VIII.
"Goddank, dat
het gedaan is!"
Met deze woorden nam Renzoni naast zijn dochter plaats in het rijtuig,
dat hen na afloop van de Faust weer huiswaarts voerde.
"Is u onwel, vader?" vroeg Alda teeder.
"Die benauwdheid greep me in het laatste bedrijf weer duchtig aan."
"Maar u heeft mooier dan ooit gezongen, vader! En wat een geestdrift,
het applaudissement was frénétiek; ik zag het publiek
nog zelden zóó dol opgewonden!"
"Ja, dat dacht me ook! 't Zijn mooie oogenblikken van triomf, die
we beleefd hebben, Nini! Wat een gevoel, niet waar, als men van alle
kanten toejuichingen ontvangt, donderend als een zwaar onweer! Heb ik
het overdreven, welk genot dat geeft?"
"Neen, vader, zeker niet."
[244:]
"Kindlief!
maak het raampje open, ik snak naar lucht! Ja, 't heeft een schitterende
lichtzijde, dat artistenleven, maar te denken, dat na onzen dood niets
meer van onze kunst overblijft, niets dan een vage herinnering, dat
is zeer bitter, vind je niet!"
"Och, vader, het is me geheel onverschillig, wat ze over mij zeggen
of denken zullen als ik er niet meer ben!"
"Zoo zijn de vrouwen, de roem voor het nageslacht te leven laat
haar koud; de toejuichingen der levenden alleen zoeken zij, maar met
ons, mannen, is het anders. Waar is mijn leven heengesneld? Helaas!
Ik heb het in tonen laten wegvloeien. Foei, wat schudt het rijtuig;
zijn we er haast, Nini?"
Bezorgd zag Alda haar vader aan; het licht der lantaarn, dat op zijn
gelaat viel, deed hem nog bleeker schijnen dan hij inderdaad was.
"Is u erg vermoeid, vader?" vroeg zij.
"Ja, kind, erg! De ouderdom en zijn gebreken naderen voor mij;
wat deerde het mij eenige jaren geleden, of ik den Faust had gezongen?
Dadelijk na afloop zou ik weer begonnen zijn! Goddank, we zijn er!"'
Thuis gekomen, roerde hij niets aan van het souper, dat hun wachtte,
maar ging naar zijn kamer; op Alda's vraag, of hij geen dokter wenschte
te spreken, antwoordde hij ontkennend.
Bezorgd legde zij zich ter ruste en hoorde hoe haar vader, wiens kamer
juist boven de hare was, heen en weder liep, hijgend naar adem.
Zoolang als zij zijn onregelmatige stappen hoorde, sloot de slaap ook
haar oogen niet; eerst tegen den morgen viel zij in een sluimering,
waaruit zij vrij laat ontwaakte.
Zij kleedde zich snel aan in een ochtendjapon en begaf zich naar de
eetzaal, waar een oogenblik later ook Renzoni binnentrad; hij zag er
slecht uit en klaagde over den rusteloozen nacht. Zij stond er op, dat
hij een van de voornaamste doktoren over zijn toe
[245:]
stand zou raadplegen
en terwijl ze aldus voor de ontbijttafel zaten, bracht een bediende
een pakket brieven voor vader en dochter binnen.
Alda las de hare en Renzoni de zijne; een hevige slag deed haar eensklaps
opschrikken; hij was met het hoofd achterover tegen de leuning van zijn
stoel gevallen; de eene hand, die den brief nog omvatte, was van de
tafel gegleden, de andere hield krampachtig een der armen van zijn fauteuil
vast.
't Was een ontzettend gezicht; de oogen puilden hem uit het hoofd, zijn
gelaatskleur was bijna blauw en uit zijn half geopenden mond ontsnapte
een akelig rochelen.
Alda belde, Alda gilde, Alda wierp zich op het verstijfde lichaam haars
vaders, goot hem water tusschen de bloedlooze lippen en beval den binnenstormenden
bediende, den dokter te halen.
