XVII.
Zij dwaalden aan
de oevers van het meer van Genève, in het liefelijke Vevey met
zijn gouden torens, alleen met hun geluk, waarmede alles scheen in te
stemmen, de heerlijke natuur, het zonnelicht, de bloemengeuren, ja,
zelfs de sneeuwwitte bergtoppen, die majestueus uit de verte nederblikten
op het blauwe water, waar een jong en gelukkig paar de eerste dagen
van hun huwelijksleven wijdde aan louter poëzie en liefde.
Reinout en Alda meenden dat alles zich zoo mooi en frisch tooide ter
eere van hen alleen. Tegen den avond slechts werd het hun op den vasten
wal te druk, te woelig, te benauwd, er waren er meer, die van hun gedachte
schenen en de poëzie, waarvoor
[153:]
zij nu geheel en
al leefden, liep gevaar in banaal proza te veranderen. Dan daalden zij
af naar het meer, stapten in een gondel en lieten zich op het water
zacht wiegelen, tot de maan achter de wijnbergen waarschuwend verscheen.
Die liefelijke, zoete droom scheen geen einde te kunnen nemen.
"Mijn Alda," vroeg hij dan, "had je ooit geloofd dat
de aarde en het leven zoo heerlijk konden zijn?"
"Neen, Reinout," antwoordde zij oprecht en dacht met een rilling
terug aan het sombere huis van haar grootvader, aan de breikous van
tante Johanna, de boeken van Judith, den regen, die eentonig langs de
ruiten op de eenzame straat druppelde.
"Wat ontbreekt er aan dit leven om er een hemel van te maken?"
"Niets."
"Toch wel, Alda, 't kan niet eeuwig duren. Het heeft een einde."
"Ach kom!"
"Maar we betreuren het niet, Alda, de werkelijkheid begint spoedig,
maar die zal ook benijdenswaardig zijn. De poëzie, die we nu doorleven,
zal haar schitterenden gloed werpen op onze huwelijksjaren, nog lang,
zeer lang na onze jeugd, zelfs tot onzen ouderdom. De plichten, die
we te vervullen hebben, zullen toch nog gemakkelijk en zoet zijn, als
de liefde ze helpt dragen."
Alda glimlachte, maar antwoordde niet; de woorden "plicht en dragen"
behoorden niet tot de lievelingen uit haar dictionnaire, maar Reinout
was te gelukkig, te betooverd om op te merken, dat zij weinig of geen
echo gaf op zijn geestdrift. Haar lach immers sprak tot zijn ziel meer
dan woorden en hij twijfelde niet, of in haar gemoed trilden dezelfde
snaren.
"Neen, zoo effen en gemakkelijk zal onze levensweg niet altijd
blijven," ging hij voort, "maar mijn schattevrouwtje, al komen
er ook donkere dagen, wij hebben
[154:]
de herinnering
aan 't geluk, dat er op aarde te genieten valt, en wat ook veranderen
moge, niet onze liefde, niet onze trouw. 't Is zoo troostvol te denken,
dat we voortaan alles samen zullen genieten en lijden."
"Och, Reinie, altijd moet je weer zoo Judithachtig praten; ik zie
niet. in, waarom we nu aan donkere dagen moeten denken. We zijn beiden
immers jong en gezond, we hebben geen geldnood, dus alles lacht ons
toe, waarom moeten wij dan zulke sombere voorgevoelens scheppen?"
"Sombere voorgevoelens schep ik niet, Alda, integendeel zelfs de
beproevingen, die niemand op aarde ontgaan kan, schijnen me minder afschrikwekkend,
minder treurig toe, nu ik de zekerheid heb dat wij ze samen zullen doorstaan."
"En ik wil er niet aan denken, neen, ik weet wat somberheid is,
somberheid en eentonigheid. Die zullen we nooit meer ondervinden, niet
waar, Reinout?"
"Neen, Alda, je zult licht hebben en lucht, alles wat een bloem
noodig heeft om zich te ontwikkelen."
"En dan zal 't bloempje ook mooi zijn en geuren alleen voor jou,
voor jou alleen, en 't vogeltje zingt ook voor jou alleen!"
