XVI.
Den volgenden middag,
terwijl Judith in haar studeerkamer zat, kwam Reinout haar bezoeken;
zij ontving hem als gewoonlijk met een vriendelijken lach en een hartelijken
handdruk.
Hij zag er nog bleeker dan gisteren uit en er lag iets verlegens in
zijn geheele houding.
"Judith," zoo begon hij, "is 't je ooit in de gedachte
gekomen, dat ik je ten huwelijk gevraagd heb, omdat je rijk waart?"
"Neen, nooit," antwoordde zij beslist, "daarbij, den
eersten keer was ik 't immers nog niet."
"De menschen zullen 't toch zeggen."
[140:]
"Och, Reinout,
bekommer je niet over de menschen; zoek geen uitvluchten, je hebt ze
immers niet noodig!"
"Je weet alles; ja, ik zie 't aan je, je weet alles en ik behoef
je niets meer te zeggen tot mijn verontschuldiging, Geloof me, 't is
tegen mijn beter weten in; ik zelf keur dat gevoel meer af, dan iemand
ter wereld, de sirene heeft me betooverd, bedwelmd, weet ik het? Maar
het zal wel overgaan, ik wil tegen die dwaasheid strijden; als ik weg
ben, zal de indruk verzwakken,"
"Waarom wil je daartegen strijden, Reinout? Is die neiging van
je dan niet natuurlijk, veel natuurlijker dan de vorige?"
"O Judith, twijfel er toch niet aan! Ik houd innig van je, wat
ik voor die kleine heks ondervind, is iets heel anders. Ik heb 't altijd
als een zwakheid beschouwd, bij 't eerste gezicht reeds liefde op te
vatten. 't Is ook geen liefde! neen; haar schoonheid treft me, haar
manieren, haar heerlijke zang, maar hoeveel hooger sta jij?"
Judith glimlachte flauw,
"Neen, Alda staat als vrouw hooger; zij bezit alle eigenschappen,
die een vrouw bemind en aantrekkelijk maken, Wat haar karakter betreft,
zij is nog geheel een kind, haar eigenlijke opvoeding moet nog beginnen
en dat is de taak van haar man. Hij moet veel verstand en veel liefde
bezitten. VoeI jij je daar sterk toe, Reinout, welnu, weersta je gevoel
dan niet! Je zult haar hart gemakkelijk winnen."
"Je raadt me dus aan, haar te trouwen?" vroeg hij met schitterende
oogen en hoogen blos.
"Wanneer je den moed hebt, zoodra de eerste opgewondenhed voorbij
is, haar gebreken te verdragen, haar goede eigenschappen te ontwikkelen,
de neigingen van haar onrustig gemoed te voldoen, dan ja!"
"Judith, en mijn herhaald aanzoek van drie jaar dan, mijn dwingen,
mijn aandringen, waaraan je
[141:]
altijd zoo heldhaftig
weerstand hebt geboden, hoe belachelijk moet ik schijnen in je oogen,
hoe kinderachtig!"
"Gelukkig, dat het alleen in mijn oogen is, Reinout," antwoordde
zij schertsend en dankte God, dat hij niets vermoedde van haar laatste
aarzeling, die haar eigen hart met schaamte vervulde.
"Hoe wijs is je wereldbeschouwing, Judith, hoe goed en wondervol
heeft God alle omstandigheden geleid. Ik kwam hier om van je een toestemming
af te dwingen, die je mij toch nimmer had gegeven en ik vind een vergoeding
in het kind, dat ik vroeger nog met geen blik verwaardigde."
Zij glimlachte.
"Wat moet je juichen, Judith, nu je de waarheid van je woorden
inziet, maar denk niet, dat ik voor jou iets minder gevoel dan voorheen,
o neen, 't is hetzelfde nog, maar nu weet ik, juist wat je altijd hebt
gezegd, hoe men zijn bruid moet liefhebben."
Hij stond voor haar, op dezelfde plaats, waar zij hem vroeger zoo vaak
over zijn werk had gebogen gezien, nu niet meer als de slanke, blonde
schooljongen, maar als de volwassen, krachtvolle man, die sterk genoeg
zou zijn om zelfs haar, de oudere, te steunen door het leven.
Zij had tot nu toe 't niet willen weten, dat hij geen kind meer was,
maar thans drong het zich in haar geest op, dat het verschil van leeftijd
zich voor hem noch door zwakheid, noch door gebrek aan kracht verried.
