar ach! 't is niet voor mij."
"En waarom dan niet?"
"Misschien ben ik er te oud voor, misschien te wijs. Wie zijn gelukkiger,
zij, die boven de oppervlakte van Gods schoone aarde het zonlicht genieten
en het landschap bewonderen, of de mijnwerkers, die door haar oppervlakte
dringen in 't diepe der aarde en zich met kunstlicht vergenoegen? Maar
ook deze moeten er zijn!"
"Heb je zulke gedachten meegebracht van je plezierreis; waarlijk,
Judith, je bent een eenig meisje!"
"Dat heb ik gemerkt," antwoordde zij, en tranen drupten aan
haar oogen. "Ik sta alleen, niemand is er zooals ik."
"Maar daarom moet je niet huilen, neen, dat mag je niet bedroeven,
lieve, goede Judith! Je moet er trotsch op zijn; al die meisjes, met
haar vroolijk dansen. en springen, hebben leege hoofdjes, te beginnen
met mijn zusters; en hoe haar harten er uit zien? Zeker niet zooals
van Judith!"
"O, 't is kinderachtig van mij, daarover bedroefd te zijn; niemand
kan 't toch begrijpen. Eenige meisjes
[90:]
zagen met een soort
van eerbied tegen mij op, andere met een zweem van minachtend medelijden;
van de heeren keken de jongeren niet naar mij om; de ouderen begonnen
altijd met iets over mijn geleerdheid te vragen. Maar een heb ik mooi
bedrogen! Ken je professor B?"
"Nogal, hij vooral heeft papa zoo tegen mij opgezet."
"Nu, die is wat doof en daardoor verstond hij de voorstelling niet.
Hij zag mij aan voor een echt meisje en we spraken over allerlei eenvoudige
dingen, of wel wij zeiden in 't geheel niets. Na het diner vroeg hij
je mama, om hem toch aan die juffrouw, die geleerde dame, van wie hij
zooveel had gehoord, voor te stellen."
"En hij had naast je gezeten..."
"Tableau!"
"Kostelijk, dat heb je flink gedaan."
"Nu mijn ander avontuur. Er was een dame, een schrijfster
"
"Ja, juffrouw Pekels. Zij heeft meer bladzijden volgeklad, dan
er oogen zijn, die haar prullen hebben gelezen. Ben je met haar in gezelschap
geweest?"
"Bij de Nooyens. Ze hadden haar gevraagd expres voor mij. Dan had
ik ook iemand om mee te praten. Men zette haar naast, mij en zij begon
een gesprek over literatuur en over philosophie, over sterrenkunde en
vergelijkende taalstudie. Ik liet haar praten, 't was mij niet mogelijk
alle dwaasheden, die zij verkondigde, te volgen."
"Maar, Judith, dat was juist een goede gelegenheid geweest om op
een geschikte wijze te toonen, wat je eigenlijk waard hent."
"Dat had niet geholpen, Reinout; juffrouw Pekels heeft haar ideeën
op elk punt en als we aan 't discussiëeren waren geraakt, wie weet,
waar we geëindigd zouden zijn, of dan niet het heele gezelschap
er zich ermee bemoeid had en denk eens aan. Ik zou hard
[91:]
op moeten praten
dat ze allemaal mij hooren konden. Ik luisterde dus alleen toe, met
oogen, die al flauwer en flauwer werden, want ik kreeg een onweerstaanbaren
slaap en zei slechts van tijd tot tijd een "och ja", en "dat
spreekt," "natuurlijk."
"Foei Judith, hoe dom!"
"Mijn succes is toch schitterend geweest. Juffrouw Pekels verklaarde
aan ieder, dat ze mij een zeer interessante, zeer ontwikkelde vrouw
vond."
"Omdat je naar haar onzin geduldig hadt geluisterd?"
"De kennismaking scheen haar te bevallen. Een paar dagen later
werd ik alleen bij haar geïnviteerd; ze woont op een bovenkamer,
die er allerverschrikkelijkst uitzag. De meubels lagen alle bedekt met
boeken en cahiers, op den grond kon men nauwelijks een plaats vinden
om er zijn voet te zetten. ZIjzelf ontving me in een bevlekte peignoir
met een cigarette in den mond en presenteerde mij een grog-cognacje."
"Mooi zoo en verder?"
"Met haar alleen was ik spoedig op mijn gemak!"
"Dank de grog?"
