XI.
Twee jaren zijn
voorbijgegaan.
't Is weer zomer, een heldere, buitengewoon warme zomerdag, en nu tegen
zonsondergang is men geneigd de hitte dankbaar te zijn, die, afgekoeld
door een frisch windje, den heerlijksten avond belooft.
Judith was met haar werk en boeken op een der vermolmde planken gaan
zitten, die het ameublement van 't prieel uitmaakten; 't was daar een
aangenaam plekje, niettegenstaande het zeer primitieve ameublement.
De rivier kabbelde eentonig tusschen haar hooge
[96:]
oevers, die dicht
met varens, hoog gras en zelfs bloemen waren begroeid; de wilde rozen,
die het prieel met haar losse, ongebreidelde ranken omslingerden, stonden
allen in bloei en gaven dus iets landelijks en schilderachtigs aan dit
hoekje van den prozaïschen tuin. Judith had een handwerkje op den
schoot, maar zij werkte niet, een boek lag voor haar, doch zij las evenmin.
De indruk, door haar Haagsche reis teweeggebracht, was wel uitgewischt,
maar toch de invloed, door haar kortstondig ontwaken veroorzaakt, liet
zich nu en dan gevoelen.
Zij droomde dikwijls, iets wat haar vroeger nooit anders overkwam, dan
in den slaap: overigens was zij nog steeds dezelfde, evenals alles rondom
haar.
Misschien was haar gelaatskleur nog matter, haar oog nog dieper geworden
en de peinzende trek om haar mond ernstiger, maar ouder werd Judith
niet meer, evenmin als de schaduwen rondom haar.
Zij wierp nu en dan een blik naar beneden, waar tusschen het gras een
licht rokje schemerde.
"Voorzichtig, Alda!" riep zij een enkelen keer en nam haar
naald weer op.
"Tante, er zijn hier zooveel mooie bloemen; dat is een straf voor
de oude tantes, die in hun tuin de bloempjes niet toe willen laten;
hier komen ze naar hartelust op."
Alda was gegroeid, te veel in den laatsten tijd voor haar korte japonnen,
want zooals ze daar nu stond tusschen het hooge gras scheen ze wel op
stelten te gaan, zoo was alles haar te kort geworden.
Haar weelderig haar werd zoo goed mogelijk in bedwang gehouden door
pomade en door een stijve vlecht, doch overal wrong het zich los en
krulde en sprong op, dat het een lust was om te zien. Zij was sedert
een paar dagen met vacantie, maar spoedig moest zij weer weg. Schoolvriendinnen
betwistten elkander het voorrecht haar bij zich te hebben; tante There
[97:]
sia gunde dien vriendinnen
van harte gaarne het genoegen van haar tegenwoordigheid; maar voor haar
toilet moest eerst gezorgd worden en daarom bleef ze nu langer dan eerst
het plan was.
Een stap deed zich op 't kiezelzand hooren.
"Hé, tante!" riep Alda en wees naar de richting van
't huis.
"Wat is er, kind?"
"U krijgt visite, u weet wel, die mijnheer, die vroeger straf van
zijn papa had en bij u op de kamer werken moest; daar komt hij aan."
Judith keerde zich om en een blos van genoegen bedekte haar wangen.
"Wat wordt u rood, tante," riep het meisje, "en wat staat
u dat goed, precies een sneeuwpop, waarop de zon schijnt!"
Geërgerd wilde Judith haar 't zwijgen opleggen, maar zij was tusschen
het groen verdwenen en Reinout in reiskleeding stond voor haar.
Hij was in die twee jaren forscher en breeder, geheel en al een man
geworden; zijn blonde knevel en zelfs baard waren reeds goed op weg
zich aan de menschheid te vertoonen. Doch het was nog zijn oude stem,
die haar hartelijk toeriep:
"Judith, wat zeg je er van? Hadt je mij verwacht?"
"Neen, Reinout! Dat had ik niet durven hopen! Welkom in ons oude
Westveld!"
"Kan ik hier zitten? 't Is er wrak, maar 't doet er niet toe."
"Zal ik een stoel van binnen halen?"
