VIII.
't Nieuwe jaar brak aan, koud, wit besneeuwd, maar toch helder.
[72:]
Na den middag kwam
Reinout bij de Hagens aanschellen om zijn gelukwenschen aan de familie
te brengen. Hij had met de Kerstvacantie niet naar huis willen gaan,
ofschoon zijn moeder hem uit naam van zijn vader daartoe uitgenoodigd
had, want hij vreesde zijn studiestemming te verstoren.
De meid kwam hem opendoen en gaf 't bescheid, dat mijnheer en de twee
oudere dames visites waren gaan maken; juffrouw Judith was echter in
den tuin.
"Dan zal ik haar gaan opzoeken," en hij ging de hem reeds
goed bekende, lange gang door, die naar den tuin leidde.
Er was in 't sneeuwveld, dat voor hem lag, niemand te zien; hij keek
nieuwsgierig rond en denkende, dat Judith in 't prieeltje kon zijn,
bestudeerde hij de dikke sneeuw om daarin een geschikt pad te vinden.
"Poef", daar vloog een sneeuwbal hem naar den neus. Hij greep
eerst instinctmatig naar het geraakte lichaamsdeel, toen boog hij zich
om eveneens, bij wijze van verdedigingsmaatregel, een anderen bal samen
te stellen, doch, o wee! daar kwamen ze aangeregend. Een, twee drie!
Hij richtte zich op, beide handen met sneeuw gevuld en dwars door het
bombardement, dat steeds aanhield, sprong hij naar een laag kippenhokje,
uit welke richting het vijandelijke vuur scheen te komen.
Een luid gelach verried nog duidelijker het bestaan; van een hinderlaag;
vlug en behendig was hij, tot grooten schrik der kippen over hun hok
gesprongen en stond daar tegenover de twee vijandinnen, die hem zoo
onbarmhartig beschoten hadden.
De eene was Judith, die in de sneeuw geknield lag, de andere, half achter
haar verscholen, een meisje van twaalf of dertien jaar, dat het uitkraaide
van pret en angst, want nu hij de twee schuldigen in zijn macht had,
toonde Reinout zich alles behalve genadig.
'Maar ze gaven zich niet weerloos over; de kleine was fluks weggewipt
en liet Judith alleen, die on
[73:]
dellijk wapenstilstand
sloot, de sneeuw kleeren schudde en hem lachend vroeg:
"Hoe die nieuwjaarsgroet hem bevallen was?"
"Beter dan je denkt! We zullen mekaar maar geen lange wenschen
doen, Judith.. Ik weet waarlijk niet wat voor je te hopen, je verlangt
immers niets volgens je philosophie? Maar een ding moet me van het hart.
Ik wensch, dat je er 't heele jaar zoo lief moogt uitzien als op dit
oogenblik."
"Lief uitzien! Houd je mij voor den gek? Ik en lief uitzien, dat
zijn er juist twee. Hoe kom je daaraan?"
Reinout had echter gelijk; zij had een rood kapje op het hoofd, dat,
gevoegd bIj de beweging en de koude, aan haar anders te matte tint een
levendigen gloed gaf.
"Je moest altijd rood dragen, Judith! Dat staat je goed, dat vermindert
een beetje je bas-bleu coloriet, je kantoorkleur."
"Is dat je wensch? Nu de mijne: ik hoop Reinout, dat je het volgend
jaar hier niet hij ons kippenhok zult staan, om mij van die wonderlijke
wenschen te doen, maar dat we van je een deftigen brief krijgen, onderteekend:
van Steeland, jur. stud.!"
"En dan ben je mij meteen kwijt, hé? En kan je je naar hartelust
op 't Hebreeuwsch toeleggen, waar niets van komt, zoolang ik er nog
ben. Maar wie was die bondgenoot van je; ik zie haar niet meer? Elke
vreemde vogel in Westveld baart opzien."
"Waar is ze nu? 't Is mijn nichtje Alda."
"Dat kind van dien tenor?"
"En van mijn arme, oudste zuster."
"Waarom arm?"
"Omdat zij zoo dwaas en ongelukkig is geweest."