Een pijnlijk gevoel overmeesterde haar ondanks zichzelf bij de gedachte
dat nimmermeer zijn stem haar verzekeren zoude, dat zij voor zijn geluk
onontbeerlijk was, dat zijn gedachten met de herinnering aan haar vervuld
waren, al de dwaasheden, welke zij eerst nu op prijs stelde, nu zij
ze niet meer zou hooren.
"Niet waar, Judith, tante Judith, zooals ik je voortaan noemen
zal, u heeft het mij immers beloofd,
[142:]
u zal mijn vriendin
steeds zijn, mijn oudste zuster."
"Je moeder, als je wilt," hernam zij, onmogelijke pogingen
beproevende haar tranen weg te dringen; hij drukte even haar hand en
sprong toen naar het raam.
"Ha, daar gaat ze, die engel, die ondine, o mijn Alda! mijn eenige
Alda!"
Judith beschuldigde het mannelijk geslacht niet van ontrouw of wispelturigheid.
't Was haar te duidelijk geweest, dat Reinout zich vergist had, dat
hij van den gewonen weg afgeweken was en een eerste ontmoeting met haar
jong, frisch, levenslustig nichtje had haar op onbarmhartige wijze gelijk
gegeven, maar toch, 't was wreed te hooren hoe geheel vervuld hij was
van zijn nieuwe liefde, hoe ver achteruit gedrongen zij werd, hoe weinig
waarde hij thans hechtte aan de eigenschappen, die hem bij Judith als
de eenige, benijdenswaardige hadden toegeschenen.
Die bede om zijn zuster, zijn vriendin te zijn, wat was ze anders dan
een beleefdheidsvraag, zonder welker vervulling hij toch zeer goed volmaakt
gelukkig aan de zijde van Alda kon worden.
"Ik ga even met haar praten!" riep Reinout en weg was hij.
Een oogenblik later, wandelden zij door de rechte paden van den tuin,
die nog nooit te voren zulke jonge hoopvolle wezens gezien hadden, bezig
tusschen bloemkool en andijvie de grondslagen te leggen voor hun toekomstig
levensgeluk.
Judith drukte met geweld de handen voor de oogen, zij wilde geen traan
laten; 't was zoo immers goed, Alda zou gelukkig zijn en ook Reinout,
zonder dat zij de moeilijke taak van zijn geluk op zich behoefde te
nemen en toch o, dat hart! Jaren lang mannelijke studiën en eenzaamheid
hadden het zijn illusiën; zijn dwaasheden niet kunnen ontnemen.
Zij nam haar boeken op en begroef zich in haar studiën, totdat
het vier uur was en zij regelmatig
[143:]
als gewoonlijk
naar beneden ging om met haar vader te schaken.
Doch zij vond den ouden heer niet in de huiskamer, alleen Alda met gloeiende
wangen en stralende oogen die haar met beide armen omstrengelde en opgewonden
toefluisterde:
"Tante Ju, tante Ju, o tante, wie had dat gedacht?"
"Wat is er toch kind?"
"Tante, u behoeft vandaag geen schaak te spelen met grootpapa,
want grootpapa is in de kleine kamer bezig te praten met Reinout en
ze praten over mij, tante! Wie had dat kunnen denken, nu moet ik geen
oom zeggen tegen Reinout, maar u wordt zijn tante. Wat kan het toch
aardig loopen!"
"Heeft hij met je gesproken?"
"En ik heb ja gezegd; is dat niet te gauw?Ik had eerst bedenktijd
willen vragen, en dan nog niet dadelijk beslissen, maar ik wist toch
vooruit, wat ik nu en over een week zou antwoorden en daarom heb ik
niet langer gewacht."
"Maar heb je hem waarlijk lief?"
"O ja, tante, en dan kom ik dit huis uit en ik ga bij zijn zusters
in den Haag logeeren; daar komen we ook te wonen. Wat is dat heerlijk,
ik had nooit gedacht, dat ik nog eens zóó gelukkig zou
worden!"
"Je doet het toch niet daarom alleen, Alda! Je weet immers dat
het huwelijk een ernstige zaak is, die voor het leven beslist en dat
je nu eindelijk plichten, zware plichten zult krijgen?"