"Waarvoor ik bedankt had, evenals voor de cigarette. Ik sprak haar
tegen als het te pas kwam en hield mijn eigen meeningen vol
"
"Dus je hebt je daar wat beter doen gelden?"
"En 't gevolg was dat wij zeer koeltjes scheidden. Vooral mijn
ideeën over de emancipatie der vrouwen, die nimmer tot stand kan
komen, omdat de vrouw niets groots kan voortbrengen, zoolang zij de
gebreken van haar sexe niet heeft afgelegd, ergerden haar vreeselijk."
"De vrouw bederft haar eigen zaak," zeide ik, "op den
duur kan zij 't niet volhouden een mannelijke betrekking te bekleeden;
haar coquetterie," zij maakte een beweging van verbazing, "ja,"
ging ik voort, "haar coquetterie, haar kleingeestigheid, haar zucht
om alles te analyseeren, haar prikkelbaarheid, zelfs eenige
[92:]
van haar deugden,
maar vooral haar zucht naar het huwelijk staan haar in den weg!"
"Heb je dat durven zeggen?"
"Zie je, alweer een bewijs dat ik niet in de samenleving deug.
Zoodra ik begin te praten, zeg ik licht te veel. Dit laatste deed de
schrijfster dan ook opspringen."
"Naar het huwelijk? Hoe durft u dat zeggen? Wij verachten het huwelijk
als een onedel juk dat aan de vrouw opgelegd wordt. Neen, eerst als
de maatschappij man en vrouw gelijke rechten geeft, als zij niet meer
slavin maar evenknie van den man is, dan eerst kunnen wij, denkende
vrouwen, een huwelijk sluiten."
"Ik geloof dat dit een illusie is; juffrouw Pekels," zeide
ik heel bedaard, "vele meisjes trouwen tegen haar zin, alleen omdat
familie-omstandigheden er haar toe dwingen, maar ik ken er, die een
onafhankelijk bestaan hadden en toch liever 't aanzoek niet afsloegen
van een betrekkelijk armen weduwnaar met verscheidene kinderen, dan
op eervolle wijze zelf haar brood te verdienen. En zoo gaat het de meesten;
zij kunnen wat liefhebberen in de kunsten, de wetenschappen, de emancipatie,
als een man haar ten huwelijk vraagt, werpen ze graag alles over boord
om volgens u zijn mindere te worden." "En u ook, zoudt u dat
doen?" "Dat weet ik niet," hernam ik droogweg, "misschien
wel. Niemand heeft me ooit gevraagd."
"O Judith, dat was toch al te oprecht!"
"Haar houding was stijver geworden; ik viel haar blijkbaar tegen.
"'t Spijt me wel," zeide ze ten slotte, "dat we zoo in
opinie verschillen; ik heb plan een tijdschrift op te richten ter verbetering
van 't lot der vrouw. Ik had u tot mede-redactrice willen maken en daar
ik weet, dat u ook aan allerlei talen doet, mij zelf ontbreekt de tijd
daarvoor, anders zie ik er kans toe in drie maanden elke taal, welke
dan ook, vloeiend te lezen, te praten en te schrijven - zou ik u verzocht
hebben een schets te leveren over de vrouw
[93:]
in de oudheid,
maar 't is jammer, u heeft zulke vreemde ideeën!" En daarmede
eindigde onze kennismaking."
"En heb je niet gevoeld, Judith, hoe verre je haar meerdere waart?"
"In welk opzicht? Omdat ik een minder goede meening heb over mijn
zusters, omdat ik weiger ooit iets te doen voor de emancipatie van de
vrouw, overtuigd als ik ben, dat dit een verloren zaak is? Och neen,
Reinout, ik beklaag die juffrouw Pekels, evenals ik mezelve beklaag.
Een vrouw, die den gewonen weg verlaat, is te beklagen en je sprak nog
laatst van roem.
"Zoo, heb je dien leren waardeeren?"
"Ik heb beroemde mannen gesproken; hoe zij over hun roem denken,
weet ik niet, maar ik begrijp nu eerst het woord van Madame de Stael
"Pour la femme, la renommée est le deuil du bonheur!"
en wat de vrouw, wil zij tusschen de menschen leven, zich 't eerst moet
laten vergeven, dat is haar kennis. Hoe beter zij er in slaagt, hoe
gelukkiger zij zal zijn."