"Ongelukkig, hoe weet je dat? Omdat zij jong gestorven is? Misschien
is dat wel een geluk, en dwaas? Ik vind integendeel, dat ze wijs heeft
gehandeld, door deze oesterput te verlaten, met een man, die haar beviel."
[74:]
"Een kunstenaar?"
"Ben je niet boven dat kinderachtige idee verheven, Judith, met
al je wijsheid? Een kunstenaar is een zondagskind der schepping, een
bevoorrechte..."
"Dien men in de verte bewonderen kan, maar met wien het zeer lastig
en moeilijk leven moet zijn."
"O, jij nuchter proza-mensch! Je zuster schijnt heel anders geweest
te zijn; die vlucht spreekt voor haar!"
"Als tante Theresia je hoorde!"
"En hoe is haar dochter, proza of poëzie?"
"Luchthartigheid is dat poëzie?"
"Te veel wijsheid is 't zeker niet."
"Nu daaraan hapert het onze Alda geheel en al. 't Is niets anders
dan vuur en leven, treurige eigenschappen die in Westveld niet te pas
komen; overmorgen moet het arme schaap weer weg. Zoo wil 't de hooge
raad!"
"En gaat ze dan weer naar school?"
"Daar is ze heel gaarne. Die Madame verwent haar, maar dat weet
tante Theresia gelukkig niet."
"Bekommert haar vader zich niet om haar?"
"Zoo goed als niet; hij moet in Amerika zijn en daar veel succes
hebben. Een of tweemaal in 't jaar schrijft hij haar een overdreven
hartelijken brief en zendt een prachtig cadeau, waaraan het kind volstrekt
niets heeft."
"Heeft ze nog herinneringen aan het tooneelleven?"
"O ja, zij is een geboren actrice; tegenover papa en de tantes
laat zij zich nooit iets ontvallen. Tegen mij echter opent ze gaarne
haar hartje, maar de voornaamste herinnering, die ze heeft meegebracht
is haar voordracht en vooral haar stem, die hoe zwak nog, veel belooft."
"Dan zal de vader ook wel eens terug komen om zijn eigendom op
te eischen, en je zult goed op haar moeten passen, o wee, tante Johanna's
huishoudelijke plannen of jouw geleerdheid!"
Judith lachte.
"Huishouden en geleerdheid! Kom daar eens bij
[75:]
Alda mee aan. Twee
dingen, waarvoor ze in stuipen valt. Waar blijft ze toch?"
Als antwoord op deze vraag vlogen twee ballen tegen Judith's kapje aan
en bestrooiden haar geheel met sneeuwvlokken.
"Die bengel, ik zal 't haar afleeren zoo brutaal te zijn tegen
haar tante," riep Reinout.
En hij snelde door de dikke sneeuw naar een denneboompje, waarachter
het kind zich verscholen had en nu begon de strafoefening; Alda werd
letterlijk onder de sneeuw bedolven, totdat haar tante naderde, die
in plaats van haar ridder bij te staan, het slachtoffer ter hulp schoot
en haar hielp Reinout onder een regen van sneeuwballen, op de vlucht
te jagen. Zulk hartelijk gelach had in Jaren niet in den stillen tuin
weerklonken.
Het gevecht was in vollen gang, toen plotseling tante Theresia statig
in bont gewikkeld aan den ingang van den tuin verscheen.
"Wat is hier toch te doen?" vroeg zij streng. "Judith
ook aan het spelen met mijnheer van Steeland? Je begint het jaar op
stichtelijke manier!"
Reinout was een sneeuw al sneeuw, zijn haar hing gepoederd en verward
om zijn hoofd; de hoed lag al sinds lang ergens bedolven en zijn eerste
werk was, zoodra hij de tante ontwaarde, zich een weinig uit te schudden.
"O foei, wat lijkt hij op een poes, die een bad heeft genomen,"
juichte Alda, veel te opgewonden om alleen door het gezicht der ernstige
oudtante te bedaren.
"Daar heb je je hoed, Reinout," sprak Judith. "Ga maar
in de keuken om je af te borstelen! Zoo word je nooit schoon; hier Alda!
laat mij je wat toiletteeren! Kinderen, kinderen! wat hebben jullie
toch op het geweten!"
