VII.
In een elegant gemeubelde
tuin zaal van een villa te Nice zat Renzoni, de tenor, op een gemakkelijke
sofa, omhuld door de rookwolken van zijn cigarette, de oogen gevestigd
op zijn dochter, die aan het andere einde van het vertrek voor de piano
zat, bezig een muziekmanuscript langzaam op de toetsen te ontcijferen.
Alda was bleeker dan eenige jaren te voren; zooals te denken was, had
de glans harer schoonheid den toets der jaren niet kunnen doorstaan.
De verblindende kleur van haar tint was dof en mat geworden, en deed
niet langer denken aan ongerepte sneeuw door een zachten rozengloed
beschenen. BIanketsel had hét werk der jaren voltooid en zoo
haar grootste bekoorlijkheid weggenomen, maar toch gold ze steeds nog
voor een mooie vrouwen als zij in haar uitgezochte, kostbare toiletten
voor het voetlicht verscheen, was haar aristocratische verschijning
alleen reeds voldoende om de zaal in luide toejuichingen te doen losbarsten.
Er lag over haar gelaat en geheele houding iets onweerstaanbaar aantrekkelijks;
een soort van
[235:]
vermoeidheid, iets
smachtends, dat nu zelfs merkbaar was, nu zij op 't tabouret zittend,
met de eene hand in de rijke lokken verborgen, haar hoofd ondersteunende,
en met de andere een zachte melodie speelde.
"Bevalt je dat stuk, Nini?" vroeg haar vader.
"Bijzonder, dit air heeft iets innig melodieus."
En zij zong met gedempte stem eenige noten.
"Hm, hm! 't gaat nog al! Niet veel karakter, réminescences
van Verdi, Rossini, Bellini zelfs, maar overigens heel aardig. 't Kan
wel bevallen; ik hoop, dat het je niet berouwen zal; kind, Morin de
belofte te hebben geschonken, zijn stuk te doen opvoeren. Van Je optreden
hangt dan ook het staan of vallen af."
"Och, Morin's toekomst is er mee gemoeid; zijn arme jonge vrouwen
zijn kinderen kwijnen weg van gebrek.."
"Geen reden voor je, om het er op te wagen gesiffleerd te worden."
"Uitgefloten," en zij richtte zich uit haar achtelooze houding
op, "dat zou ik wel eens willen zien, wie dat durfde."
"Spreek zoo boud niet, meisje, ik herinner me eens te Frankfort.."
"O ja, toen u nog Jager heette en de Duitsche opera's zong!"
"'t Is toch een goede les voor me geweest en 't heeft mij geleerd,
dat men niet te veel op zijn natuurlijke gaven moet rekenen; daarna
heb ik me ijverig aan't studeeren gezet, en ben daardoor Renzoni geworden."
"Maar ik ben reeds la Renzoni."
"Je triomf is te gemakkelijk geweest; de moeielijke dagen kunnen
nog komen, Nini, vergeet dat niet! Met de jaren wordt geen stem, zelfs
de mooiste, frisscher, dan eischt de kunst:
"De réparer des ans l'irréparable outrage."
"Dat is altijd mijn streven geweest, en zoo is 't
[236:]
mij lang gelukt
mijn standpunt te bewaren; helaas!" voegde hij er op diep droefgeestigen
toon bij, "ik vrees dat het niet lang meer zal duren."
Maar Alda lette op zijn verzuchting niet; opstaande ging zij tot dicht.
voor hem staan en vroeg met angstige bezorgdheid:
"Is er dan iets in mijn stem, iets, dat van de beleedigingen der
jaren spreekt, dat studie noodzakelijk maakt?"
"Ik heb je van den eersten dag af studie, ijverige studie aangeraden,
maar daarin heb je nooit veel schik gehad, evenmin als in alles wat
je moeite kost."
"En zou ik al verminderen?"
Zij zag hem met een uitdrukking vol schrik en vrees aan.
"Nu al verminderen en ik ben pas zeven en twintig!"
"Wel neen, kind, van verminderen is nog geen sprake, maar toch,
me dunkt, je hooge C was laatst niet meer zoo vol en zuiver als voor
een paar jaar; zooals ik je zei, alleen de jeugd geeft aan de tonen
de frissche molligheid en dat onweerstaanbaar pathetische, zooals Verdi
't ons zei, de grootste charme van je stem."
"En als ik die verlies, wat dan?"
"Och, zet zoo'n benauwd gezicht niet, carissima! Dat is niets erg;
dan wint je stem aan kracht en je doet je techniek bewonderen."
"Ach, techniek, methode! uren lang niets zingen dan vervelende
gammes en études, repeteeren en nog eens repeteeren, dat is methode!