En zij strekte haar hand met een bevallige beweging naar Reinout uit
en meer dan ooit scheen hem de wereld een Eden.
De witte ijsbergen kleurden zich in het zachte avondrood; als reusachtige
rozen verschenen zij aan den bleek-blauwen hemel, de naaste heuvelen
stonden in vuur en vlam. Met verrukking staarden beiden het trotsche
schouwspel aan, maar Reinout's blik dwaalde onmiddellijk af naar het
gelaat zijner vrouw, wier schitterende blankheid ook door een laatsten
zonnestraal teeder gekleurd werd.
"Alda", fluisterde hij, "hoe groot is God in Zijn schepping,
hoe schittert Zijn goedheid en Almacht daar ginds op die reusachtige
Alpentoppen, maar hoe ledig, hoe eenzaam zou het zijn, wanneer Hij zijn
[155:]
zon niet toestond
te schijnen op het schoonste dat Hij schiep, mooier dan het meer, mooier
dan de Alpen, op mijn vrouw, mijn engel!"
"Je wordt dichter," lachte zij.
"Ja, ik begrijp nu eerst den dichter, die verklaarde dat de natuur
hem 't bekoorlijkste toescheen, weerspiegeld als zij werd in de oogen
der beminde vrouw."
"Och hoe aardig! Zeg, zie je dat in mijn oogen?"
Zij opende ze wijd en Reinout staarde er in, buiten zichzelf van geluk;
misschien zag hij er niet veel in, maar hij verbeeldde zich door te
dringen tot in het diepste van haar onschuldige, reine kinderziel om
daar parelen te vinden
"Zal ik je nu wat voorzingen, nu de bergen langzamerhand hun blos
verliezen en er grauwen grijs uitzien als oude vrouwtjes," vroeg
zij, teeder op hem geleund.
"Laat ons dan wat verder gaan, verder op 't meer!"
"O foei, Reinie, je bent jaloersch, je bent bang dat men aan den
oever mijn stem zal hooren."
"Ja, dat ben ik ook, Alda! Ik alleen wil jou hooren, voor mij alleen
wil je immers zingen en voor niemand anders."
"Dat doe ik immers, maar laat ons niet verder gaan, ik ben bang;
het meer is diep en verraderlijk, ik ben te gelukkig om nu al te sterven."
"Zooals je wilt!"
"Heb je het liever niet?"
"Toch wel, je weet hoe je stem mij na je zelf 't dierbaarste ter
wereld is, maar onverschilligen daarover te hooren spreken en oordeelen,
dat vermijd ik liever!"
"Hoe dwaasl We bekommeren ons om niemand anders. Hooren zij 't,
goed, zoo niet, tant mieux! Kom, ik moet zingen, ik kan niet anders,
het zal hier heerlijk klinken over het ruime water."
En zij begon; in zilveren golven ruischten haar tonen over het kalme,
zacht gerimpelde meer; zij zong vol
[156:]
geestdrift en bezieling,
maar Reinout's blikken waren niet onverdeeld op haar gericht, hij zag
dat de wandelaars op de kade stilstonden en luisterden; dat stoorde
zijn genot.
Toen zij geëindigd had, wierp zij een onverschilligen blik naar
het land, waar men duidelijk handgeklap en bravo's hoorde.
"'t Is hier goddelijk zingen; ik zou 't den heelen nacht onafgebroken
kunnen doen."
"Neen, neen, Alda, het vermoeit je. Je moet je stem bewaren voor
mij, als we te huis zijn."
"Kom, gekheid, je bent een dwaze jongen! Een ander zou trotsch
wezen op een vrouw, die de algemeene bewondering opwekte, maar jij sloot
haar 't liefst op als een Turksche in het serail."
"Misschien wel, Alda! 't Is zonderling, ik beken 't, maar zoo ben
ik. Of anderen je bewonderen is me natuurlijk niet onverschillig, maar
in de eerste plaats moet je alleen voor mij zingen en mooi zijn."
"En doe ik dat niet? Foei, je bent een tyran!" en zij wierp
hem een paar bloemen uit het bouquet, dat zij in de hand hield, naar
't hoofd.