"Kom maar dadelijk binnen! Er is visite!" en even indrukwekkend
als ze gekomen was, verwijderde tante Theresia zich weer.
[76:]
"Zie zoo!
de draak is weg. Nu kunnen we ademhalen !" zei Alda, "mijnheer...
ik weet niet, hoe u heet, zullen we weer beginnen?"
"Dat zal je wel laten, stoute meid!" knorde Judith, "hoe
durf je tante Theresia een draak noemen. Men moet eerbeid hebben voor
den ouderdom!"
"Ondertusschen heb je mij zoo leelijk toegetakeld, jongejuffrouw
Alda, dat ik niet naar binnen durf gaan."
"Och, waarom, Reinout doe 't maar! 't Zou je anders kwalijk genomen
worden."
"En de visite dan?"
"Die bestaat alleen uit Dorus Bruisman, dit is zijn officieele
jaarlijksche bezoek !"
"En ik, die een vol half uur heb besteed aan mijn toilet! Je hadt
me eens moeten zien, toen ik in den tuin kwam, tiré à
quatre épingles, en nu!"
Alda schaterde het uit; haar handen jeukten om weer sneeuwballen op
te nemen, maar Judith belette het haar.
"Neen, neen, 't is wel geweest! Kom naar binnen!"
Zij nam haar kapje van 't hoofd en deed het Alda uit voorzorg op; haar
bij de hand nemend ging ze naar huis terug.
Maar de kleine was niet voldaan.
"Ik moet het je nog betaald zetten! Je hebt niet genoeg gehad,"
riep zij tegen Reinout, die juist op 't oogenblik, dat de beide meisjes
door de tuindeur gingen, met een goed gemikten worp Alda in den nek
trof. Nu was 't kind niet meer te houden, zij rukte zich los en Judith
riep wanhopig:
"Foei, Reinout, wat een jongensstreek; in plaats dat je me nu helpt,
maak je het mij nog moeilijker!"
Met beide handjes vol sneeuw liep Alda naar hem toe; snel nam hij echter
't meisje op en droeg haar naar binnen, zonder er zich om te bekommeren
dat zij hem met haar sneeuw in 't gezicht wreef.
"Nu, juffertje," zeide hij, in de gang gekomen, en haar neerzettend,
"je hebt me daar zooeven met
[77:]
een poes vergeleken,
maar als een van ons tweeën tot het kattengeslacht behoort, dan
ben ik 't niet. Wat heb je me gekrabt!"
"Ja, 't is een ondeugend ding," zei tante Judith, haar afborstelende,
"geen wonder, dat men ze hier zoo gauw moe is."
"Maar ik wil er ook niet langer zijn. 't Is hier een doofpot, en
als ik groot ben, loop ik weg!"
"Een familiekwaal," lachte Reinout, "of je gelijk hebt."
"Reinout, Reinout! Je leert dat kind mooie dingen."
"Alleen tot straf moet men hier wezen, en daarvoor is 't er goed,"
hernam het enfant terrible met een zijdelingschen blik op Reinout.
"Hoe kom je daaraan?" vroeg haar tante.
"Ik weet het toch wel," ging ze voort, "die groote mijnheer
met zijn kleinen knevel, waaraan hij altijd trekt en die toch niet wil
opkomen, is hier voor straf, hij is stout geweest."
Reinout werd rood van verlegenheid en ergernis.
"Foei, welke zotte praatjes, wie heeft je dat gezegd?"
Zij hief zich op naar Judith's oor en fluisterde zoo hard, dat Reinout
het hooren kon:
"Meneer Dorus!"
"Dat spreekt! Wie anders?"
"'t Is niet waar, hoor je, en ga dadelijk naar mijnheer Reinout
toe en vraag hem excuus, omdat je zoo brutaal bent geweest."
"Dat doe ik niet, eerst hem een paar ballen toegooien, dan zijn
we quitte."
"Houd je excuus ook maar voor je! Ik ben er niets op gesteld; de
borstel als 't je belieft, Judith. Wat die Dorus toch tegen mij hebben
mag?"
"Hij was zeker verlegen om een aardigheid. Kom nu maar, Alda; de
tantes wachten!"
