XV.
Na 't eten was Judith
naar haar kamer gevlucht; over een uur zou Reinout komen theedrinken
en nu zocht zij de eenzaamheid. Waarom, zij wist het zelf niet!
Ja, zij had hem afgewezen, vier, vijf malen en nog gaf hij den moed
niet op; hoe treurig zag hij er niet uit, hoe ternedergeslagen! Neen,
zij mocht niet weigeren, want de verantwoordelijkheid was te zwaar!
[129:]
Als zij bleef weigeren
hem ter zijde te staan, wie weet, wat hij nog zou doen?
En welke reden had zij eigenlijk om hem af te wijzen? Dat zij ouder
was, maar dat wist hij lang genoeg, dat zij niet in zijn omgeving paste,
hij had tijd in overvloed gehad dit zelf te bemerken. Hij kende haar
door en door en toch drong hij aan op haar hand; kon het haar toekomst
dan niet zijn? Mocht zij niet evengoed aanspraak maken op levensgeluk
als alle andere vrouwen? 't Was alleen haar geleerdheid, die haar op
een hooger en daarom eenzaam voetstuk stelde onder andere vrouwen. Welnu,
zij nam deze plaats aan, en Reinout versmaadde haar niet daarom. Waarom
zou ze dan blijven weigeren?
Alda trad de kamer in.
"Tante, lieve tante, kom toch niet beneden in dat nare, zwarte
vel van u; wat zal oom Reinout daarvan zeggen? Och, laat mij u kleeden
in uw paarse japon; de rouw over tante Trees heeft lang genoeg geduurd
en daarbij violet is demi- deuil - en dan mijn mooie guipure kraag.
Laat mij u toiletteeren, en draag dat haar niet zoo in bandeaux; och,
ik bid u, laat mij begaan!"
"Gekke meid, wat verzin je?"
Maar de glimlach van de tante was juist geschikt het nichtje aan te
moedigen.
"Waar zijn uw sleutels? Ik zal maar dadelijk beginnen. Oom Reinout
moet u mooi vinden en dan zal ik wel zorgen dat hij weet aan wie hij
die vermooiing te danken heeft."
En waarlijk bracht Alda het zoover dat Judith er in toestemde haar raad
te volgen en haar hulp aan te nemen, maar toen Alda een rood strikje
tusschen haar donkere lokken wilde steken weigerde tante bepaald.
"Neen," zeide ze, "dat zou te gek wezen; 't is al erg
genoeg."
[130:]
Zij wierp een blik
in den spiegel, iets wat zij anders hoogst zelden deed en glimlachte;
bij 't vallende licht vielen gelaat en houding haar niet erg tegen.
"Ik maak geen toilet," zeide Alda, "ik ben zoo mooi genoeg.
Naar de kip op hooge pooten kijkt hij toch niet."
Toen de beide meisjes beneden kwamen, zat tante Johanna voor de theetafel
als eenige dame tusschen drie heeren, want Dorus Bruisman was met Reinout
tegelijk binnengekomen.
"Ha, groot toilet! zie ik," begon Dorus al dadelijk, sapperloot
juffrouw... Abigail! u doet uw nichtje ondienst met dat prachtige toilet.
Zeg 'reis Reinout, wie van de twee zou men nu voor de tante aanzien?"
Reinout echter vond die vraag niet moeilijk; tante Theresia's erfenis
wierp in Dorus' oogen op Judith een glans, die met Alda's schoonheid
niet te vergelijken was, maar ach, dat fel paarse costuum deed Judith's
teint nog geler schijnen. Daarbij was de manier, waarop Alda haar het
haar had opgemaakt wel nieuwmodisch genoeg, maar volstrekt niet geschikt
haar te flatteeren.
En zij zelf stond er naast, stralend en zonnig als een licht-fee; 't
contrast moest ouderen en wijzeren dan Reinout opvallen. Hij kon zich
niet verzadigen aan de liefelijke verschijning, die alles rondom haar
in schaduw stelde.
Maar Judith merkte het niet; Reinout was stil en de arme schreef dit
toe aan haar afwijzing. Met vreugde dacht zij er aan, hoe een enkel
woord zijn stemming geheel zou veranderen; wanneer zou zij het uitspreken?
Onder de thee, terwij] Dorus altijd voortging haar met zijn laffe galanterieën
te vervolgen, verzocht Judith, Alda te zingen. 't Meisje voldeed onmiddellijk
aan haar verzoek. Reinout plaatste zich achter haar en sloeg de bladen
om. Zij verzocht hem echter
[131:]
heen te gaan, daar
't haar hinderde iemand achter zich te weten.