"Dien avond hadt je er toch niets tegen, dat de Westvelders mij
hoorden, je weet wel dien avond toen we naar den Appel roeiden en je
zoo stil was, nog niet besloten, wie je zoudt kiezen, de wijze Judith
of de dolle Alda."
"O, die onvergetelijke avond!"
"Heerlijker dan nu?"
"Neen, Alda, neen!"
"Toen ontbrak Judith niet, Judith, die je zoo goed begrijpt, beter
dan ik... Als je met haar op 't meer dobberdet, hoeveel geleerde herinneringen
zou je dan niet oproepen, in plaats van mijn bakvischpraatjes aan te
hooren."
't Antwoord van Reinout bevatte echter geen hartstochtelijke verklaring
van het tegendeel; peinzend staarde hij voor zich uit en mompelde:
[157:]
"Arme Judith!"
"Betreur je haar?"
"Neen, ik beklaag de arme, die haar leven in een duffe studeercel
doorbrengt, niets weet, niets kent van het rijke, volle menschenleven,
en 't zelfs niet meer verlangt te kennen."
"Aan wie de schuld? Zij is rijk genoeg om te reizen en het leven
te genieten, maar ze houdt teveel van den gewonen gang."
"Ja, ze is vreemd geworden aan beweging en menschen; wat anderen
verrukt, maakt haar gedrukt en verward."
"Ach, wat ze uitgestaan heeft in de drukke dagen voor ons huwelijk,
ze zag er ontdaan van uit; ze zal de gasten met droge oogen hebben zien
vertrekken. Ons deed ze zelfs koel uitgeleide. Zij heeft nooit van je
gehouden, Reinie!"
"Neen, ook dat vermogen heeft zij verloren; wanneer ze hier was,
zij zou Byron aanhalen, Rousseau gedenken en misschien de schoonheid
van den avond voorbij zien: de boeken hebben bij haar alles vervangen,
het warme, rijke leven."
Ondertusschen kwamen de sterren op en spiegelden zich een voor een in
het vloeibare kristal, dat het tweetal droeg. In 't verschiet de zacht
gebogen oevers, bezaaid met villa's, wijnranken en tuinen, het eiland
Chillon met zijn van willekeur en geweld sprekende torens, de Rhöne,
als een wild, ontembaar kind zich voor een oogenblik in den schoot van
zijn teedere moeder het meef' werpend. Alles dreigde over te gaan in
een eentonig, zacht blauwgrijs, en Reinout citeerde:
Lake Leman woos
me with its crystal face.
The mirror where the stars and mountains view,
The stillness of their aspect in each trace
lts clear depth yields of their far height and hue.
[158:]
Clear placid Leman,'
thy contrasted lake,
With the wild world I dwelt in, is a thing,
Which warns me, with its stillness to forsake
Earth's troubled waters lor a purer spring!
"Arme Byron,
hij kon in 't meer niets anders bewonderen, dan het contrast tusschen
de zoete kalmte en den storm, die in zijn borst woedde. Welke verzen
zoude hij geschreven hebben, wanneer hij als ik hier had gezworven,
aan de zijde van een andere Alda!"
"Was die mijnheer dan niet getrouwd?"
"Ja, maar hij was van zijn vrouw gescheiden."
"O foei, hoe is dat mogelijk, als men eens getrouwd is. Waarom
waren ze gescheiden, konden ze niet met elkaar overweg?"
"Later zal ik je zijn geschiedenis vertellen. Alda, nu wordt het
onze tijd; jij hebt geen shawl bij je, we gaan terug."
"Ja, en tot belooning voor je mooie verzen krijg je nog een stukje."
En zij zong "Am Meere" van Schubert.
Reinout besloot de verstandigste te zijn en zich niet jaloersch op haar
stem te toonen. Het lieve kind dacht immers zelf aan niets, hij zou
door zijn dwaze wenschen slechts de onschuld verstoren van haar reine
gemoed en toen ze geëindigd had, sloeg hij teeder zijn arm om haar
heen en fluisterde tusschen zijn kussen:
"O mijn zoete nachtegaal, bij jou is 't altijd zonneschijn en lente!"