"Natuurlijk, tante, natuurlijk! Grootpapa zal toch wel er in toestemmen,
niet waar? U zult er immers niet hard over treuren als ik 't huis uitgil,
dan kan u weer naar hartelust studeeren, zonder ooit door mij gestoord
te worden, en grootpapa is toch altijd bang, dat ik eens naar het tooneel
ga, maar nu wil ik niet eens meer actrice worden. Die goede, lieve Reinout;
weet u nog onze eerste kennismaking? Hij
[144:]
heeft me bekend
dat hij me toen een ondragelijke meid vond en nu hij mij terug zag,
was hij als verblind. Ziet u wel dat ik gelijk had! Mijn roeping is
om iedereen, die het ten minste waard is, op te vroolijken door mijn
gezicht en mijn zang, daarom heeft Onze Lieve Heer beide zoo mooi gemaakt."
"AIda, foei, wat een taal!"
"'t Is ernstige taal, tante! Wat u door uw wijsheid en kennis doet,
dat doen mijn lief gezicht en mijn prachtige stem."
"Maar als beide vergaan, Alda?"
"Dan heb ik mijn taak volbracht en doe als de bloemen, die verwelken,
dan is 't tijd om te sterven. Maar nu nog niet, nu moet ik eerst Reinout
gelukkig maken, mijn Reinout!"
"Zal hij 't worden, wanneer je het leven zoo opvat? Je zult nog
veel moeten leeren, Alda, en het eerst van alles, dat het leven geen
bloementuin is, noch jij een bloem."
Papa Hagen gaf zijn toestemming nog niet dadelijk; hij had niets tegen
Reinout, integendeel, maar Alda was bitter jong en dan haar vader, dat
was een rare historie. Wanneer dokter van Steeland tegen 't huwelijk
was, zou het hem niets verwonderen; eerst moest dus de vader het aanzoek
van den zoon herhalen. Stemde hij er in toe, dan kon men nog altijd
zien; in afwachting ontving Reinout een invitatie om dien middag te
dineer en en mocht naast Alda zitten.
Het geheim werd Dorus Bruisman door den grootvader zelf toegefluisterd,
waarop deze Reinout hartelijker dan ooit te voren de hand drukte en
Alda een mooi, nuttig huwelijks-cadeau beloofde.
Den volgenden morgen vroeg verliet Reinout Westveld als drie-kwart verloofde,
maar niet van het meisje, aan wie hij bij zijn komst alleen had gedacht.
Alda, die verwonderlijk goed wist hoe heel of half geëngageerde
meisjes zich bij zulke gelegenheden hebben te houden, bleef in tranen
achter en zag in
[145:]
spanning den brief
van dokter van Steeland tegemoet.
Deze liet zich niet lang wachten. Zijn zoon's wenschen vond hij volstrekt
niet ongerijmd; hij had altijd wel gedacht, dat iets hem telkens naar
Westveld trok, maar meende steeds dat dit iets de geleerde dame was,
aan wie hij zooveel te danken had; maar zoo was het even goed. Wat Alda's
afkomst betrof, het geval was al zoo lang geleden en de vader scheen
niet meer te leven, dus was 't beter er maar niet over te spreken. Zijn
geheime wensch was het steeds Reinout met zijn levendig karakter vroeg
getrouwd te zien, daarom herhaalde hij met genoegen het aanzoek van
zijn zoon.
Ook bij de zusters had Roinout weinig tegenstand gevonden.
"Een komediantenkind," zeide wel de eene, die deftig getrouwd
was, met een opgetrokken neusje, maar de anderen vonden dit juist interessant.
Reinout deed een betere keus dan zijn broeder, die een vrouw had gekozen,
wier eenige eerzucht bestond in 't koken en in 't opstapelen van linnengoed
in haar kasten.
De aanstaande schoondochter werd spoedig te logeeren gevraagd en tante
Judith moest mee. Zij bleef echter niet lang en was blijde weer uit
die omgeving te komen, waarin zij voelde thans minder dan ooit te passen.
't Huwelijk zou eerst het volgend jaar plaats hebben en in dien tusschentijd
moest Reinout praktijk zien te krijgen, wat zoo heel vlot niet ging.
Voorloopig werd er voor het jonge' paar een allerliefst bovenhuisje
gehuurd, dat door de zusters, die weldra met Alda dweepten, keurig gemeubeld
werd; zijzelf moest natuurlijk dikwijls in den Haag logeeren en alles
kiezen en keuren.