"Ik zing als een vogeltje," zeide ze heel bescheiden, "'t
is niets dan natuur, u is zeker een echte kenner, maar u moet mijn zang
niet naar de regelen der kunst beoordeelen."
En zij begon een Ständchen van Schubert te kweelen; haar gouden
stem klonk betooverend door het vertrek. Zij kwinkelde werkelijk als
een vogeltje, maar welke nachtegaal had met haar den kamp aangedurfd?
"Nou, als dat Liebchen nog niet wakker is, dan lijkt het me een
echte slaapkop," merkte Dorus aan toen ze geëindigd had, waarop
grootpapa begon te lachen en tante Johanna te giegelen.
Reinout had hen allen wel tot eeuwig zwijgen willen veroordeelen, en
opstaande maakte hij Alda zijn compliment.
"Kan ik u met nog één lied plezier doen?" vroeg
zij, "ach, 't gebeurt mij zoo zelden iemand met mijn stem plezier
te doen."
"Ze zijn niet waard zulk een talent in hun midden te hebben,"
antwoordde hij, evenals zij sotto-voce; Alda, kleurde van genoegen en
vond het in haar binnenste nog eens zoo jammer, dat die knappe jongen
meer dan half geëngageerd was met haar geleerde, oude tante.
Zij zong twee, driemaal achter elkander totdat haar grootpapa, zeide:
"Nu is 't genoeg! Johanna sluit de piano!"
In 't voorbijgaan wierp Alda nog een weemoedigen blik op Reinout en
zette zich toen met neergeslagen oogen op haar eerste plaats neder.
Jidith oomerkte nog niets van Reinouts stemming, zelfs niet toen hij
kort daarop afscheid nam.
"Hê, dames," sprak Dorus, "we moesten morgen eens
met de schuit naar den Gouden Appel varen. We hebben dit plan al tien
zomers lang gehad, dus
[132:]
wordt het wel tijd,
dunkt mij, dat het eens tot uitvoering komt. Van Steeland kan zeker
goed roeien?"
En zoo werd besloten dat men den volgenden dag vroeg zou eten en daarna
een watertochtje maken; tante Johanna moest meegaan.
"Dat hoort zoo," verzekerde Dorus, "je moest ook meegaan
en als haar cavalier dienst doen, Hagen."
"Dank je wel," was 't droge antwoord, "hoe ouder, hoe
gekker!"
"Nu, dan blijft het arme schelpje Johanna ongepaard. Wij zijn beiden
voorzien, hè van Steeland?"
Toen Judith op haar kamer kwam, was haar stemming van vóór
de thee verdwenen; waardoor was die verandering gekomen? Zij wist het
zelf niet; dat Reinout bijzondere aandacht wijdde aan haar nichtje,
was niet in haar opgekomen, maar meer dan ooit twijfelde zij er aan,
of het gewone geluk der vrouwen wel voor haar was weggelegd.
Reinout sloot dien nacht geen oog; stormenderhand had Alda zich meester
gemaakt van zijn geest of zijn hart, dat kon hij niet beslissen. Sloot
hij zijn oogen, haar gestalte zweefde voor zijn herinnering en Judith
was achteruit gedrongen, ver achteruit.
Hij kon geen rust vinden en bleef voor het geopende raam staan om zijn
verhit gelaat af te koelen; waar was zijn kalm overleg gebleven, waar
die liefde, welke hij zoo standvastig en ernstig meende?
"Zij heeft gelijk, zij is te oud voor mij; elken dag maakt haar
zichtbaar ouder, terwijl ik nog niet eens mijn volle kracht heb bereikt,"
zoo troostte hij zich.
Ook over zijn gevoelens ten opzichte van Alda was hij in lang niet gerust.
Wie had hem ooit voorspeld dat hij op het eerste gezicht door een meisje
zou geboeid worden, hij, die Romeo en Julia en onware komedie vond en
niet geloofde aan Romeo's ontrouw tegenover Rosaline en zijn vurigen
plotseling opgekomen hartstocht voor Julia. Hij, die ontkende dat een
man, of hij moest
[133:]
een zwakkeling
zijn, alleen door schoonheid kon overwonnen worden.
Maar haar stem, haar hemelsche stem! Onophoudelijk klonk hem die in
de ooren; wat zou hij doen? Zich losrukken van de betoovering? Judith
alles bekennen?