"Dat ten minste kon Judith je niet geven," lachte zij.
Op de door platanen overschaduwde promenade, die de rij hotels van het
meer scheidt, stonden verscheidene gasten, die hun wandeling hadden
gestaakt om het gezang der jonge dame aan te hooren.
Toen zij langs hen ging, op Reinouts arm geleund, weken zij eerbiedig
ter zijde en groetten. Alda's hartje zwol van trots en zij nam de hulde
aan als iets, wat
[159:]
haar van rechtswege
toekwam. Reinout maakte geen opmerking, ook zijn ijdelheid was ondanks
zich zelf gestreeld, maar hij sprak er toch geen woord over.
"Reinie," vroeg ze, toen ze de vestibule van hun hotel doorgingen,
"ben je bang, dat men mij ijdel maakt?"
"Neen Alda, integendeel."
"Kom, je bent bang dat mijn aard bovenkomt; dit is het geheim van
je angst, als zouden te velen mij bewonderen. Bon Bang ne peut mentir,
heb je vroeger eens gezegd, toen ik nog een facheuse troisième
was in je tête à têtes met Judith. Ik heb 't wel
verstaan."
Aan het trillen van den arm, waarop zij rustte, voelde Alda, dat hij
ontroerd was; inderdaad, elke toespeling op Alda's afkomst was hem,
den echten Hollander, onaangenaam.
"'t Was een dwaas gezegde, dat je vergeten moet, Alda," zeide
hij, "de opvoeding heeft ook veel, zeer veel te zeggen; zij overwint
onze neigingen en verandert den grondtoon van 't karakter."
"Dus je bent niet bang, dat de oude Eva weer bij me opkomt?"
"Neen, zoolang jij veilig op je Adam steunen kunt."
Zij lachte vroolijk.
"Ik plaag je zoo gaarne, Reinie, als je zoowat Judithachtig bent:
geen wonder, zoo meesteres, zoo leerling."
Ze kwamen in hun kamer, die uitzicht gaf op den tuin, de promenade en
het meer. Alda gaf het verlangen te kennen wat te rusten en Reinout
wilde van dien wensch gebruik maken om aan 't postkantoor te hooren,
of er ook brieven voor hem gekomen waren.
Alda trok een van haar fijne met borduursels en kant opgemaakte, witte
négligés aan; ook in haar huistoiletten was 't een van
haar ernstige zorgen er altijd hoogst elegant uit te zien. Na eenigen
tijd aan dat gewichtige werk te hebben besteed, draaide zij de lamp
zeer laag, opende de balkondeur, legde zich
[160:]
gemakkelijk op
een chaise longue neer en liet zich naar hartelust ceschijnen door de
stralen der maan, die in vollen glans op haar neerstroomden.
Zij liet droomend de oogen dwalen over het heerlijke gezicht aan haar
voeten en bedacht hoe heel anders nu haar leven was dan een jaar te
voren. Wie had het haar voorspeld, toen zij daar voor haar examen studeeren
moest in dat allerakeligste Westveld, dat ze nu aan 't meer van Genève
zou liggen droomen in een peignoir, versierd met echte kant - want dat
hoorde ook tot de genoegens van het leven - reizen met een allerliefsten
jongen man, wiens eenige fout het was, dat hij te veel van haar hield
en daarom onverstandig kon zijn.
"Op die manier zal ik heel weinig hebben aan mijn mooie stem,"
dacht zij; "'t is hem onaangenaam dat ik voor anderen zing! Waarom
toch? Ik blijf immers altijd zijn vrouw en hij behoeft niet te vreezen
dat hij mij ooit verliest. Ik begrijp 't niet; die herinneringen aan
mijn eerste jeugd hinderen hem. 't Moet toch een onuitsprekelijk genot
zijn zoo te zingen voor een groot publiek, dat je door je stem in geestdrift
brengt; ik zou 't spoedig kunnen, maar het zal nooit gebeuren, dat is
wel een schaduwzijde van mijn geluk. Helaas! op de wereld is niets volmaakt!"
