V.
Wat wilde hij eigenlijk
in Brussel doen?
"Zijn beroemde vrouw in haar triomf zien, genieten van haar roem,"
zoo herhaalde hij 't zich bitter, gedurende zijn reis naar België's
hoofdstad.
Onmiddellijk na zijn aankomst in het hotel, kleedde hij zich in het
zorgvuldigste avondtoilet en begaf zich naar het Theàtre de la
Monnaie. Er stond een lange reeks menschen geduldig te wachten op de
opening der kassen, toen plotseling door de menigte het gerucht ging,
dat nog slechts eenige kaarten voor staanplaatsen werden gegeven, daar
alles in de zaal van te voren besproken was.
De voorsten maakten er gebruik van, de anderen verdwenen, teleurgesteld
en ontmoedigd; Reinout echter bleef aanhouden en bood voor een plaats
vijftig francs.
Dit deed nadenken: men herinnerde zich dat er een loge open was van
iemand, die zeker niet zou komen; hoe 't geregeld werd, liet Reinout
tamelijk onverschillig, totdat hij eindelijk plaats nam in een der loges,
schuin tegenover het tooneel.
Hij was doodsbleek, maar overigens verried niets zijn ontroering. Met
de binocle gewapend, liet hij
[215:]
zijn blikken door
de zaal dwalen; de koninklijke loge was nog ledig, maar toen de ouverture
begon, verschenen de vorstelijke personen.
"En die eer geschiedt nu mijn vrouw! Hoe ondankbaar ben ik dat
niet te waardeeren," dacht hij en bleef onverschillig achterover
geleund, zonder mede te applaudisseeren, zelfs niet toen Renzoni Almaviva
zijn serenade zong en de zaal in toejuichingen losbarstte.
"Hij vermindert," zeiden twee heeren tegen elkaar in de naastbij
gelegen loge.
"Ja, merkbaar; geen wonder ook! Zijn dochter verklapt de jaren
van zijn stem."
"Een goed idee van hem met die dochter nu op te treden, dat geeft
aan zijn spel een nieuwe charme. Hebt ge haar reeds gezien?"
"Ja, den vorigen keer. Een prachtmeid, dat verzeker ik je."
Reinout sidderde; ze spraken over zijn vrouw en hij kon het niet beletten!
"Waar hij dat meisje heeft opgedoken? Zou 't wezenlijk zijn dochter
zijn?"
"Wie kan dat zeggen? St, st! daar is ze!"
Een oorverdoovend applaus vervulde de zaal; zij verscheen op het balkon
en beantwoordde de serenade. Reinout's binocle rustte onophoudelijk
op haar, misschien ook om zich onkenbaar te maken, maar zijn hand sidderde
zoo hevig, dat hij genoodzaakt was, den arm op de leuning van zijn fauteuil
te laten rusten.
Doch eerst na het volgende bedrijf, toen zij op 't tooneel verscheen,
was de maat van zijn ontroering vol. Daar stond zij verrukkelijker dan
ooit; in haar rijk andalusisch kostuum, een kanten mantilla over de
roodgouden lokken geworpen, gracieus, vlug, geestig, het ideaal eener
Rosine.
Reeds op haar gezicht alleen barstte de zaal in toejuichingen los; zij
dankte en groette bevallig als een sylphe, vroolijk als een onbezorgd
kind.
[216:]
En juist op dit
oogenblik knielde tante Johanna naast de bedjes van Loutie en Miesje
neder, deed hun de handjes vouwen en hun kinderlijk gebed stamelen voor
pa en ma, want geen moeder was er, die bij de arme kleinen dezen plicht
vervulde, hen toedekte, op hun voorhoofdjes een laatsten kus met haar
zegen drukte. Op het tooneel immers schitterde hun moeder en verkondigde
al zingend en trillend aan een paar duizenden onbekenden, dat een jonge
graaf haar uitverkorene was.
De eischen der kunst, de roeping van 't genie, daaraan dacht Reinout
niet, zijn geest was verre weg, op de plaats waar zij behoorde te zijn,
die onovertroffen Rosine, bij zijn en haar ongelukkige kinderen, die
't eens zouden moeten hooren, dat zij verlaten waren door een ijdele
moeder.
Nadat zij geëindigd had, regende het bouquetten en kransen op het
tooneel; het lied werd gebIsseerd en met een allerliefste beweging,
die bescheidene dankbaarheid beteekenen moest, begon zij opnieuw,
"Wat een boer," fluisterden de heeren achter hem, "zeker
een koudbloedige bevroren Hollander, die door zulk een Rosine niet ontdooid
kan worden."