Neen, het pad der kunst heeft ook zijn doornen."
"Weet je dit nu pas? 't Ergste komt nog: zijn roem overleven."
"Vader, daarvan heeft u mij niet gesproken, in Genève en
later in Bergstad, toen u mij, als 't ware, gedwongen hebt u te volgen.
Een ander heeft het mij gezegd, maar dien geloofde ik niet."
[237:]
"Waartoe zou
't ook dienen je daarvan te spreken, kindlief? Ik zelf dacht er toen
niet aan, maar na dien tijd kreeg ik soms aanmaningen van mijn keel
en mijn borst; mijn hart klopt vaak tot brekens toe in de onnoozelste
aria, die ik zing, en dat doet. nadenken. Ik heb dikwijls honderd maal
meer plezier stil thuis te blijven met mijn sigarette, dan aan 't publiek
te vertellen, dat mon coeur se brise de douleur, mia belle, ma fIamme
éternelle. Sentimentaliteiten, die ik op mijn jaren dwaas en
laf vind, zoodat ik me zelfs niet begrijpen kan, dat verstandige menschen
naar zulke afgezaagde deunen luisteren kunnen, en dan spreken ze nog
van. dienen der kunst, roem, glorie, en wat nogal? 't Mocht wat! Wie
zou in dien tempel priester willen zijn, als we er niet op rekenen mochten,
dat elke noot, die we uitgalmen, veranderen gaat in een stuk goud?"
"Vader, houd op met die desolate redeneeringen; ik zou er nog berouw
over krijgen, dat ik eens naar u luisterde!"
"Maar lieveling! met jou is 't anders, je bent jong en mooi, je
staat aan het begin van een schitterend leven, waarvan ik voor mij reeds
het einde zie; doch ik treur er niet om. Zonder jou zou ik 't tooneel
reeds verlaten hebben, om een heerlijke villa te koopen aan het meer
van Como en daar een welverdiende rust te genieten, maar, figlia mia,
ik kan je toch niet alleen door Europa laten zwerven, met Impressario's
onderhandelen, jouw geld door de ramen laten werpen met je beminnelijke
nonchalance? Je bent in je beste jaren, je hebt nog recht op eer en
roem!"
"Eer en roem! Ik heb al zooveel daarvan ingeoogst. Ach, vader!
Ik verlang zoo naar mijn kinderen!"
"En naar je man!"
"Mijn man!"
Een bittere glimlach vertrok haar lippen en zij wendde het hoofd af.
"Wat helpt het mij, of ik naar hem verlangen
[238:]
mocht! Mijn man
zal me nooit vergeven wat ik gedaan heb op uw raad en hij leert mijn
kinderen ook hun moeder te minachten."
"We zullen zien, als je nog rijk en beroemd stappen doet tot verzoening."
"Nimmer!" en haaar oogen schoten vonken van verontwaardiging,
"nimmer! hij heeft me immers verklaard, dat zijn huis altijd voor
mij gesloten blijft. Roem van een komediant, die beteekent niets in
de oogen van een deftig Hollander, en mijn geld is in zijn oogen een
Judas-loon."
"Chantez, ma belle, chantez toujours! Daarvoor ben je geboren,
dat is je plicht op aarde!"
"Ja, zingen, wenn das Herz auch bricht."
Haar gemoed schoot vol en zij verliet de zaal om zich op het terras
te vertreden.
De avond was koel en frisch na de drukkende hitte van den lentedag.
De tuin aan haar voeten, rijk aan jasmijn en rozenstruiken, werd door
den grooten rijweg van het strand gescheiden, zoodat de fijne ademtochtjes
door de zee naar het land gedreven, zachtjes versmolten met de zoete
balsemgeuren, welke de bloeiende oranje- en amandelboomen tot haar deden
opstijgen.
Zij bleef op de balustrade leunen, half verscholen door de hooge cactus-
en thuyaplanten, die het onbescheiden voorbijgangers moeilijk maakten
een blik te werpen binnen de kleine villa van de voorstad l a C r o
i x d e m a r b r e, zooals iedereen wist, door beide beroemde artisten
bewoond. Haar oog zwierf over den in volle lentepracht schitterenden
tuin, over den met wandelaars te voet, te paard of in rijtuigen bedekten
rijweg, naar de zee, die, kalm en helder als een spiegel, haar herinnerde
aan een anderen avond, toen het meer van Genève zich voor haar
oog ontrolde.
Wat was alles veranderd! Hij, die toen als een slaaf aan haar voeten
lag, verachtte haar; zij had haar schoonste droomen werkelijkheid zien
worden, zij had
[239:]
roem en glorie
verworven, zij had, zoo ze slechts wilde, hertogen en prinsen aan haar
triomfkar kunnen kluisteren, wat baatte het?