En met deze philosophische beschouwing wilde Alda haar gedachtenreeks
als geëindigd beschouwen en wendde 't gelaat een weinig ter zijde
om een beetje te kunnen slapen, gestreeld door het fluweelachtig koeltje,
dat het meer haar toezond, gekust door de zilveren stralen der maan,
en er aan denkend hoe lief zij lag en hoe Reinout het verrukkelijk zou
vinden, toen er bescheiden aan de deur werd getikt.
"Entrez," zeide ze, zich half oprichtend; de femme de chambre
kwam mevrouw waarschuwen, dat er een heer was, die beweerde mevrouw
van vroeger te kennen en nu onmiddellijk haar spreken moest.
[161:]
"Mijn man
is niet thuis, Kan die heer geen oogenblik wachten?" vroeg Alda
een weinig wantrouwend, want zij was zeer vreesachtig van aard.
"Neen, hij moet mevrouw spreken en dadelijk!" zoo drong zij
aan,
"O God, als Reinout maar geen ongeluk overkomen is, Laat hem binnenkomen,
Elise!"
Zij stond op, maakte de lamp lichter, zoodat het vertrek er helder uitzag
en liet de stores werktuiglijk vallen. Dit alles was juist gedaan toen
er weer aan de deur geklopt werd en een heer binnentrad, die zwijgend
tot in het midden der kamer voortging,
Alda stond aan de angere zijde der tafel in afwachtende houding; zij
zag er uit als een koningin, die audiëntie verleent, in haar sneeuwwit
lang slepend gewaad, dat haar als in een wolk van kant hulde; 't prachtige
haar eenvoudig opgemaakt en geslingerd om een hooge, barnstenen kam,
dezelfde barnsteenen als een ketting haar witten hals versierend. De
oogen van den vreemdeling rustten met een zonderlinge uitdrukking op
de liefelijke verschijning.
Hij scheen naar woorden te zoeken, terwijl zijn blik onafgewend en als
met magnetische kracht op haar gevestigd bleef. Eindelijk steeg de aandoening
bij hem hooger, hij snelde vooruit en een enkel woord baande zich een
weg door zijn toegeschroefde keel:
"I Nini, ma Nini!`
Die naam riep voor Alda's geest een andere reeds lang in de nevelen
van 't verleden begraven wereld op, in jaren had niemand haar meer zoo
genoemd, maar die stem klonk haar nog bekend in de ooren als jaren geleden,
toen zij zoo gaarne aan de hand liep van den man, die alleen haar zoo
noemde.
Als verstomd bleef zij staan, de handen aan de tafel geklemd, de oogen
wijd geopend, en toen hij op klagenden toon vroeg:
"Nini, tu ne me reconnais plus?"
[162:]
Toen was de laatste
band, die haar herinneringsvermogen nog gevangen hield, verbroken en
zij wierp zich in de armen, door den vreemdeling voor haar geopend,
met den luiden kreet van haar jeugd:
"Petit père, petit père chéri! '
Hij drukte haar onstuimig aan het hart, maar zij trachtte zich los te
maken; na de eerste opgewondenheid ondervond zij niet veel meer van
haar kinderlijk gevoel tegenover den man, die haar vreemd was geworden.
Zij zag hem aan, en herkende het gelaat, dat zij zoo vaak in haar droomen
had gezien; maar de rosse haren waren dunner geworden en bijna heel
wit, de oogleden, gezwollen door het gestadig gebruik van zwartsel en
blanket en het flikkeren van het voetlicht, gaven niet veel meer te
zien van den zielvollen blik, die Suzanne eens bekoord had. Zijn voorheen
mager, lang gelaat was nu vol en rond geworden. Zijn gestalte vertoonde,
evenals bij de meeste tenors, een groote neiging tot het zwaarlijvige,
een neiging, die door allerlei kunstmiddelen in bedwang moest gehouden
worden, om van den ridderlijken Fernand of den hongerlijdenden Edgar
geen karikatuur te maken.
Maar toch twijfelde Alda geen oogenblik, of de man, aan wiens hart zij
gerust had, was haar lang gemiste vader.