En 't gesprek liep halfluid over de kunstenares; weinig woorden kon
Reinout slechts opvangen, maar zij waren voldoende om hem van onmachtigen
toorn het bloed te doen koken. Neen, hij had verkeerd gehandeld hier
te komen!
Zelfs in de koninklijke loge werd geapplaudisseerd; niets ontbrak aan
Alda's triomf, en aan den glans van haar oogen zag Reinout het genoeg,
dat zij gelukkig was, dat zij eindelijk het toppunt van haar wenschen
had bereikt. Hij was geheel vergeten, hij, die eens alles zou gegeven
hebben om haar gelukkig te maken, hij en zijn kinderen.
Een marteling werd dit bedrijf vol kunstgenot voor den verlaten echtgenoot;
alles deed hem pijn, elke blik, op de kunstenares gericht, elke beweging
van
[217:]
haar, hoe onnavolgbaar
bevallig en bekoorlijk ook, elke toon van haar stem, de vrijheid, waarmede
zij zich op de planken bewoog, het applaudissement, dat haar spel bezielde
en haar oogen deed schitteren.
Nu was hij met zijn gedachten weder in het théater van Genève,
toen hij niet begrijpen kon, hoe zijn geluk eens moest eindigen, toen
hij hetzelfde schepsel, dat thans deze geheele verzameling van onbekenden
deed genieten, op zijn knieën had kunnen aanbidden, toen zijn geheele
leven afhing van haar glimlach, haar blikken. Of hij liep met haar tusschen
de asperge-bedden achter het huis van haar familie en bezielde de prozaïsche
omgeving door zijn ideaal geluk, dan weer genoten zij hun huwelijksreis,
hij was toen haar eenige steun, haar kracht. Ach! en reeds had zij geheimen
voor hem, toen reeds betreurde zij haar huwelijk, bestudeerde zij misschien
haar vlucht.
Hij vergruisde het programma in zijn handen, de muziek sloeg hem als
met duizenden ijzeren hamers tegen het hoofd, zijn oogen brandden door
het licht der gaskronen en 't was hoog tijd, dat onder een nieuw oorverdoovend
applaus het scherm viel; hij vreesde waanzinnig te worden.
Hij stond het eerst op en wachtte het einde niet af van de toejuichingen,
die haar ten deel vielen, maar verliet het gebouwen begaf zich naar
den foyer der artisten.
Eenige bevoorrechten wandeldell op en neer, allen even opgewonden over
het succes der nieuwe diva; Reinout liep voort totdat hem gevraagd werd
wat hij verlangde.
"Ik moet Signora Renzoni spreken," antwoordde hij.
"De Signora is voor niemand te spreken; zij weigert elk bezoek."
"Ik kom haar ook niet bezoeken, maar een belangrijke zaak dwingt
mij, haar een onderhoud te vragen."
"Wilt u mij uw naam niet opgeven?"
"Neen!"
[218:]
"Maar zij
zal u niet willen ontvangen!"
"Beproef het maar!"
Een tienfrancsstuk, dat in de hand van den andere gleed, overtuigde
hem meer dan de welsprekendste woorden. Hij verwijderde zich en kwam
na eenige oogenbIikken terug.
"De Signora verlangt uw naam te weten! Anders wil zij u niet te
woord staan."
Reinout was in tweestrijd; hij wist niet, welk besluit zijn naam haar
zou doen nemen en bleef dus even nadenken
"Daar hebt ge vijftig francs! Breng me bij de Signora, gij weet
immers waar ze is."
"Ik durf niet, maar toch, als 't geen gevolgen kan hebben."
"Is zij alleen?"
"Signor Renzoni was bij haar!"
"Zeer goed, kom, de pauze loopt ten einde!"
De bediende ging hem voor naar een klein salon, waar Alda alleen voor
den spiegel stond, bezig iets aan haar kapsel te veranderen; hij drukte
het beloofde zijn geleider in de hand en trad zwijgend tot vlak achter
zijn vrouw voort.
Zij zag plotseling zijn beeld in den spiegel en keerde zich snel om
met een kreet van schrik.
"Reinout!"
"Kom je mij halen," vroeg zij angstig.
"Neen," antwoordde hij koud en streng, "vrees niet. Ik
wil je dit vurig nagejaagde levensgeluk niet ontnemen. Je moogt het
volop genieten; je courant deed mij verlangen getuige te zijn van je
triomf, waartoe zelfs koningen bijdragen. Ik heb 't gezien..."
"Reinout, hoe is 't met onze kinderen? Mag ik nooit meer iets van
hen hooren?"
Zijn gelaat werd zoo 't kon nog bleeker, zijn wenkbrauwen trokken zich
samen en hij klemde zijn handen tot brekens ineen, om zijn gevoel meester
te blijven.