"Kom, Judith! Wat heeft al dat pret maken je zwartgallig gemaakt.
Zal ik je nu zeggen, wat mijn afdruk is van je indrukken?"
"Nu, laat eens hooren!"
"Niet, dat je voor het leven in de wereld niet deugt, maar dat
daar niet de omgeving is, die je past.
"En daarom kruipt de slak weer in haar huisje en vertoont zich
nooit meer in 't heldere zonnelicht."
Toen hij weg was, nam Judith haar algebraboek ter hand, maar het ging
niet; de cijfers dansten voor haar oogen, haar gedachten vlogen weg
naar die plaatsen, waar leven was en opwekking, en vroolijkheid.
"Hoe dwaas dat ik daar altijd aan terugdenk, en toch, ik heb er
mij niet geamuseerd," dacht zij, "hoe mat, hoe dof lijkt me
al die geleerdheid toe! Zal 't altijd zoo blijven? O mijn God, dan heb
ik mijn leven vergiftigd."
Op raad van Reinout, studeerde zij dien zomer wei
[94:]
nig, maar dan verveelde
zij zich en maakte zichzelve verwijtingen, dat zij haar tijd in ledigheid
doorbracht.
In Den Haag had zij dikwijls met heimwee aan haar boeken gedacht; hier
verveelden en vermoeiden zij haar.
Telkens zwierf haar oproerige geest over de letters weg naar de verte
en zij verwenschte den dag, waarop zij haar geboortestad verlaten had.
Ondertusschen werd het tijd voor Reinout zijn examen af te leggen; hij
slaagde schitterend, telegrafeerde het onmIddellijk aan zijn vriendin
en kwam stralend van geluk voor eenige dagen terug om zijn zaken te
regelen.
Zijn vader had hem hartelijk omhelsd en toegestaan een reisje langs
den Rhijn te maken; zijn broeder verklaarde dat hij dit niet van dien
wildzang had verwacht; zijn zusters vroegen of dat aan die geleerde
stijve meid, die bij hen gelogeerd had, te danken was, waarop hij ferm
en flink antwoordde:
"Ja, alleen aan haar," zonder zich te storen aan de spotlachjes
en knipoogjes, die de anderen onder elkaar wisselden.
Mevrouw van Stee land echter zond Judith een lief briefje om haar te
bedanken voor den goeden invloed, dien zij op haar jongen had 'weten
uit te oefenen, en noch in haar, noch in Reinout's tegenwoordigheid
durfden zijn zusjes en nichtjes, van Judith sprekende, haar den bijnaam
te geven, dien zij hadden uitgevonden:
"Studenten-gouvernante."
Na Reinout's vertrek voelde Judith zich nog eenzamer, en zij zette zich
vol geestkracht aan de studie; maar 't was vreemd hem met meer aan het
tafeltje te zien, de droge studie afwisselend door levendige discussie,
samen verzen te lezen en te bespreken, en dan nog altijd te strijden
tegen de herinneringen van dat Haagsche leven.
Hoe zouteloos vond zij die aardigheden van mijnheer Dorus, hoe kinderachtig
het gepraat van tante
[95:]
Johanna en zelfs
van Theresia en haar vader; hoe smachtte zij naar eenige opwekking,
eenige afwisseling, wenschen, die zij vroeger nooit had gekend.
Zelfs betrapte zij zich op de vraag, die Reinout haar 't vorige jaar
als het ware opgedrongen had:
"Moet dat altijd zoo duren, jaar in, jaar uit," en dan rilde
zij onwillekeurig en zag zich zelf oud en onbeteekenend als tante Johanna,
bazig en lastig als tante Theresia.
En zij boog het hoofd en trachtte haar hart te leeren het den lippen
na te zeggen:
"Uw wil, Heer, Uw wil! Niets dan Uw wil! We leven niet voor deze
wereld, en al is 't pad effen, eentonig, treurig geweest, wat deert
het ons als daarna een volmaakt levenwacht; 't is toch Uw weg geweest!"
En weer nam zij de boeken en trachtte zich te verdiepen, maar het ging
toch niet meer als voorheen; 't boeide haar niet. Reinout had geen goed
werk verricht; hij had de slaapster gewekt en nu kon zij nog wel insluimeren,
maar niet meer den honderdjarigen slaap vatten, eenzaam als zij zich
voelde in haar nog ingedommeld slot, dat zij toch niet verlaten kon.