VI.
Vijf jaren waren
verloop en sinds Alda's vlucht; den winter brachten van Steeland en
zijn huisgenooten in de residentie-stad door, 's zomers echter zond
hij zijn kinderen met de tantes naar Westveld, om er de frissche buitenlucht
in den grooten tuin te genieten.
Hijzelf kwam dan zoo dikwijls, als zijn drukke bezigheden 't hem toelieten,
over. Judith en Johanna hadden zich met hart en ziel aan de kleinen
gewijd; de eerste zorgde geheel voor hun opvoeding en onderwijs, de
andere voor hun meer stoffelijke belangen.
Louis en Marie toonden zich de zorgen der tantes overwaard; beiden waren
vlug, verstandig boven hun jaren en zelfs in hun gebreken schuilde de
kiem van eigenschappen, die later, wanneer hun karakter met
[224:]
verstand geleid
zou zijn, hun tot sieraad konden strekken.
Dit alles had Judith begrepen; haar boeken liet zij nu veel rusten,
want aantrekkelijker dan die doode letters vond zij de blanke bladen,
waaruit de zieltjes van de haar toevertrouwde kinderen bestonden.
Hun geest en hart ontwikkelen, dat was nu haar eenige taak; zij sprak
niet veel over haar opvoedingsplannen; zij schreef haar indrukken niet
op, misschien bezat zij niet eens een programma van al 't geen zij leeren
en onthouden moesten, maar al spelend had Louis meer opgedaan, dan de
meeste schoolgaande kinderen op zijn leeftijd wisten en Marietje was
het gedienstigste, vriendelijkste kind, dat zich denken laat.
Zonderling, de bohème-aard der moeder scheen meer in het karakter
van haar zoon, dan in dat van haar dochter te schuilen. Marietje had
meer aanleg een tweede tante Johanna te worden, zei Judith soms schertsend
om de oude tante te vleien; maar zij nam zich toch voor te waken, dat
Marietje's praktische geest niet zoo geheel arm aan hoogere poëzie
en idealen zou worden als die der goede ziel.
Louis daarentegen was avontuurlijk, vol geestdrift, altijd bezig met.
phantastische plannen en droomerijen; nu eens verbeeldde hij zich -
want het ventje kon ontzettend wild wezen - een dolende ridder te zijn
en dan moesten de oude meubels der Westveldsche huiskamer 't ontgelden.
Of wel hij speelde voor troubadour en zong met zijn allerliefst stemmetje,
voor de opeengestapelde stoelen, waartusschen hij zijn zusje had geplaatst,
die een gevangen prinses moest voorstellen.
Tante Ju had altijd een middel om hem stil te doen zijn, wanneer hij
het de andere tante al te lastig maakte door zijn wildheid.
Zij beloofde maar hem wat te vertellen, dan was dadelijk alles anders;
hij zette zich op een voetenbankje
[225:]
aan haar voeten
neer en met de groote, blauwe oogen op haar gevestigd, luisterde hij
zoolang zij aan 't woord bleef. Die vertellingen waren voor Judith een
krachtig hulpmiddel om zijn hart en geest te vormen.
Reinout liet haar begaan; hij had veel te doen en wist zijn kinderen
zoo goed verzorgd, dat hij slechts vluchtig naar hen omzag. Hij was
veel veranderd en dikwijls wanneer hij te Westveld in de huiskamer zat,
evenals jaren te voren, moest Judith zich afvragen, of die ernstige
altijd in zijn gedachten verzonken man dezelfde was als de levenslustige,
vroolijke knaap, die hier zijn straftijd kwam doorbrengen. "
Hij sprak niet veel en zeide nooit tot Judith of Johanna een woord dat
tot waardeering van haar onvermoeide zorgen kon strekken; 't was of
hij al haar liefde en toewijding aannam, als iets dat van zelf sprak.
De kinderen waren allengs min of meer schuw voor hem geworden; hij speelde
niet meer zoo druk met hen als in de eerste dagen na hun moeder's vertrek,
toen hij meende haar gemis aan hen te moeten vergoeden.
Ze misten nu immers niets meer; Alda zou nooit voor hen geweest zijn
wat Judith en Johanna waren, en toch, hij scheen er niet aan te denken,
dat haar hiervoor eenigen dank toekwam.
Misschien was dit nimmer in zijn altijd met zaken van allerlei aard
vervulden geest opgekomen, zoo verschoonde hem Judith tegen de toch
anders volstrekt niet veeleischende Johanna, die soms zachtjes klaagde
over Reinouts gebrek aan dankbaarheid.