"O kind, wat ben je mooi geworden," zeide hij, met veel vertoon
zijn oogen afwisschende, "en wat een stem!"
"Vader!" voegde zij hem verwijtend toe, "waarom heeft
u mij vergeten in al die jaren?"
"Ik heb je met vergeten, kind! Ach, je weet niet hoeveel je vader
nacht en dag aan je heeft gedacht en geleden, maar ik ben lang weg geweest
in Amerika en Australië; op mijn brieven kreeg ik geen antwoord.
Ze zijn zeker verloren geraakt; en ook ik dacht: Mijn eenig kind heeft
mij vergeten."
"Neen vader, dat nooit."
[163:]
"Haar bloedverwanten
hebben haar niet geleerd in liefde aan mij te denken."
"Voor mij juist een reden om het des te meer te doen, vader,"
en het kopje werd trotsch in den nek geworpen.
"Zij heeft de denkbeelden van haar omgeving aangenomen, zij schaamt
zich over haar afkomst, over haar vader den komediant, over de dwaasheid
van haar moeder... mijn aangebeden, nooit vergeten Suzon
"
Hij begon te snikken, iets waarvan hij een groote gemakkelijkheid bezat
om het ten allen tijde te kunnen doen en Alda, aangestoken door het
voorbeeld, verborg ook het gelaat achter den zakdoek.
"Zij schaamde zich voor mij, ik was er zeker van. Misschien zoude
ik een beletsel zijn voor haar geluk "
"O vader, als u wist hoe dikwijls ik naar u verlangd heb, maar
ik beschouwde u als dood. Bij mijn huwelijk heeft men u te vergeefs
opgeroepen in verschillende couranten!"
"Fataliteit! Ik zie nooit couranten in; ze vervelen mij, want altijd
hetzelfde over mij te lezen, dat walgt op het laatst; en al had ik ze
gelezen, ik zou hebben gedacht, mijn kind kan gelukkig zonder mij, ik
wil niet dat haar bruidegom zich over mij heeft te schamen, want,"
ging hij op dramatischen toon voort
"Ik heb ook mijn trots, Nini; mijn naam wordt in bewondering door
drie werelddeelen genoemd. Heb je nooit gehoord van Renzoni, den helden-tenor?"
"Vader," riep Alda met schitterende oogen, "is u Renzoni?"
"Ja, onder dien naam heb ik roem verworven, maar geluk? Eenzaam
is mijn leven geweest, na Suzan's dood."
Alda was zoo naïef dit volkomen te gelooven en zag met bewondering
haar vader aan; in stilte had zij met Renzoni gedweept over wien zij
veel gelezen
[164:]
en gehoord had,
maar hem te zien of te hooren, dacht zij een onmogelijke illusie.
"Dan is u wereldberoemd, vader, en wie zou zich over u schamen?"
"Zal je man 't niet doen, Alda, want helaas! je bent niet vrij
meer, je bent getrouwd."
Alda zweeg; ja, hoe zou Reinout het heugelijk feit van den weergevonden
vader opnemen, en zijn familie?
"Getrouwd; ik kwam te laat! Ach, ik ben altijd ongelukkig geweest
in familiezaken! Te Scheveningen op het terras hoorde ik voor 't eerst
je wondervolle stem. "Wie is die zangeres," vroeg ik. "De
bruid van advocaat van Steeland!" Ik betreurde het dat zulk een
talent verloren dreigde te gaan in de dagelijksche beslommeringen van
een hollandsch burgerlijk, huisbakken leven, maar welk recht had ik
mij te dringen in de zaken van een mij geheel vreemd paar? Alleen de
artist leed in mij, doch op den morgen van je huwelijk ontving ik een
brief van een vriend, die mij mededeelde, dat ik opgeroepen was de toestemming
te geven tot het huwelijk van mijn dochter met den advocaat van Steeland.
De naam kwam mij bekend voor en de gedachte drong zich op in mijn brein;
"Die zangeres en mijn Nini zijn dezelfde." ik zocht zekerheid
en snelde toen naar Westveld."
"Had u het huwelijk willen beletten?"