Reinout leefde als het ware in een tooversprookje; zijn lot scheen hem
't benijdenswaardigste van alle stervelingen toe. Elken dag vond hij
'n nieuwe be
[146:]
koorlijkheid in
zijn verloofde; zij liet zich verwennen en nam, wat zij als haar roeping
beschouwde, een bloem, een mooie, geurige bloem te zijn, ernstig op.
Ieder werd door haar uiterlijk alleen reeds verrukt en gestreeld. Haar
zang dwong ieders bewondering af, en zij scheen zoo gelukkig, zoo blijde
van te leven, bemind te zijn en te beminnen, dat zelfs ouden van dagen
zich door haar tegenwoordigheid gekoesterd en verwarmd gevoelden.
Niemand was er, die met Reinouts geluk geen instemming voelde, of hem
zelfs niet benijdde. Zulke meisjes, verzekerden vele, vindt men slechts
op platen of in boeken, en Alda nam die hulde als iets natuurlijks aan,
als iets dat haar en geen ander van rechtswege toekwam.
De maanden vóór het huwelijk gingen snel om; als zij niet
in den Haag was, werd er druk gecorrespondeerd, maar Reinout, overgelukkig
met Alda's liefdevolle, geestige brieven, vermoedde niet, dat zijn geliefde
iederen keer als zij hem weer schrijven moest, wanhopig aan Judith's
lessenaar zat, een brievenboek voor minnende harten, dat zij beneden
in de la van de meid had gevonden, voor haar liggend, om daaruit een
brief samen te rijgen, dien zij uit eigen vinding onmogelijk kon voltooien.
Eindelijk als het boek van voren naar achteren doorgesnuffeld was, zonder
dat zij iets toepasselijks vinden kon, werd de pen gebruikt tot het
teekenen van allerlei mannetjes en vrouwtjes, die maar niet de rol van
kaboutertjes vervullen wilden om den brief af te maken.
"Tante Ju, tante Ju! help me eens even, heel eventjes."
Judith kwam, zag en eindigde gewoonlijk met het klad van den geheelen
brief op te stellen, dat dan door Alda zeer netjes, zooveel mogelijk
zonder fouten, werd overgeschreven.
Reinout vermoedde er niets van en voegde Alda's
[147:]
prachtigen stijl
bij de lange reeks volmaaktheden, waarop zij zich beroemen mocht; Alda
wachtte zich wel hem van zijn dwaling te genezen.
Het tijdstip, voor het huwelijk bepaald, naderde al meer en meer.
De onzekerheid, waarin men verkeerde ten opzichte van haar vader, gaf
eenige moeielijkheden.
De tenor Laurent Jager, genaamd Delmarès, werd door advertentiën
in eenige groote buitenlandsche bladen opgeroepen om zijn tegenwoordige
woonplaats op te geven en zoo hij overleden mocht zijn, werd ieder die
er meer van wist verzocht daarvan aangifte te doen ten raadhuite van
Westveld.
Er kwam echter niets; dus werden de gewone formaliteiten vervuld en
voor 't laatst ging Alda naar Den Haag, waar het bovenhuisje, snoezig
als 't kooitje van een colibri, het jonge gelukkige paar wachtte.
't Zou echter een poosje duren, vóór zij er in trokken;
onmiddellijk na 't huwelijk gingen zij op tante Judith's kosten een
huwelijksreis maken naar Zwitserland en daarna eerst konden de Haagsche
wittebroodsweken beginnen.
Men bood het bruidspaar verscheidene feesten aan, en dokter van Steeland
gaf, op verlangen zijner dochters, na den ondertrouw nog een groot diner,
waarvoor zelfs tante Johanna, Judith en haar vader over moesten komen.
Alda werd, nu men zooveel werk van haar maakte, in de oogen harer familie
een heel andere persoonlijkheid dan vroeger en zoo tante Theresia nog.
geleefd had, zou zij misschien met wat minder geringschatting op het
zigeunerkind hebben neergezien.
Na het diner reed het gezelschap naar Scheveningen, en daar werd de
jonge bruid verzocht haar stem in de muziekkamer van het Badhotel te
laten hooren.
Zij gaf dadelijk toe zonder zich te laten bidden en zong heerlijker
dan ooit de Casta Diva, uit Norma.
[148:]
Het terras voor
de zaal liep vol gasten; een heer, vrij gezet, van middelbaren leeftijd
in een fluweelen jas, met kostbare diamanten doekspeld op de das en
iets in zijn geheele houding, dat de désinvoltura van den artist
verried, gaf zijn bewondering in luide uitroepen lucht.