"En dan, tante-lief, zijn we niet meer dan genoeg beloond door
het gezegend opgroeien der kinderen, door hun aardig gepraat, door de
ontwikkeling van hun geest?"
"O ja, maar vind je niet, dat kon Reinout ook wel eens uit zijn
eigen zeggen; een mensch is zoo niet of hij ziet zijn moeite graag eens
gewaardeerd."
Dit verzuim hinderde Judith volstrekt niet om haar zelve of om tante
Johanna; meer smartte het haar een
[226:]
bewijs hierin te
vinden voor de geheele verandering, die er langzamerhand in Reinout
had plaats gevonden. Zijn vroolijkheid was verdwenen, dat kon niet anders,
na zijn smartelijke ondervindingen, zijn drukken arbeid en zorgen, maar
zijn aangeboren openhartigheid had plaats gemaakt voor een onverstoorbare
koelheid, die elke hartelijke toenadering, zelfs van zijn kinderen,
onmogelijk maakte.
Tegenover iedereen, maar tegenover Judith in het bijzonder, vermeed
hij zorgvuldig elke uiting van zijn gevoel. Als een hem onwaardige zwakheid
bewaakte hij elk woord, dat eenigszins zijn gemoedstoestand verraden
kon, en bracht haar op den dwaalweg door zijn koel minachtende oordeelvellingen,
zijn wantrouwen aan elke edele beweegreden, zijn sombere levensbeschouwing.
Hij wist dat niemand beter dan zij de kunst verstond in de menschelijke
ziel te lezen, en hij achtte het noodig juist voor haar zijn gemoed
in een ijzeren pantser te sluiten, want niemand ter wereld mocht het
weten, hoe daarbinnen zijn hart nog bloedde door het bedrog van haar,
in wie hij eens zijn ideaal had aangebeden, hoe zwak hij zich dikwijls
voelde in de eenzaamheid van zijn studievertrek, bij de gedachte aan
hetgeen zijn leven nu was en wat het had kunnen zijn, als... ja als...
zijn vrouw geweest was zonals hij zich haar in de lente van zijn liefde
had voorgesteld.
Wanneer Judith dus illusiën had gekoesterd Reinout's vertrouweling
te worden, zijn raadgeefster en moederlijke vriendin, zooals zij het
voorheen was, dan had ze al den tijd gehad deze bedaard ter zijde te
stellen, maar aan illusiën had de wijze Judith nooit gedaan. Zij
trachtte het leven te nemen zooals het zich aan haar voordeed, en nu
gaf de opvoeding van Louis en Marie haar genoeg te doen, om zich niet
te verdiepen in het nasporen van wat Reinout haar eigenlijk verschuldigd
was.
[227:]
Toch doorgrondde
zij hem en begreep, dat hij zijn koele houding slechts overdreef uit
vrees van zwak te worden. Die schaamte voor zijn eigen aandoeningen
was dezelfde nog, die hem jaren geleden in gevaar had gebracht zijn
toekomst te bederven. Nu echter werd zij beheerscht en geregeld door
het oordeel van den man en zoo iets daardoor gevaar liep, dan was het
zijn eigen karakter, dat veel te lijden moest hebben door den onophoudelijken
dwang, welken hij aan zijn geheele wezen oplegde, en door het genot,
waarvan hij zich beroofde, in de aanhankelijkheid zijner kinderen en
de vertrouwelijke gesprekken met hun tante.
Zijn gelaat was hetzelfde gebleven als daags na Alda's vlucht, maar
over zijn lokken was een grijze tint gekomen en zijn lippen hadden zich
vaster opeen geklemd. Overigens was advocaat van Steeland een algemeen
geacht zoo niet bemind man geworden; hij bezocht geen gezelschappen,
leefde teruggetrokken en stil; maar wien kon dit verwonderen, na den
slag, hem door zijn vrouw toegebracht?
Eens terwijl ze weer in Westveld waren, zat Judith in de huiskamer,
die groote veranderingen had ondergaan, want nu waren de ramen in glazen
deuren hervormd, toegang gevend tot den tuin, waaruit alle herinnering
was verdwenen aan den prozaïschen aanleg uit tante Theresia's dagen.
De perken waren met bwemen en heesters gevuld, de paadjes, bestrooid
met kiezelzand, daalden zacht glooiend af naar de rivier en naar het
aardige prieeltje, dat dicht bij den muur stond, veiligheidshalve opgericht
om den kinderen geen toegang tot het water te geven.