[219:]
"Mijn kinderen
gaan je niet meer aan. Dat alleen wilde ik je zeggen; daarom ben ik
hier gekomen. Ik heb willen zien, wat je boven hen steldet, want ik
heb nooit gerekend in je leven, ik was goed genoeg om je te ontrukken
aan een vervelend huis, maar overigens heb je mij zelfs onwaardig geacht
ingewijd te worden in je armzalige geheimen. Nu weet ik, waarom je mijn
huis hebt verlaten; die ijdelheid daarginds schijnt je van meer waarde
toe."
"Maar, mijn kinderen!"
"Ze zijn niet meer de uwe, je hebt je recht verbeurd door hen moeder
te worden genoemd. Begin een nieuw leven als jong meisje, vergeet dat
je een man bezit en kinderen; dat wensch je immers! Zij zullen niet
anders weten dan dat hun moeder jong gestorven is. Voor die doode moeder
zullen zij bidden; eerst als zij je gedrag kunnen beoordeelen, zal ik
hun de volle waarheid zeggen."
"Je bent wreed, Reinout!"
"Geen théatertaal tegenover mij, Signora Renzoni! Wreed
is geen van ons beiden, want je kinderen merken je afwezigheid niet
eens; zij kunnen je missen. Wees gelukkig, maar je burgerlijke vrijheid
krijg je niet weder. Je bent mijn vrouw voor God en de menschen, wellicht
verlang je eens de keten te verbreken, die ons verbindt, maar ik wil
het niet; je zoudt je door niets meer gebonden achten, wanneer ons huwelijk
voor de wet verbroken was. Ik echter beschouw mij als je echtgenoot
totdat de dood ons scheidt. En nu, vaarwel! Daar begint weer het handgeklap
en 't gejuich! Je kunt nog lang dat genot smaken; je bent jong en mooier
dan ooit, maar mocht je toestand veranderen, mocht dat alles je eens
vervelen en walgen, mocht het je ontvallen, waag het dan niet mijn huis
weer te betreden. Het blijft voor je gesloten voor altijd!"
"Adieu!" en zij wierp hem met de hand een groet toe, "dat
zal ook nooit gebeuren, wacht er niet op! Je
[220:]
hebt gelijk, een
lang en schitterend leven ligt voor me! Behoud de kinderen, zoo lang
ze klein zijn; over eenige jaren heb ik maar een woord te zeggen en
ze volgen mij!"
"Dat zullen we zien!"
"Oui, nous verrons."
Hij keerde zich om en stond voor Renzoni, die verbaasd was een vreemde
bij zijn dochter te vinden.
"Mijnheer," sprak Reinout uit de hoogte, "ik ben Reinout
van Steeland, man van uw dochter. Ik heb haar gezegd, wat mij op 't
hart lag, en voor u slechts eenige woorden! Zoo u nog een weinig echt
gevoel hebt bewaard, uit alle brokstukken gehuichelde sentimenten, die
u dag aan dag uitzingt, dan hoop ik voor u dat u het uur niet beleven
mag, waarop het u berouwen zal, uw kind te hebben ontrukt aan haar heiligste
plichten!"
"Monsieur!" en Renzoni wilde op recht théatrale wijze,
gedrapeerd in zijn Almaviva-mantel, Reinout den weg versperren; maar
hij schoof hem voorbij en verliet het vertrek zonder het tweetal nog
met een blik te verwaardigen.
Alda was in een fauteuil neergezonken.
"O, wat een scène!" zuchtte zij.
"Hoe is de kerel tot je doorgedrongen? Zoo'n crétin! Hemel,
kind, bederf de soirée niet; morgen worden wij op een muzikale
soirée ten hove genoodigd. Het scherm gaat dadelijk op, verman
je toch."
Hij vloog naar buiten en kwam met een glas champagne terug.
"Drink spoedig! Vergeet dien man en het verledene! Verheug je dat
je zijn klauwen ontvlucht bent. Kom, een idéetje rouge op de
wangen; je bent erg bleek. L'air du rossignol uit les Noces de Jeanette
moet je straks zingen en dan zou je schor zijn. Wat een ellendeling
om zoo het genot van duizenden te verstoren!"
"'t Is voorbij, vader! Een zwakheid, niets anders. Hij kwam zoo
onverwacht, wat is hij bleek en oud
[221:]
geworden; hij lijdt
er vreeselijk onder, maar dat is zijn zaak. Trots tegenover trots!".
"Wel zeker, kom! drink nog eens wat en dan zing je beter dan ooit
te voren om zijn hart van nijd te doen inéénkrimpen."