't Schaamrood bedekte zijn wangen; dat had zij immers vooruit gezien,
hem altijd voorspeld, van den eersten keer, dat hij over liefde had
gesproken.
't Eenvoudigste zou zijn, wanneer hij zijn gewonen gang volgde, deelnemen
aan het roeipartijtje, nog eens met Judith spreken, haar afwijzing ontvangen
en dan vluchten om nooit meer in Westveld terug te keeren.
Een geheime stem fluisterde wel dat het beter zou zijn 's morgens dat
gesprek met Judith te voeren en niet aan het watertochtje deel te nemen,
maar deze stem werd onmiddellijk tot zwijgen gebracht.
Groot was immers reeds het offer, dat hij bracht den geheelen morgen
niet bij de Hagens te verschijnen.
Eindelijk tegen twee uur schelde hij aan en werd in de huiskamer gelaten.
Tante Theresia zou nooit in de verwarring hebben toegestemd, die thans
in het vertrek heerschte. Johanna en Judith waren aan het broodjes klaar
maken en raakten ze in een groote schoolkalebas, Dorus was heel rustig
aan 't in orde brengen van zijn vischtuig; papa Hagen zat nog op zijn
kantoor, Alda aan haar toilet.
Judith groette Reinout vriendelijk en maakte bij zichzelf de opmerking
dat hij er bleek uitzag. Dorus vroeg hem of hij van hengelen hield en
op zijn ontkennend antwoord voegde hij er doodleuk bij, terwijl Judith
even de kamer uit was:
'"Naar visschen bedoel ik, weet je, niet naar half oude juffers,
die mooie erfenissen hebben gekregen."
Reinout sprong op als had een adder hem gestoken.
[134:]
"Mjnheer,
mag ik u raden: welke bedoeling u met die zoogenaamde aardigheid heeft?"
"St, st! Niet zoo kwaadaardig, zie je niet dat tante Johanna er
heel van verschiet? Ik heb geen bedoeling, ik vraag je maar alleen,
of je een vriend bent van hengelen naar heusche visschen, weet je; ik
ben er dol op, en als je dat ook bent, moeten we zorgen niet in mekaars
vaarwater te komen. Johanna, zusje, heb je ook een korst brood voor
me?"
Een stem als muziek deed zich in de gang hooren.
"Och tante Ju, zoo pik in't zwart! Wat zal ik daarbij afsteken;
zal ik me niet liever omkleeden?"
't Antwoord was zeker niet afgewacht toen Alda vlak achter haar tante
binnentrad; Reinout voelde zich beurtelings rood en bleek worden, terwijl
zijn hart onstuimig klopte. Dit was hem tegenover Judith nooit gebeurd,
maar Alda was dan ook zoo onweerstaanbaar frisch en mooi in haar fijn
wit jurkje met bloemen bezaaid; een groote stroohoed, omkranst met veldbloemen,
gracieus op haar volle dikke lokken en in de hand een Japanschen waaIer,
waaraan zij haar bevalligste bewegingen mededeelde.
Aan Judith's opmerkzaam oog ontging de verandering niet op Reinout's
gelaat, en voor 't eerst steeg een vaag vermoeden der waarheid in haar
geest op.
"En nu gaan we vertrekken. Kan ik u ook helpen, tante?"
""Dat had je eerder kunnen vragen," zegt tante Johanna,"
antwoordde meneer Dorus, "wel meid, heb je de schuit van baas Timmers
omgedraaid, met bloemen omwonden, en toen op je hoofd gezet? Nou, je
bent niet zonder hoofddeksel, hoor!"
"Vindt u? Elk zijn eigen hoofddeksel, niet waar, meneer Dorus?"
gaf zij schalks ten antwoord.
"Bravo!" riep Reinout uit het volle van zijn hart en zij fluisterde
hem in't voorbijgaan toe:
"Ik heb mijn réparties nog niet verleerd! Was dat
[135:]
maar 't eenige,
dat me overgebleven is van mijn enfant-terrible-tijd!"
Eindelijk begaf men zich op weg.
Reinout wilde naast Judith loopen, maar Bruisman belette hem dit en
daar tante Johanna haar anderen arm niet losliet, was hij wel in de
noodzakelijkheid Alda gezelschap te houden.