Op het groote grasveld, vlak tegenover de ramen, stoeiden Louis en Marie
met een grooten hond, hun liefsten speelkameraad. Judith zag glimlachend
het spel aan, terwijl haar bezige handen voor een oogenblik ledig waren.
[228:]
De meid kwam binnen
met de boodschap, dat mijnheer Bruisman de juffrouw wilde spreken.
Judith zag verwonderd op; in al die jaren had Dorus zich niet ten huize
Hagen, zooals hij haar woning noemde, laten zien.
Op straat zelfs groette hij zeer flauwtjes en scheen het Judith nog
maar niet te kunnen vergeven, dat zij haar vrijheid hooger schatte dan
een verbintenis met hem.
Hij kwam binnen zeer statig en effen, rondziende alsof hij zich geheel
vreemd gevoelde in deze kamer, die de echo van zooveel zijner grappen
nog in de plooien van haar gordijnen bewaarde, schudde het hoofd, zag
even naar het stijve portret van tante Theresia op, als wilde hij haar
oordeel vragen over de heiligschennis, die in haar lievelingsvertrek
had plaats gehad, en maakte op eenige stappen afstands van Judith een
zeer genadige buiging.
"Is 't mij vergund u een oogenblik alleen te spreken?"
"We zijn nu immers alleen," gaf zij glimlachend ten antwoord,
"neem toch plaats, mijnheer Bruisman!"
"Ik dank u. Mijn boodschap is alleen deze: van morgen ontving ik
een brief met verzoek dien aan u persoonlijk tusschen vier oogen te
overhandigen en aangezien hier geen andere oogen tegenwoordig zijn,
dan die van onze onvergetelijke doode - een zware zucht en een sentimenteele
blik naar het portret - geloof ik aan mijn opdracht te hebben voldaan.
Het ga u wel!"
Hij reikte haar een rosekleurig; sterk geparfumeerd briefje over en
boog nog eens zoo stijf als daareven, zonder echter te verzuimen de
ontroering op te merken, waarmede Judith kennis nam van het adres.
Zij belde, gaf de binnentredende meid bevel mijnheer uit te laten en
brak in koortsachtige spanning de elegante enveloppe open.
[229:]
"Mijn lieve,
beste tante!" las zij in het haar bekende, echte kostschoolmeisjes
handschrift, in vrij vloeienden stijl, maar overladen met taal- en spelfouten
he't Is meer dan tijd, dat ik u eens wat van mij doe hooren, maar ik
ben bang dat als hij dezen brief in handen krijgt, u hem niet licht
meer zal zien. Tante, ik ben zoo overgelukkig, ik heb alles, waar ik
ooit naar gewenscht heb: triomfen, dag aan dag, en vreemd, 't verveelt
mij niet. Elken avond geeft het mij nieuw genot, nieuwe geestdrift.
Dat kan iemand niet begrijpen, die nooIt heeft ondervonden wat het is,
door een geheele zaal te worden geapplaudisseerd, gebisseerd, ja ik
zou haast zeggen, geadoreerd alsof men een heel ander menschenkind is,
dan die daar in loges of parterres naar je gezang luisteren.
"Hoe heel anders ging 't in Bergstad toe, nadat ik daar gezongen
had; ze klopten en trapten dat hooren en zien verging om de pret te
hebben spektakel te maken, alsof die eindelooze voor groote trom en
pauken gearrangeerde concertstukken ons niet genoeg het gehoorvlies
verscheurden.
"En dan, beste tante, wat een pret, nooit lang in een stad te zijn;
mijn lieve papa (ach, zijn stem gaat achteruit, maar als we samen zingen,
merkt men dat zoo niet, want ik maak verbazende vorderingen) zorgt voor
mij als voor zijn liefste kleinood.
"Een winter zijn we geëngageerd geweest in de Scala van Milaan
en hebben daarna gastvoorstellingen gegeven door Italië; dat was
een triomftocht! U moest dien oogst van kransen en kronen, diamanten
en paarlen zien, welke iederen avond aan mijn voeten werd gelegd. O
't is heerlijk, hoe heel anders dan dat mosselenleventje in Westveld,
in Den Haag, maar vooral in Bergstad; vervelendste onder alle vervelende
steden. van ons archi-vervelend kikvorschen-vaderland.
"In Napels en Rome hebben we een succès-fou gehad, en we
gaan nu naar Parijs, en blijven er tot den 15den; daar hoop ik een woordje
van u te ontvangen.