Helaas! toen deze kwam kon hij de radelooze dochter niets anders geven
dan de verklaring, dat haar vader, hoewel nog niet overleden, slechts
weinige oogenblikken te leven had.
Wat de kunst vermocht, werd beproefd, doch met het treurige gevolg,
dat eenige uren later Renzoni's leven voorgoed geëindigd was en
zijn dochter alleen achterbleef.
De doktoren beraadslaagden onder elkander over zijn plotselingen dood;
allen spraken van een hartkwaal, de gewone oorzaak van elk onverwacht
sterfgeval, maar iets moest toch dezen aanval hebben veroorzaakt: een
hevige schok, een treurige tijding, onvoorbereid ontvangen. Men zag
den brief in, dien hij nog met zijn verstijfde vingeren omklemd hield,
en de inhoud verklaarde alles.
Renzoni's zaakwaarnemer in Parijs schreef hem, dat de bank, waaraan
hij zijn kapitaal had toevertrouwd, was gesprongen.
In een oogwenk was dus het geheele schitterende luchtkasteel, dat Renzoni
zich gebouwd had, in den
[246:]
vorm eener villa
aan het Como-meer, ineengestort. Het werk van zoovele jaren was vergeefs
geweest; de rust, waarnaar hij haakte, scheen voorgoed achteruit geschoven;
ook Alda's geld was grootendeels in dezelfde bank gestoken. Geen wonder,
dat die schrik aan zijn geschokt gestel den genadeslag toebracht.
Alda's smart was onbeschrijfelijk; met haar vader ontzonk haar de laatste
steun; hij was, niettegenstaande zijn lichtzinnigheid, een liefhebbend
vader voor haar geweest. Zijn hoofdtaak was, haar geen tijd te geven
haar stap te betreuren, en daarom overlaadde hij haar met bewijzen van
zijn teederheid en zorgde er voor, dat zij overal in de eerste plaats
bewonderd en gehuldigd werd.
Ook voor de wereld, ook voor haar familie was Renzoni's tegenwoordigheid
haar een veilig schild, en nu was haar dit ontvallen; eenige dagen te
voren had zij nog niet willen denken aan hetgeen haar te doen stond
na zijn dood, en nu reeds moest zij beslissen.
Maar elk besluit deed haar van afkeer rillen. Zij wist nog niets van
de tweede ramp, die haar getroffen had; de geneesheeren schreven haar
rust voor, alsof er rust mogelijk was voor haar rustelooze gedachten.
Aan belangstelling ontbrak het haar niet. Renzoni's begrafenis gaf die
van een vorst in pracht niets toe; schitterende redevoeringen werden
gehouden; de lijkbaar verdween onder een gewicht van kransen en kronen;
de voornaamste vreemdelingen, in Nice verblijvend, volgden den stoet.
Ieder herinnerde zich nog zijn zwanenzang in de Faust, maar dit alles
troostte Alda niet; ernstige gedachten, haar anders zoo vreemd, hielden
haar bezig in de eenzaamheid.
Arme vader! dat had hij toch niet verdiend, zoo plotseling te sterven,
zoo onverwacht weggerukt te worden, letterlijk voor haar oogen, in die
onbekende eeuwigheid, van waar niemand ooit weergekeerd was.
Zou hij nu de rust genieten, waarnaar hij zoo had
[247:]
verlangd? Of wel,
zou het hem nu gevraagd worden, wat hij gedaan had met het leven, hem
toevertrouwd?
Hij had het in tonen laten wegvloeien, dit waren bijna zijn laatste
woorden geweest en zij had haar plichten verlaten, om hetzelfde te doen.
Ook haar gezondheid was zwak, haar moeder was aan de tering, haar vader
aan een hartkwaal gestorven; beide ziekten zijn overerfelijk, aan een
van tweeën leed zij wellicht reeds.