In 't bootje begon tante Johanna spoedig erg benauwd te kijken en klemde
zich weer aan haar nicht vast. Alda lachte om haar angst en verklaarde,
dat zij niemand naast zich wilde hebben dan de manden proviand, maar
wist zich toch zoo te plaatsen, dat zij altijd in 't gezicht van Reinout
bleef. Onderweg was zij uitgelaten van vroolijkheid.
"Ach, ik ben zoo weinig pleizier gewoon," wist zij Reinout
alleen toe te voegen, "ik weet niet, wat mij overkomt," en
Reinout rilde bij de gedachte, dat dit frissche, levenslustige meisje
ook jaar in jaar uit zou wegkwijnen in het sombere huis, waar ook Judith
haar jeugd had gelaten.
Zij hield haar hand onophoudelijk in 't water, dat zij op deed parelen
langs haar blanken arm, tot grooten schrik van tante Johanna, die kleine
gilletjes slaakte en bang was, dat Gontje in de rivier vallen zou.
"Tante, als u me nog eens Gontje noemt, doe ik 't zeker,"
dreigde zij, "'t kost mij weinig moeite, zie maar!" en zij
boog zich geheel over den rand der boot.
"Och Gon
Alda, Alda, ik bid je, wees voorzichtig! Heer, de
boot gaat op zij... Daar valt het kind!"
"Kom, kom, zus Johanna! Wees bedaard. Alda heeft nog te veel schik
in haar leven om te zien hoe 't bij de visschen toegaat," kalmeerde
Dorus.
"Ja, dat heb ik ook, vandaag ten minste. Ik heb zoo weinig noodig
om gelukkig te zijn, wat zonneschijn, wat vroolijkheid."
"Een omgekeerde schuit met blauwe korenbloemen er op
"
"Ja, dat vooral, meneer Dorus! Misgunt u mij dit
[136:]
plezier ook, tante
Judith, u die altijd beweert, dat een mensch op de wereld niet is om
zijn pret te zoeken?"
Neen, misgunnen deed Judith haar dit genot niet; wat zou zij niet hebben
gegeven om gelijk Alda onbezorgd vroolijk te kunnen zijn, en toch, zij
voelde zich nu weer evenals voor jaren in Den Haag misplaatst.
De zonnige vroolijkheid van 't meisje deed haar zich zelve beschouwen
als in schaduw gezeten.
Dorus zat aan het roer, Reinout roeide op de maat, die Alda met haar
waaier sloeg.
"Wil u niet zingen?" vroeg hij haar, "'t Zou zoo prachtig
klinken over het water."
"Neen, ik zing niet bij daglicht," was 't besliste antwoord.
"Als 't je blieft, niet," verzocht Dorus, "je maakt mijn
visschen maar aan het schrikken."
"U is toch niet van plan hier al uw hengel uit te gooien?"
"O neen, maar 't wordt daar ginds gauw genoeg bekend, welk luidruchtig
gezelschap in aantocht is."
"Dat is beter dan zingen," riep Alda plots, zegepralend beide
handen met kersen gevuld in de hoogte houdend.
"O Gon
Alda, die zijn voor vanavond bestemd," jammerde
tante J ohanna wanhopend, doch 't was te laat.
"Meneer Dorus, als 't u belieft." en hij kreeg twee kersen
tegen den neus, "mijnheer van Steeland, de voortzetting van onze
sneeuwbalpartij."
"Ondeugend nest," snauwde Dorus, terwijl Reinout de riemen
liet vallen en zijn kersen naar haar terug wierp; zij boog zich en verborg
haar gelaat tusschen de rokken der tantes; Johanna gilde het uit.
"Ach, we slaan om! We slaan om!"
En Judith zelfs zeide ernstig genoeg:
"Wees toch wat bedaard, Alda! Denk dat we niet op vasten wal zijn."
[137:]
"Wanneer de
jongejuffrouw zoo graag kennis met de visschen maken wil, zal ik haar
wel gelegenheid daartoe geven, zonder dat de anderen die liefhebberij
behoeven te deelen," maar hij had nog niet uitgesproken of daar
vloog weer een kers tegen zijn pruik.
"Nu gaat het te ver!" barstte hij uit. "Judith, kan je
dat kind met tot rede brengen? We hadden haar stil thuis moeten laten."
"Ja, dan was 't eerst recht amusant geweest," antwoordde zij,
sterk door Reinout's lachen, maar toen veranderde zij van houding, presenteerde
het gezelschap, behalve Dorus, de overige kersen op haar waaier en stak,
als ware er niets gebeurd, haar hand weder in het water.