"WIe is toch die chanteuse? Een ster in de kunstwereld?" vroeg
hij aan een anderen logé in het Fransch.
"Och neen, zij behoort tot een deftige familie; zij is de vrouw
of de bruid van den jongen advocaat van Steeland."
"Jammer," zuchtte de kunstenaar, "daar is een groot talent
aan verloren gegaan. Een weinig meer studie en zij zou een beroemde
diva zijn geworden."
En hij verwijderde zich als had hij 't hart niet langer een gave te
genieten, die veroordeeld was, verborgen te worden in een stil huiselijk
leven.
Eenige dagen later vertrok de geheele familie van Steeland naar Westveld,
waar het huwelijk zou plaats hebben.
De stad was natuurlijk in rep en roer om de gasten te zien afhalen,
aankomen, door de straten wandelen.
't Huis Hagen was vol drukte en beweging. Tante Johanna keek scheel
van hoofdpijn en wist niets te regelen, zoodat deze zware taak geheel
op Judith rustte; zij kweet er zich goed van, zooals van alles, waarop
zij zich ernstig toelegde.
Alda nam de eer waar van het salon, dat voor 't eerst prijkte met het
nieuwe tapijt, waaraan Johanna en Judith zoovele jaren hadden besteed.
't Was haar goed toevertrouwd, verder moest zij natuurlijk Reinout ook
het aandeel geven van haar gezelschap, waarop hij onophoudelijk zijn
rechten deed gelden.
Daags vóór het huwelijk drong hij bij haar aan de drukte
wat te ontvluchten en samen een wandeling te doen. Zij volgde hem gaarne,
hij ging met haar de
[149:]
stad uit en richtte
zijn schreden naar 't huis, waar hij vroeger in de kost was geweest.
"O foei, het kerkhof!" zeide zij met een allerliefste rilling
van angst.
"Neen, Alda, voor 't laatst wil ik het huis nog zien, waar ik mij
eens zoo kinderachtig ongelukkig voelde en Westveld zoo verwenschte.
Wie had mij toen voorspeld, dat ik hier eens zoo gelukkig, zoo naamloos
gelukkig zou worden?"
"Als ik 't je maar altijd maak, Reinie," fluisterde zij met.
een teederen blik naar hem opziende.
"O, zie me nog dikwijls zoo aan! Meer heb ik niet noodig om gelukkig
te zijn en te blijven, mijn Alda, mijn zoete engel!"
Ze keerden huiswaarts, vol geluk en zaligheid hun levensweg overziende,
die met louter rozen bestrooid scheen en hun niets beloofde dan zonneschijn,
geluk en vrede.
Langs een voetpad kwamen zij den tuin binnen en wandelden langs de perken,
zoo verzonken in hun liefelijke toekomstdroomen, dat zij niet eens Judith
bemerkten, die de laatste doperwten voor 't diner van morgen plukte,
daar niemand er nog aan had gedacht en zij het vlugger kon doen dan
anderen.
Ze gingen langs haar heen en, egoïstisch als alle gelukkigen, letten
zij niet meer op haar donker kleedje, dan of het door een dienstbode
gedragen werd.
Zij stoorde hen niet en keerde huiswaarts, na eerst een langen blik
op het tweetal te hebben geworpen, dat nu in 't prieel ging zitten.
Eens op die bank ach! toen voelde zij niet eens, dat zijn woorden haar
gelukkig stemden, en nu bij de herinnering werd 't haar toch zoo treurig
om het hart.
"Och neen! ik betreur niets," zei de zij, "dat was niet
voor mij, zulk een lot als het hunne; het zou mij vervelen die lieve
praatjes aan te hooren. Minneliederen kon ik nooit lijden, maar wat
mij droef
[150:]
geestig stemt, is
het vooruitzicht hen beiden te verliezen. Reinout, dien ik als een broeder,
Alda, die ik als een kind liefheb. Dat is 't alleen!"
De bruidsstoet was schitterend, de Haagsche dames, vertoonden de rijkste,
meest modieuze toiletten, welke ooit in de Westveldsche kerk gezien
waren.
Judith ging niet mee; Johanna, voor 't eerst in haar leven in een zwart
zijden costuum, dat van tante Theresia afkomstig was, moest bij de bruid
de moederplaats innemen.