Wanneer zij schoon en gevierd een zaal vol bewonderaars in geestdrift
bracht, onverschilligen zelfs door haar gepareld stemgeluidbetooverde,
dan, ja dan klopte haar hart van trotsche vreugde; de bedwelming was
nog zoet, al was zij haar bijna dagelijksch brood geworden, doch waren
de bewonderaars vertrokken, de lichten uitgedoofd, het orkest verstomd,
het blanketsel afgewischt, ach, hoe ledig werd het dan rondom en vooral
in haar!
Dat alles was schijn, zooals haar moeder had ingezien, maar de werkelijkheid?
Was die niet verre van hier in 't mistige Holland, waar Louis en Marie
zich ontwikkelden onder de oogen van vreemden, zonder hun moeder, die
hier zong en schitterde, terwijl zij haar dood waanden. Daaraan had
zij verzaakt en waarvoor? Was deze schijn die werkeijkheid waard?
Eens in de week hield haar vader receptie, zij nam de eer van het huis
waar, zij was de vorstin van deze vereenigingen; men betwistte elkander
de eer de bladen van haar muziekstukken om te slaan, zij werd met een
aan vereering grenzende bewondering aangehoord en aangestaard.
Alda had de rijke geschenken van haar vader niet eens noodig om met
diamanten en paarlen te schitteren; zij verdiende ontzaglijk veel en
onbekende vereerders overstelpten haar met cadeaux, die ze echter niet
anders dan uit haar vaders hand wilde ontvangen.
Haar toiletten gaven in de hoogste kringen de mode aan; in de eerste
salons van Europa's hoofdsteden, waar zij optrad, werd zij uitgenoodigd
haar stem te doen hooren, maar spoedig werd het haar duidelijk, dat
deze invitatiën slechts het genot der gastheeren en hun gasten
ten doel hadden, dat men haar stem, maar niet haar persoon uitgenoodigd
had, en dat, al
[240:]
overstelpten de
heeren haar ook met huldebewijzen, de dames in de bewierookte vrouw
niets meer zagen dan een actrice.
Zoodra had Alda dit gevoeld of zij weigerde hardnekkig dergelijke uitnoodigingen
aan te nemen. In Petersburg, waar zij anderhalven winter had doorgebracht,
was de salon der Renzoni's zeer bekend in de aristocratische kringen.
Alda's houding, die eIken bewonderaar vriendelijk en minzaam tegemoet
kwam,maar hun toch tegelijkertijd een "tot hiertoe en niet verder"
toe riep, had naar de algemeene achting verworven. Zij was daar bIjna
gelukkig, maar het klimaat bleek nadeelig voor haar gezondheid en de
geneesheeren schreven haar voor, onmiddellijk naar het Zuiden te vertrekken
en in Nice den verderen winter door te brengen.
Zij speelde slechts enkele keeren als gast in het theater van Nice en
had dus tijd in overvloed om na te denken, een bezigheid, die zij vroeger
't liefst aan anderen overliet, maar waaraan zij zich thans niet meer
kon onttrekken.
Ach! dat verleden en die toekomst; beide gaapten haar aan, en zij vergat
daardoor vaak het tegenwoordige.
En terwijl zij naar de zee blikte, dacht zij weer terug aan die heerlijke
avonden in Vevey!
't Was de moeite wel waard geweest zoo veel te doen voor haar geluk,
voor 't bereiken harer illusiën om dan nog met smachtenden weemoed
terug te moeten denken aan het oog;enblik, toen zij nog mets bezat van
al het heerlijke, Gat ze eindelijk verworven had. Zoo onbezorgd gelukkig
als op het oogenblik, toen zij, vóór het binnentreden
van haar vader, in haar wit kanten peignoir op het balkon zat te mijmeren,
was zij daarna nog niet geweest; neen, nog geen enkelen keer, zelfs
niet op den onvergetelijken avond van haar eerste début.
Had tante Judith dan gelijk? Kan men op deze
[241:]
wereld nooit alles
hebben wat men verlangt, en wanneer men dit voor een oogenblik heeft,
is men dan werkelijk tevreden? Tevreden was zij niet, maar wat verlangde
zij dan eigenlijk, wat? Haar kinderen, ach! kon zij ze toch maar even
zien. Waren ze zoo groot als de bébé's, die daar onder
opzicht hunner bonnes wandelden, hadden ze blond of rood haar, hoe zouden
ze gekleed gaan?