"Ik wilde je tenminste voorhouden wat je door dat huwelijk opofferde,
welke toekomst vol glans en rijkdom. Dan hadt je kunnen kiezen tusschen
hetgeen ik je geven kon of die advocaat. Maar als altijd was ik te laat;
je waart vertrokken met den trein, waarmede ik aankwam. De sterren hebben
het niet gewild."
"Wanneer u eerder waart gekomen
"
"Zou je mij gevolgd zijn, zou je je familie hebben verlaten om
je toe te wijden aan 't tooneel?"
"'t Was mijn liefste wensch!"
"Nini! en ik heb dat verzuimd; nu is het te laat, te laat!"
[165:]
"Ja, onherstelbaar
te laat."
"Je bemint je man zeker op zijn Hollandsch?'"
"Hoe bedoelt u dat?"
"Wel op de wijze die de meeste huwelijken in dat koude, mistige
land doet sluiten; je verveelde je thuis, arme Suzon, ik weet hoe dat
te huis was, en zonder haar uitdrukkelijken wil had ik je niet meer
daaraan toevertrouwd, ik zou me niet van je gescheiden hebben - je verveelde
je daar, je zag weinig mannen. Eén, door je schoonheid bekoord,
bood je zijn hand aan. De familie was er niet tegen, het vervelende
huis kon je verlaten voor Den Haag, een bewoonbare stad, de bruidsdagen
hebben veel aantrekkelijks, evenals de huwelijksreis. Dan kom je thuis,
zet je thee, maakt boterhammetjes voor je man, later voor je kinderen,
bestelt vleesch, houdt gezellige avondjes en wordt oud vóór
je het weet! Is dat je verleden niet, zal dat je toekomst niet zijn,
Nini, voor jou, die alles hebt ontvangen om te schitteren, te overwinnen,
die, als een tweede Patti, bedekt met kransen en juweelen, bewonderd,
gevierd, bewierookt, de wereld aan je voeten zoudt zien? Dat had ik
je kunnen geven, mijn kind!"
Als u niet te laat waart gekomen! Och vader, spreek niet verder; 't
helpt niets meer. Ik ben Reinout's vrouw, om die toekomst heb ik mijn
geheime wenschen verzaakt, want ik miste eIken steun, elke hulp om ze
ten uitvoer te brengen. Nu ben ik getrouwd en moet mijn bestemming volgen.
Maak mijn toekomst niet donkerder, door uw schildering van wat had kunnen
wezen en vooral spreek er mijn man niet over."
"Je man, denk je dat ik hem ontmoeten wij? De man, die misbruik
heeft gemaakt van je onschuld, ik zou haast zeggen, je onnoozelheid?
Ik haat dien man; hij heeft mij mijn eenig kind ontroofd!"
"Vader, dat is onrechtvaardig; 't was mijn vrije wil en hij heeft
mij zoo innig lief."
[166:]
"Maar jij,
bemin je hem ook?"
"O zeker," antwoordde zij koel; want zij voelde het nu met
betreurenswaardige helderheid: een leven zonder Reinout was haar met
zoo grauw toegeschenen als het zich nu voordeed naast het schitterende
lot dat haar vader beloofde.
"Arm kind, arm kind! Ik ga je verlaten vóór dat hij
komt, ik wil hem niet spreken; zeg hem ook niet dat ik hier geweest
ben. 't Is beter dat alles te beschouwen als met gebeurd. Waartoe dient
het? Mijn Nini, mijn eenig dierbaar kind, vaarwel! Zeg, wil je mij zien
en hooren? Den volgenden Donderdag zal ik voor jou een buitengewone
voorstelling in 't nieuwe theatergebouw van Genève geven. Kom
mij hooren en schrijf me aan 't bureau van de komedie, waar ik je nog
eens kan spreken voor 't laatst!"
Zijn stem scheen in tranen te verstikken, toen hij tot afscheid haar
nogmaals omhelsde en bij 't heengaan voegde hij er bij:
"Ik moet je nog eens zien, dierbaar kind, maar vooral je stem hooren!
O, welke diva had ik van je gemaakt!"