Wie weet, hoe spoedig het ook haar beurt zou worden? Zij voelde zich
bitter eenzaam en verlaten. Was tante Judith maar bij haar, of zelfs
tante Johanna; die vermoedden niet, dat zij hier alleen weende en jammerde
aan de kust der Middellandsche Zee, terwijl zij in het Noorden nog zooveel
bezat, een echtgenoot en kinderen, behalve de moederlijke tantes. .
"Zal ik opstaan, den verloren zoon navolgen en in het vaderhuis
terugkeeren?" vroeg zij zich telkens af, "maar hij veracht
mij,' hij heeft gezworen, dat zijn huis eeuwig voor mij gesloten blijft
en hij zal woord houden! Ik ken hem!"
Voorzichtig werd haar 't verlies van haar vermogen bericht.
"Was dat dus de onmiddellijke oorzaak van vaders dood," snikte
zij, "arme, arme vader! Had ik dien brief ontvangen, u zou van
uw verlies niets bespeurd, hebben; ik had voor u gezongen, terwijl u
eindelijk uw rust kon nemen. Als ik nu terugkeer, zal Reinout zeggen
dat armoede en gebrek mij naar huis drijven, alsof men ooit arm is met
een stem gelijk de mijne!"
Behalve de kostbare parel, die in haar keel verborgen was, bezat Alda
nog genoeg om goed te leven; zij liet dit alles echter aan haar vaders
secretaris over en bekommerde er zich weinig om.
Eenige weken na Renzoni's dood zat zij alleen en in rouwgewaad op het.
terras, haar lievelingsplekje, toen zij eensklaps voetstappen in haar
nabijheid hoorde.
Verrast zag zij rond, maar vóórdat zij nog een beweging
[248:]
had kunnen maken,
stond een heer vlak voor haar.
"Prins Tchersky!" riep zij verschrikt uit. "Hoe, u hier?"
"Signora, ge hebt mijn kaartjes ontvangen en herhaaldelijk mijn
bezoek afgewezen; toch moest ik u spreken en nam daarom mijn toevlucht
tot list!"
"Vergun mij dan uw optreden hoogst indringend te noemen."
"Dat deed ik reeds vóór u en verzoek meteen uw vergiffenis!
Ik moest u iets vragen! Herinnert u zich nog den brief, dien ik u in
St. Petersburg schreef?"
"Mijn vader bracht u immers mijn antwoord over!"
"Doch dit voldeed me niet; kort daarop zijt ge naar Nice vertrokken;
mijn betrekking aan 't hof hield mij in Rusland gevangen, en ik kon
u niet eerder volgen."
Ik schreef brieven op brieven, maar ontving geen antwoord. Eindelijk
kwam ik hier, vroeg een gehoor en het werd mij geweigerd. Mag ik de
reden weten van deze, laat me niets scherpers zeggen, vreemde handelwijze?"
"'t Had u weinig gebaat, prins, of ik u al dan niet antwoordde;
wat mijn arme vader in St. Petersburg tot u zeide, dat is en blijft
nog waar."
"Hij zeide mij, dat er een onoverkomelijke reden bestond; waarom
u mijn echtgenoote niet kon worden."
"En dat herhaal ik u thans weder."
"Maar heb ik 't recht dan niet te weten, waaruit die onoverkomelijke
hinderpaal bestaat; mag ik er niet over oordeelen? Bedenk, het geluk
van mijn leven staat op het spel." Alda zag hem in het ernstige,
bleeke gelaat; hoe kalm en bedaard hij ook sprak, zij voelde dat die
kalmte slechts schijnbaar was, dat hij bovenmenschelijke pogingen deed
om tegenover haar dien koelen toon te bewaren.
"Het leven biedt zooveel kansen voor geluk of ongeluk aan,"
hernam zij, het gelaat afgewend naar een prachtige, donkerblauwe hyacinth,
die naast haar bloeide.
[249:]
"Voor mij
niet meer! U weet, welk een lichtzinnige verkwister ik was, hoe St.