Rosine's spel verried door geen enkele onvolmaaktheid, welke ontmoeting
zij had doorleefd; integendeel, zij zong en acteerde verrukkelijker
dan vroeger, maar een plaats in de loge bleef ledig, en Reinout was
er geen getuige van hoe men de gevierde actrice na afloop der voorstelling
aan haar rijtuig een luidruchtige hulde bracht.
Hij was naar zijn logement teruggekeerd en reed van daar naar het station
du Nord om met den laatsten trein naar Antwerpen te vertrekken. Den
volgenden morgen om elf uur was hij reeds in Den Haag en sprak eenige
uren later zijn pleitrede tot ieders bewondering uit.
Koel en onverschillig nam hij de gelukwenschen aan, die zijn collega's
en vrienden hem aanboden; t'huis gekomen, toen Loutie en Mies aan zijn
kleederen hingen, speelde een bittere glimlach om zijn lippen.
"Gelukkige kinderen," zeide hij, "wier ouders op zoo'n
verschillende manier worden toegejuicht."
Aan tafel at hij niets en bleef starend voor zich uitzien.
"Ben je niet wel?" vroeg Judith bezorgd.
"Ik heb koorts, dunkt me! Ik zal dadelijk naar boven gaan; mijn
besluit is genomen, Judith, ik blijf hier."
"Dat is het verstandigste."
"We willen het hopen! Vragen de kinderen ooit naar naar Alda?"
."Een heel enkelen keer!"
"Wat zeg je dan?"
"Mama is op reis," antwoordde tante Johanna, die gewoonlijk
de vertrouwelijke vragen der kleinen beantwoordde.
[222:]
"Welnu, voortaan
moet je zeggen: Mama is dood, begrepen?"
"Ja maar, Reinout," stotterde tante Johanna, onophoudelijk
blikken naar haar nicht werpende, in de hoop dat deze haar te hulp zou
komen, "zoo iets zegt men niet aan kinderen, niet waar, Ju? Men
spreekt altijd van mama in den hemel, en dat kunnen we toch moeilijk
van Alda zeggen, is 't niet?"
"Ja, dat gaat moeilijk," spotte hij, "vind er iets anders
op, maar ze moeten niet anders denken dan dat hun moeder niet meer onder
de levenden is."
Hij stond op en begaf zich naar zijn kamer; kort daarop kwam dokter
van Steeland binnen.
"Ik hoor dat Reinie zoo prachtig gesproken heeft," zeide hij
tot beide vrouwen, "is hij niet aan tafel?"
"Och, Heere neen!" zuchtte Johanna, "hij heeft niets
gegeten, niets!"
"Ik vrees dat hij onwel is, dokter," sprak Judith, "de
aandoening zal hem te sterk zijn geweest."
"Maar is hij werkelijk gisteren op reis geweest en vanmorgen terug
gekomen?"
"Ja, zeker, 't was te vermoeiend."
"Dat zou ik meenen! En weet u waar hij geweest is?"
"Ik denk dat die reis met zijn vrouw in verband stond."
"O die vrouwen, die vrouwen! Ik zal eens naar hem kijken!"
De dokter ging naar boven, naar de studeerkamer van zijn zoon en vond
hem lusteloos voor zijn lessenaar zitten.
"Hoe is 't?" vroeg hij, "ik kom je mijn compliment maken.
Jongen, jongen, wat een kerel is er uit je gegroeid. Wie had dat eens
kunnen denken?"
"'t Maakt mij niet gelukkiger," antwoordde hij, moedeloos
de hand, die zijn vader hem reikte, drukkend.
"Maar je bent erg onvoorzichtig; die reis kort vóór
het beslissende oogenblik!"
[223:]
"Ik heb nu
ook kracht om met het verledene te breken en een nieuw leven te beginnen.
Ik heb h a a r gezegd, wat mij op 't hart lag, nu is zij dood voor ons."
"Hm, hm, dat is gemakkelijk gezegd! Geef me je pols eens, je hebt
hard de koorts! Naar bed, hoor! Ik zal tante Johanna opdragen je als
een zieke te behandelen, vooreerst heb je kamerarrest."
Reinout werd zwaar ziek, men vreesde zelfs een oogenblik voor zijn leven,
doch zijn jeugd en kracht overwonnen; hij genas en nam den last van
het leven weer op, wel niet blijmoedig en luchthartig, maar toch zonder
morren en zonder nuttelooze blikken op het verledene.
Veel was hem immers overgebleven in zijn kinderen en in de sterke vrouw,
die met hem de moeilijke taak van hun opvoeding deelde en als een trouwe
vriendin aan zijn zijde stond.