En zij gaf nog een laatste streek aan de weerspannige, grillige lokken
van 't kind.
[78:]
Alda was niet groot
voor haar jaren; ze scheen zeer fijn, bijna doorzichtig, en van haar
klein gezichtje merkte men haast niets anders op dan haar groote zeegroene
of blauwe oogen, terwijl ieders aandacht onweerstaanbaar getrokken werd
door haar donkerrood, dik glanzend haar, van een warme koperkleur, zooals
men slechts zelden meer ziet.
Dit haar was echter juist een gruwel in tante Theresia's oogen.
"Wij hebben nooit rooden in onze familie gehad," zeide ze
dikwijls, "en nu dit kind! Dat komt alleen van dien kunstenmaker,
dien komediant."
Alda kon zich met haar aangeboren tooneelspelerstalent zoo goed houden
als haar mogelijk was in tante Theresia's tegenwoordigheid, maar genade
vond zij bij de strenge matrone niet.
"Men kan dat kind niet vertrouwen. Zij is valsch," verzekerde
zij, "dat haar verraadt het karakter."
Judith streed dit oordeel tegen, maar te vergeefs.
Met hooge kleuren op de wangen traden beide meisjes in de sterk verwarmde
kamer, waar een bowl met advocaat op tafel stond, en de visite zich
alleen tot mijnheer Dorus bepaalde.
"Wel, roodkopje, hoe gaat het?" vroeg Bruisman, "heb
je mij niets toe te wenschen?"
Alda zag hem zwijgend en onheilspellend strak in de oogen.
"Zeg je mijnheer niets, Gontje?" vroeg tante Theresia, "'t
kind is geheel versuft van dat ravotten. Dat je niet wijzer bent, Judith;
die van Steeland is ook een kwajongen. Hij deed beter te studeeren en
dit spel aan de straatjeugd over te laten."
"Kom, Gontje, wensch mijnheer een gelukkig nieuwjaar!"
't Kind zeide nog niets.
"Nu, dan zal ik maar beginnen. Gon, ik hoop dat je het volgend
jaar minder op een brandenden zwavelstok zult lijken dan nu!"
[79:]
De groene oogen
schoten vonken van boosheid, maar overigens bleef zij bedaard.
"En ik hoop, mijnheer Dorus," antwoordde zij heel kalm, "dat
u dit jaar nieuw haar zal noodig hebben, want dan kan u zelf 't haar
nemen, dat u het liefste heeft. Ik moet maar dragen, wat Onze Lieve
Heer mij gaf, maar u kan bij den kapper kiezen, zoolang u wil."
Mijnheer Dorus trok een pijnlijk gezicht in plaats van den lach, dien
hij klaar had; die pruik was een kwetsbare plek in zijn gemoed en niemand
zijner kennissen maakte er ooit toespelingen op. Niemand sprak ooit
in zijne tegenwoordigheid van zulk een voorwerp.
Reinout kwam juist bijtijds binnen om het scherpe antwoord van het kind
te hooren en had moeite zijn lachen te verbergen, terwijl hij zijn nieuwjaarswenschen
aan 't gezelschap kwam brengen.
Zoodra de opschudding door zijn binnentreden veroorzaakt een beetje
geweken was, wendde Theresia zich tot Judith.
"Moet die stoute meid niet naar haar kamer om daar alleen te eten,
Judith?" vroeg zij.
"Waarom noemt hij mij ook een brandende zwavelstok?" vroeg
Alda.
"Kleine meisjes mogen het hoogste woord niet hebben en als groote
heeren haar plagen mogen ze hen niet antwoorden."
"Alda zal 't niet meer doen!" verschoonde Judith.
"Kom maar hier bij de piano zitten en drink je glaasje uit."
Gedurende al den tijd, dat de visite duurde, hoorde men haar stemmetje
niet en zoodra Judith met Reinout alleen een woordje wisselen kon, vroeg
zij hem:
"Wat is ze nu, proza of poëzie?"
"Satire," antwoordde hij, "van het scherpste soort. Zalig
zij, die niet met haar opvoeding belast zijn!"
"Ja, ik vrees er ook voor, dat het een zware verantwoordelijkheid
beteekent."