Ook Dorus Bruisman, wiens plan op Judith's onneembaar hart een aanval
te wagen, eindelijk rijp was geworden, schitterde bij het diner door
zijn origineelste grappen en bracht door zijn toasten veel tot de algemeene
vroolijkheid bij, want de Haagsche gasten waren in zulk een aangename
stemming, dat zij van harte gaarne zijn vrijbrief om alles te mogen
zeggen, bekrachtigden.
Onder 't diner verdween het jonge paar en reed naar het station, blijde
eindelijk Westveld te verlaten, dat hun thans veel te woelig en te druk
toescheen.
Geen van tweeën vermoedde, dat dien morgen in Scheveningen een
der badgasten, dezelfde op wien Alda's stem zulk een indruk had gemaakt,
bij het lezen van een pas ontvangen brief, heftig opsprong, een kellner
riep en beval voor hem dadelijk een rijtuig te doen inspannen.
"Naar Den Haag zoo spoedig mogelijk," riep hij, "naar
het postkantoor"; hier vroeg hij het adres van den jongen advocaat
van Steeland. Natuurlijk stond het huis leeg, maar in het modewinkeltje
beneden was de juffrouw dadelijk tot alle mogelijke inlichtingen bereid.
"Vandaag of morgen trouwde mijnheer en was dus zeker op dit oogenblik
niet op een cliënt zoo erg gesteld, als hij 't anders zou wezen.
Ze hIeven lang weg, zeker een maand; of mijnheer zijn adres wilde opgeven?"
[151:]
"Hoe heet
de bruid?" vroeg de Franschman.
"Dat zouden ze zien, op de huwelijksannonce!"
't Duurde lang, voor dat deze te voorschijn kwam, 't winkelmeisje had
er de helft van afgescheurd voor een kladje, de datum was juist weg,
maar de naam stond er in volle letters:
Reinout van Steeland en Aldegonde Jager, genaamd Delmarès.
"Sacrebleu," bulderde op vervaarlijken toon de zonderlinge
man, en de vriendelijke dame geen groet waardig keurend, stoof hij den
winkel uit, de vigelante in en gaf bevel naar de Staatsspoor te rijden.
Hij moest nog eenigen tijd wachten voor dat de trein vertrok en bracht
die oogenblikken in de grootste spanning door.
Eindelijk kon hij vertrekken en kwam in den laten namiddag te Westveld
aan.
"Naar 't eerste hotel," luidde zijn commando aan den koetsier
en deze bracht hem naar den Gouden Leeuw.
Voorkomend als altijd begon de waard den deftigen mijnheer de fraaiste
kamer aan te bieden, doch deze was er nog niet van gediend. Hij bestelde
een biefstukje en terwijl hij dit wachtte, reed er een elegant ledig
koetsje voorbij, waarachter zich de Westveldsehe straatjeugd verdrong.
"Daar is 't jonge paar mee vertrokken," zeide er een.
Plotseling stond de gast aan het raam.
"Is hier een bruiloft geweest?" vroeg hij haastig in 't Duitsch.
"Ja, mijnheer, en een deftige ook, de kleindochter van den betaalmeester
is met een Haagschen advocaat getrouwd en dat rijtuigje heeft hen naar
't station gebracht."
"Met den trein, waarmee ik aankwam zijn ze vertrokken! O fataliteit!"
en met een tragische beweging wierp hij zijn servet op den grond en
nam het hoofd
[152:]
in beide handen.
De waard zag die bewegingen natuurlijk met de grootste bevreemding aan
en vreesde dat zijn gast niet wel bij het hoofd was.
Na eenigen tijd op en neer gewandeld en zijn hart in allerlei uitroepen
lucht te hebben gegeven, ging hij weer zitten, bladerde een spoorwegboekje
door en vroeg intusschen, waarheen het jonge paar gereisd was.
"Naar Zwitserland," antwoordde snel de dochter uit het logement,
die goed op de hoogte was.
Eenigen tijd bleef hij bladeren en zoeken: eindelijk ging hij er toe
over zijn biefstuk te eten en gaf daarna bevel een rijtuig voor den
eerst naar Den Haag vertrekkenden trein gereed te houden.
In dien tusschentijd maakte hij door de straten een wandeling als kende
hij de stad van ouds en vertrok een uurtje later, zonder de nieuwsgierigheid
van den hotelhouder en zijn gasten in 't minst te hebben bevredigd.