En hun vader? Hij haatte haar immers, hij, die haar eens aangebeden
had; hij moest het eens weten, hoe mat en kleurloos haar de talrijke
betuigingen van, vereering en zelfs liefde toeschenen, welke zoovele
voorname jonkers uit alle landen van Europa aan haar voeten legden,
hoe zijn beeld altijd weder verscheen naast het hunne, niet gelukkig
en stralend van bewondering als in Vevey, maar bleek en trillend van
ingehouden toorn en spottende verachting als in het Théàtre
de la Monnaie. Zij bekende het zichzelf niet, maar zijn vloek had over
haar geheel nieuw leven een somberen sluier geworpen. Het voedsel, waarnaar
zij eens gehongerd had, werd haar in kwistigen overvloed aangeboden,
doch zij vreesde het met smaak te nuttigen, daar het haar vergiftigd
toescheen.
En 't was zijn schuld! Waarom moest zij toch telkens aan hem denken
en misschien naar den tijd terug verlangen, toen hij haar nog niet verachtte,
toen zij alles voor hem was?
De prijs, dien zij betaald had voor haar roem, was te hoog geweest,
dit zag zij meer en meer in, nu het te laat was.
Plots ging zij terug van de balustrade en verschool zich achter het
groen; een geërgerde uitdrukking kwam op haar gelaat. Juist naderde
haar vader.
"Hoe is 't, Cara mia? Je meende toch niet, wat je zooeven zei.
Er is immers geen gevaar dat je hart breekt? Waarom zou 't ook:
Du hast Perlen und Diamanten,
Mein Liebchen, was willst du noch mehr?
[242:]
"Och, vader!
Ga niet zoo aan de balustrade staan! Ziet u dien ruiter daar caricoleeren
op zijn prachtig zwart paard? Herkent u hem niet?"
Renzoni zette zijn lorgnet op en zag naar de aangewezen richting.
"Heb ik recht? Prins Tchersky?"
"Helaas, ja! Hij vervolgt me; ik wil hem niet ontvangen, vader;
hij zal spoedig genoeg ons een bezoek brengen, maar ik ben dan niet
thuis. Hoort u, vader?"
"Goed kind, goed! Dat is jouw zaak; de mijne, waarom ik je eigenlijk
spreken kwam, betreft onze eerste voorstelling. Wat dunkt je, als we
Maandag Faust gaven, ter herinnering aan 't eerste stuk, waarin je mij
hebt zien optreden!"
"Dat is me zeer goed; Marguérite is een van mijn lievelingsrollen,
dat weet u wel! Ach, hemel!, daar gaat Tchersky, hij heeft ons herkend!"
"Wat zou dat? Welke andere artiste in jouw plaats zou zoo bang
wezen voor iemand, wiens liefste wensch het is, van haar een prinses
te maken?"
"Maar welke andere artiste is ook in mijn geval?"
"Kind," vroeg Renzoni, met meer ernst dan hij gewoon was,
"wat zou je doen, wanneer ik eens niet langer bij je kon zijn?
Je hart is maar half bij je beroep, het andere is t'huis bij de kinderen
en, al wil je het voor je zelf niet weten, bij je man. Zou je dan je
triomftocht voortzetten of weer stil bij hem achter de hollandsche kachel
kruipen?"
"Vader, praat zoo niet! we hebben genoeg aan vandaag, waarom altijd
dat denken aan den dag van morgen? Daar doet u anders nooit aan!"
"Verkeerd genoeg! Maar nu word ik, altijd aan morgen herinnerd,
mijn gezondheid is niet wat ze wezen moest. Die benauwdheden overvallen
mij te dikwijls."
"Maar dan moet u niet meer spelen, vader!"
"Ik denk er aan. Het zingen hindert mij nog niet, maar ik moet
rust hebben; misschien is het de laatste
[243:]
maal, Carissima,
dat we samen spelen, laat het daarom de Faust zijn."
"Neen," riep ze met bijgeloovigen angst uit, "laat het
dan niet de Faust zijn, de Barbier liever, ach God neen! die nog minder,
een ander..."
"Neen, geen ander! Den laatsten keer, is het dan zoo treurig? Ik
ga nu eerst genieten van mijn leven, van mijn arbeid, want zingen, zoo
als wij het doen, Nini, is geen uitspanning, maar wel degelijk een arbeid,
zwaarder wellicht dan het ploegen van den boer op het land; dat begrijpt
niemand, die het niet ondervonden heeft. Dan gaan we uitrusten aan het
Como-meer en vieren het groote verzoeningsfeest; ik verlang ook eens
den grootpapa te spelen voor je engeltjes."
Alda antwoordde niet; snikkend was zij op een der tuinstoelen neergevallen.