[230:]
"Zouden we
niet kunnen correspondeeren, chère tante de mon coeur? Reinout
is zeker nog woedend op mij. In Brussel is hij haast oorzaak geweest,
dat ik fiasco had gemaakt, foei, dat zou ik hem nooit hebben vergeven.
"Loutie en Mies zijn zeker reeds groot, denken ze nog aan hun maatje?
Hij wil niet hebben, dat ze ooit iets van mij hooren; dat is toch wreed,
vindt u niet, tante? Ik volg mijn roeping en dat is immers de plicht
van elk mensch op aarde.
"Onze Lieve Heer schonk me die prachtige stem toch niet om er zulk
een uilskuikensvolk als de Hollanders op te onthalen en ik zal nooit
iets doen, waarvoor ik mij zou moeten schamen, tegenover hem en mijn
kinderen. Daarop kan hij gerust zijn.
"Men noemt mij la Sensitive, Edelweisz, Ne touchez-pas à
la Reine en ik weet al niet wat nog meer, omdat ik zoo inabordable ben.
Als hij met mij mee reisde en ik, thuis komende, Loutie en Mies kon
omhelzen, dan zou ik eerst tevreden zijn.
"U schrijft me toch, ja? Kon ik hen maar even zien, mijn liefjes,
mijn engeltjes! Tante Jo zorgt zeker voor hen; kleedt zij ze wel altijd
netjes aan? U heeft het stellig te druk met hun geleerdheid. 't Is toch
beter, dat ik ze niet bij me heb; wanneer ik in mijn jeugd nooit op
het tooneel ware geweest, zou die théaterduivel (woord van tante
Theresia) me nooit op deze manier hebben bezeten, maar 't is een heerlijk
leven en wie er eens aan gewend is, kan zich niet meer t'huis voelen
in een eentonig, regelmatig huishouden. Hoe vindt u mijn idee om dezen
brief bij uw ex-galant in te sluiten? Ik wist niemand beter. Schrijf
me eerst en dan mag u gerust aan R. zeggen, hoe tevreden en gelukkig
ik ben. Adieu, ik omhels u en tante Jo tienduizend maal en druk mijn
schatjes aan het hart tot stikkens toe. Alda.
" Mijn adres is: Parijs, Hotel, enz.
[231:]
"Laat Loutie
en Miés deze plaats op het papier kussen, daarop heb ik ook mijn
lippen gedrukt. Schrijf me eens of ik hun een kist met moois en lekkers
mag sturen. Er is hier zooveel prachtig kinderspeelgoed; mijn hart bloedt,
wanneer ik er aan denk, hoe 't mijn hartjes zou verheugen, daarvan wat
te hebben en toch, ik durf het niet zenden om hun vader.
"U moet me veel schrijven over de twee, heel veel, hoor! U kan
't toch zoo goed, dan heb ik ten minste ook iets aan uw geleerdheid
en vlugheid met de pen.
Cara mia zia! Addio !"
Judith riep de kinderen en voldeed aan het verzoek hunner moeder; doch
hoe zoude zij tot hen spreken over de vrouw, die ze verlaten had? Wat
hun te zeggen? Daarbij, de vader had het verboden.
Zij schreef Alda onmiddellijk terug; eerst had zij haar raadgevingen
willen zenden, maar kwam hiervan terug bij de gedachte, hoe weinig deze
toch zouden uitwerken; dus verhaalde zij alleen veel van de kinderen
en voegde er slechts bij:
"'t Verheugt mij, Alda, van u te vernemen, dat gij er zorg voor
draagt de achting van uw man en kinderen niet geheel en al te verbeuren;
dit is uw eenige hoop voor de toekomst. Wanneer het leven, dat ge voert,
u na langer of korter tijd vervelen, misschien verdrieten zal, hoop
ik dat God het hart van uw echtgenoot tot toegevendheid en medelijden
zal neigen.
Voorloopig is er geen kans op; hij is dezelfde niet meer van vroeger.
Wat het zenden van speelgoed aan uw kinderen betreft, laat dat, het
zou Reinout nog meer tegen u verbitteren."
Toen van Steeland des Zaterdags in Westveld kwam, zeide Judith hem doodeenvoudig:
"lk heb een brief van Alda ontvangen."
Een zenuwachtige trilling vertrok zijn gelaat en doorliep zijn leden,
maar voor een seconde slechts dadelijk gaf hij droogweg ten antwoord;
[232:]
"Zoo?"