Hij was weg en liet zijn dochter, als uit een droom ontwakend, achter;
nu eerst viel 't haar in, dat Reinout langer wegbleef dan anders; hoe
gelukkig, dat hij onder het gesprek niet binnengekomen was!
Haar vader had gelijk: Reinout behoefde nIets te weten; hij zou slechts
minachting over hebben voor den armen man, die zich in jaren niet om
zijn dochter bekommerd had, helaas! buiten zijn schuld. Een allerliefste
actrice had hem eerst geboeid en in haar gevolg meegenomen naar Amerika,
later waren er weer andere beslommeringen gekomen, maar dat kon hij
toch niet uitleggen aan het lieve kind. Wat hij nu reeds gezegd had,
zou die echt hollandsche Reinout zeker kwalijk opnemen, misschien noemde
hij 't wel kortweg "tweedracht zaaien tusschen een gelukkig paar",
en dat was 't niet.
[167:]
Haar vader meende
het zoo goed, arme, goede man! Kon hij 't helpen, dat hij te laat kwam,
zijn beweegredenen waren zoo edel!
Alda blies de lamp nu geheel uit, want dan kon Reinout haar ontroerd
gelaat niet zoo dadelijk zien, en nam haar plaats op de sofa langzaam
weer in.
Haar gedachten waren vervuld van het pas gehoorde.
"Ach ja, mijn roeping was 't zeker, en menschen . die hun roeping
niet vervullen, worden ongelukkig; zal ik 't dan ook zijn, ongelukkig?"
En 't arme schepseltje kromp ineen bij de vreeselijke gedachte, ongelukkig
te zijn; wie waren er ongelukkig?
Die ellendige bedelares, Judith's beschermeling in Westveld en Judith
zelf,. die zij beklaagde, maar die 't zelf niet vond.
De vlugge stap van Reinout naderde, hij kwam binnen en riep verwonderd:
"AIda, waar zit je? In 't donker en ik hoorde dat je visite hadt."
Zij werd er koud van en besloot eerst te onderzoeken, wat hij wist.
"Wie heeft je dat gezegd?"
"Elise, die me tegenkwam."
"Elise is vrij brutaal; waarom ben je zoo lang weggebleven?"
"Och, de post is al gesloten en 't weer was zoo heerlijk. Ik ben
met dien ouden Spanjaard aan het praten geraakt; ik kon niet van hem
afkomen, daarbij dacht ik, dat je blij zoudet zijn een beetje te kunnen
rusten."
"'t Is niet lief mij zoo lang alleetl te laten in een wildvreemd
hotel."
"Maar wie was die bezoeker? Heeft iemand je beleedigd?"
"'t Is de moeite niet waard er over te spreken; ik zal je raad
volgen en nooit meer in het publiek zingen. Maak je dus met boos; het
was een muziekmeester
die zich aanbood mij in den zang te volmaken."
[168:]
Dit was wel de
eerste leugen niet, waaraan Alda zich bezondigde, maar toch een van
de ergste en zij zegende de duisternis, die Reinout belette het vuur
te zien, waarin haar gelaat bij 't uitspreken dier woorden stond.
Hij knielde naast haar stoel neder en zeide op eenigszins zegevierend
en toon:
"Zie je wel, wat een mooien triomf je behaald hebt; nu komen ze
je nog lessen aanbieden, alsof je die noodig hadt. Heb je hem op zijn
plaats gezet?"
"En of!"
"En was hij indringend?"
"Dat niet, beleefd genoeg!"
"Bleef hij lang?"
"Och neen, een oogenblik! Ik hield het licht aan, maar ik heb 't
na zijn vertrek uitgedraaid, want 't 'is niet voorzichtig als men alleen
te huis is, zoo den vuurtoren te spelen, dat trekt zulke indringers."
"Wil je dat ik dien man er over aanspreek?"
"Wel neen, 't was om 't geld te doen en anders niet; als je er
bij waart geweest, had ik 't natuurlijk liever gehad."
Een oogenblik later werd het souper binnengebracht; Reinout vergat spoedig
het voorgevallene, maar Alda was geheel vervuld door de onverwachte
ontmoeting en leende slechts een verstrooid oor aan zijn vroolijk gepraat.