"Men kan den komediantenaard er ieder oogenblik uit proeven,"
knorde Dorus, alleen voor zichzelf verstaanbaar.
Een oogenblik later kwamen zij in de buitenherberg aan, tot groote vreugd
van tante Johanna. Alda's eerste zorg was te zien of schommel en wipplank
in orde waren.
Dadelijk was Reinout haar ter zijde, zonder zich te bekommeren over
de manden proviand, onder welker last Dorus haast bezweek.
"Nu, als die twee het niet eens worden," dacht hij en er werd
hem plotseling een steen van het hart gewenteld.
Ook Reinout was tot andere gedachten gekomen; de toespeling van Dorus
had hem gewezen op een omstandigheid, waaraan hij nog niet gedacht had,
met de weinige berekening der jeugd, wanneer 't op geldzaken aankomt.
Judith was rijk; waaraan zou zijn dringend verzoek om haar hand anders
toegeschreven worden dan aan haar rijkdom? Niet iedereen wist, dat hij
reeds drie laren geleden, toen tante Theresia nog leefde, haar t eerst
gevraagd had. Ook zijzelf scheen er niet aan te denken zijn liefde een
minder edelen oorsprong toe
[138:]
te kennen, maar
de wereld? En eensklaps kreeg hij de overtuiging, dat hij zichzelf en
Judith niet mocht blootstellen aan zulk een lage verdenking als vischte
hij naar een erfenis, terwijl zij slechts om 't geld getrouwd werd.
Nu was alles veranderd; hij maakte er zich geen gewetensbezwaar meer
van, met Alda te lachen en te dollen, terwijl Dorus rustig aan 't hengelen
was over het hek der veranda, waar Johanna en Judith recht oude vrijsterachtig
haar kopje thee kalmpjes dronken.
Alda had bloemen geplukt en Reinout hielp haar bouquetten maken; hun
vroolijk gelach steeds harmonisch samen en sprak van mets dan van jeugd
en levenslust. Judith en Johanna keuvelden over de beste soorten koffie
en Dorus over de gewoonten der verschillende visschen. Recht grappig,
scheen het, want de waardin, die aan de deur luisterde, schaterde het
uit van lachen en tante Johanna giegelde in koor mee.
Toen de avond viel, keerde men huiswaarts; Dorus, die Alda niet meer
toesnauwde, wist te bewerken, dat het jonge paar naast elkander achteruit
kwam te zitten. Hij zou roeien; stroomafwaarts ging het zoo gemakkelijk;
men had niet eens het roer noodig.
Alda liet zich niet bidden en zong schooner dan ooit, eerst "I'Ondine
du Rhin", waarvan de trillers verre over het water gleden, later
"l'Automne", zielsbedroefd, als ware zij de teringlijder,
die van 't leven, dat hem niets had geschonken, afscheid nam.
Reinout was geheel bewondering en verrukking; zelfs Dorus werd er stil
van, terwijl Johanna zacht het hoofd liet zakken en, gewiegd als ze
werd door het kalm dobberen van 't schuitje en de zoete tonen der muziek,
zachtkens indommelde.
Ook Judith zat stil en onbewegelijk. Elk woord vond weerklank in haar
ziel. Ja, ook voor haar was de zomer om en wat had zij er van gezien,
wat genoten? In een hoog vertrek met gesloten ramen had zij gezeten,
[139:]
zonder te waardeeren,
of zelfs te vermoeden, hoe heerlijk lente en zomer kunnen zijn, en nu
zij buiten kwam, was het reeds herfst geworden.
De maan scheen helder, toen zij naar huis gingen.
Reinout en Alda gearmd, vertrouwelijk keuvelend vooruit, Dorus beladen
met de leege manden en zijn hengel, die hem geen enkelen visch had opgeleverd;
Judith, met tante Johanna zwaar aan haar arm hangend, sloot den stoet.
Bij de deur namen zij afscheid, een uur later lag Alda te slapen. Reinout
had haar verklaard, dat er niets, waarlijk niets bestond tusschen hem
en tante Judith, maar, dat hij eerst nu wist, wat dichters bedoelen
met liefde en lente Judith rustte nog niet; de slaap ontvluchtte haar.
Neen, zij betreurde het niet dat Reinout's oogen waren opengegaan; altijd
had zij het gedacht en gezegd. 't Was zoo beter, voor beiden misschien,
want Alda was nog jong en kon geheel veranderen door den invloed van
een verstandigen man, maar toch, er kwamen tranen in haar oogen.