Petersburg vol was over mijn dolle streken, vóór dat ik
u kende; u heeft mij liefde, en wat meer is, achting weten in te boezemen
en ik werd 'een ander mensch. 't Stond bij mij vast, dat u de mijne
zoudt worden en daarom heb ik u mijn hand en mIjn titel aangeboden.
Is u dat niet genoeg?"
"Ik mag het niet aannemen."
"En waarom niet? Dit ten minste zult ge mij zeggen; ik heb er het
recht op, ik, die aan uw voeten mijn stand, mijn naam, mijn rijkdommen
leg. Wat belet u mij te trouwen? Uw liefde hoop ik te winnen, zoodra
ge er in toestemt mij naar het altaar te volgen."
"Welnu dan ik ben getrouwd."
"Dat heb ik hooren fluisteren, maar ik weigerde er aan te gelooven,
men vertelde nog meer
"
"Alles wat men vertelt is waar! Ik ben getrouwd, ik bezit twee
engelachtige kinderen; mijn man aanbad mij, elk mijner wenschen was
hem een bevel en ik heb hem verlaten, om roem en goud na te jagen op
het tooneel. Ziet u wel, prins, hoe onwaardig de vrouw is, voor wie
u zegt achting te voelen - die invloed heeft uitgeoefend op uw leven
en daden; zij verdient uw liefde niet, geloof mij!"
Hij zag haar een oogenblik zwijgend aan.
"En is uw huwelijk niet ontbonden?" vroeg hij met bevende
stem.
"Slechts de dood kan het ontbinden."
"Geef me slechts een straal van hoop, Alda, en ik zweer u, ik zal
niet rusten vóór ge vrij zult zijn."
"Laat dat, prins, ik kan en wil niet vrij worden en nu u de volle
waarheid weet, verzoek ik u mij voor liet laatst te toonen, dat ik nog
uw achting bezit. Met mijn vader heb ik mijn eenigen beschermer verloren;
het past mij nu in het geheel niet meer bezoeken te ontvangen en daarom,
uit naam van uw vriendschap, verlaat me thans!"
"Alda! Ik heb u zoo innig lief, 't was mijn zoetste
[250:]
droom u eens naar
mijn moeder te kunnen voeren als mijn geliefde vrouw; zie, ik kan u
alles geven wat gij verlangt, aanzien, glans, liefde! O zeg me toch,
kan die band niet verbroken worden? Hij is 't toch reeds gedeeltelijk;
uw liefde voor de kunst is sterker geweest dan familiebanden; ge hebt
er u aan ontrukt en nu
"
"Verspil uw woorden niet, prins, en keer naar Rusland terug; al
zou ik ook vrij worden, dan nog zou ik weigeren u of wien dan ook te
trouwen, want ik zal nooit een anderen man zoo kunnen beminnen als mijn
echtgenoot, en toch ben ik hem ontvlucht."
En met een vluchtige buiging ging zij langs hem heen, verdween in de
villa en toen in haar kamer, waarvan zij de deur achter zich sloot.
Hier zonk zij voor haar divan op de knieën en een medaillon uit
haar kleederen te voorschijn halende, staarde zij met betraande oogen
op de portretten van Reinout en haar kinderen.
"O, mijn God," kreunde zij, "wat heb ik gedaan met hen
te verlaten; t'huis was tenminste waarheid en al 't andere is, zooals
mijn moeder schreef, niets dan klatergoud. Dat alleen geeft vrede en
geluk. Een huiselijke haard is alweder het hoogste wat men de actrice
kan aanbieden. Reinout, Reinout, als je wist, hoe ik je liefheb, nu
ik je verloren heb voor altijd, je zoudt mij vergeven! Wat draal ik
hier langer, daar alleen is de redding!"
En opstaande gaf zij haar kamenier bevelen om alles in orde te brengen
voor een groote reis, die zij den volgenden morgen dacht te ondernemen.