"Wil je hem lezen?"
"Geef hier!" en de hand, die hij uitstak, beefde zichtbaar.
Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengedrukte lippen en reikte
haar zwijgend het papier over.
"Heeft u reeds geantwoord?" vroeg hij een poosje later.
"Ja."
"En is u van plan met haar te correspondeeren?'"
"Ik geloof dat het voor haar zeer goed zou wezen zulk een band
met haar familie te bewaren."
"'t Staat u natuurlijk vrij het te doen. Zij is uw nicht, maar
zoo u dit verkiest, dan zal ik mij genoodzaakt zien, u te bedanken voor
de goede zorgen aan mijn kinderen besteed, en naar huurlingen voor hen
om te zien."
Dit was op vastberaden toon kortaf gezegd; Judith zag hem strak in de
oogen en vroeg toen ernstig:
"Overdrijf je niet, Reinout?"
"Wat bedoelt u?"
"Of je niet te veel den stoïcijn speelt als vroeger, of je
door haar een terugkeer onmogelijk te .maken, niet je eigen geluk en
dat van de kinderen in de waagschaal stelt!"
"Een terugkeer? Hoe durft u daarvan spreken, tante?"
Hij noemde sinds lang haar niet meer bij den naam.
"Omdat het mijn eenige hoop is voor de toekomst."
"Zet die hoop dan maar gerust bij alle andere, die een vizioen
op de toekomst zoo schilderachtig mooi maken en die van nabij bezien
niets anders zijn dan een handje vol rook, zwarte steenkolenrook, liefst
van het minste soort, verstaat u mij, tante? 't Zal natuurlijk erg hard
wezen voor de kinderen, u heiden te missen, en voor mij was 't a n a
w f u l b o r e, zou de Engelschman zeggen, aan 't sukkelen te gaan
met
[233:]
gouvernantes en
huishoudsters, maar als u met Aida correspondeeren wil, dan moet ik
er toe besluiten."
"Je brengt mij in een zwaren strijd, Reinout; je weet dat ik je
kinderen niet verlaten kan, en daarentegen acht ik het ook mijn plicht,
het arme schepsel, dat lang zoo gelukkig niet is als zij het wil doen
gelooven, niet geheel en al te verwaarloozen."
"Niet gelukkig, wat ontbreekt haar? Niets van alles wat jullie
vrouwen zoo hoogschat! Klatergoud, zinsbedrog, daar alleen vragen ze
immers naar!"
Judith glimlachte en zeide schertsend:
"Je kent de vrouwen door en door en bent vrouwenhater geworden;
dat kan niet anders. Hierin komen wij ten minste overeen; je weet, dat
ik zelf nooit heel veel sympathie heb gevoeld voor mijn sexegenooten."
"Omdat u zich boven haar verheven waant, natuurlijk, maar Judith,
ik houd er niet van iets tragisch op te nemen; geef me je eerewoord,
dat je haar niet zult schrijven."
"En anders blijf je bij je plan?"
"Onverbiddelijk!"
"In Godsnaam! Ik heb eerbied gekregen voor je onverbiddelijke uitspraken.
Je moet het in de eerste plaats weten; zij is en blijft je vrouw, de
kinderen mag ik niet verlaten. Die hebben, al zeg ik het zelf, mijn
onophoudelijke zorg meer noodig, dan Alda mijn zeldzame brieven."
"Waarvan ze toch papillotten zal draaien."
"En als de dag komt, dat ze ook hiertoe geen lust meer heeft, dan
zal ze ons toch wel kunnen vinden."
"Dan," een toornige gloed flikkerde in Reinout's oogen, "dan
is het uur der revanche daar! 't Zoete genot der goden."
Zooveel had hij zich nog niet blootgegeven; Judith schudde zacht het
hoofd.
"Ach! wie weet hoe armzalig dan de revanche je zal toeschijnen,
Reinout!"
"De zaak is dus afgedaan?"
[234:]
"Zooals je
wilt!"
"Nu spreken wij er niet meer over; op uw eerlijkheid vertrouw ik,
tante Judith! Ik weet dat u haar niet zal schrijven, na de keus, die
ik u heb voorgehouden."
Dit was voorgevallen omstreeks twee jaar na haar vertrek, en sinds dat
oogenblik sprak Reinout haar naam niet meer uit; slechts door de couranten
hoorde Judith nu en dan iets van haar triomftochten en praatte er eens
met Johanna over. Zij scheen dus vergeten, totdat