"Neen, neen! Blijf hier! Ik ben er al geweest: de tantes zijn uit
- wat een wonder - en papa zit op zijn kantoor. Dus ben ik maar naar
den tuin gegaan, wetende je hier te vinden. 't Is toch vooral om jou
dat ik terug kom."
"Je bent al twee jaren weg geweest? Waar blijft de tijd?"
"Pas twee jaar en ik verbeeldde me dat het er al
[98:]
tien waren. Ik
moest de plaats terugzien waar ik een jaar van mijn leven als balling
heb doorgebracht; niets is er veranderd. En jij ook, Judith, altijd
dezelfde, altijd studeerend, altijd stikkend? "Les jours se passent
et se ressemblent" geldt toch zeker voor jou. Maar altijd tevreden?"
"Altijd?"
En zij zag droomend voor zich uit.
"Ik tracht het ten minste altijd te zijn, Reinout!"
"En geen lust meer om een tweede kijkje te nemen in de werkelijke
wereld?"
"Ach neen! Die is niet voor mij! Die eene blik heeft den vrede
van mijn hart voor langen tijd gestoord, en daarom vrees ik haar weer
van nabij te zien."
"Den vrede? Den vrede, maar zijn we dan op aarde om vrede? De vrede
is voor de dooden, maar niet voor ons levenden."
"'t Is toch de eerste voorwaarde tot het geluk."
"Wat, zijn hart versteenen, om niet te kunnen voelen, is dat geluk,
is dat vrede? Neen, daarvoor zijn we niet geschapen; onze ziel moet
zich kunnen verheffen boven het alledaagsche, zij moet zich van haar
eigen bestaan bewust gevoelen, zelfs door tranen en zuchten, door een
bloedigen strijd, maar wat jij vrede noemt, Judith, is de rust van den
dood."
"Denk je dat het koop en van dien vrede geen strijd kost, Reinout?"
"Dan heb je dien strijd eerst nu geleerd; vroeger was je die heel
onbekend en daarom vind ik je toch veranderd, Judith! Je bent beter,
wil ik niet zeggen, maar meer mensch dan vroeger."
"Daarom vind je het zeker goed om dadelijk weer een discussie te
beginnen, nadat wij vijf minuten samen zijn?"
"Ja ik kom je wat prikkelen, je rustig, kalm gemoed weer in storm
zetten, terwijl ik zelf bij je rust zoek."
[99:]
"Heb jij je
dan zoo vermoeid?"
"Och, ik heb goed gewerkt, maar ook goed pret gemaakt, zie je.
Ik heb mijn candidaats gedaan; over twee jaar hoop ik mijn doctoraal
te doen en dan te promoveeren. Die afwisseling van studie en pret heeft
me vermoeid; en dan het groote verdriet, dat me dezen winter heeft bezocht."
"Ach ja, je goede moeder!"
"'t Heeft mij diep, zeer diep getroffen, maar je brieven hebben
me veel goed gedaan, Judith," en hij drukte haar hand, "jou
sympathie was mij zoo zoet!"
"Kom je nu van huis?"
"Ja; bij ons lijkt het me uitgestorven toe. De zusters nemen het
huishouden waar, maar 't is er een volslagen republiek. Jeannette beslist
dit en Mina dat; soms komt Lucie brommen en dat geeft hooge woorden.
Ik kon 't er niet uithouden en besloot dus een voetreis te maken door
den Hartz en in 't voorbijgaan jou te bezoeken."
"Ik dank je, Reinout, dat je nog aan ons denkt."
"Jazeker aan ons, aan tante Johanna en mijnheer Dorus er bij; ja
allen! Denk je dat ik ooit die uurtjes vergeet, op jouw kamer doorgebracht?
Ik was toen op een gevaarlijk keerpunt, Judith, dat zie ik nu beter
in dan toen. Je hebt mij gered."
Zij glimlachte en antwoordde kalm:
"Voor mij waren die uren niet minder aangenaam; den volgenden winter
voelde ik me zeer eenzaam!"
En zij dacht met schrik terug aan die lange uren, welke zij niet verkorten
kon noch door de studie, die haar geen belang inboezemde, noch door
handwerken, die haar verveelden.
"Wees verzekerd, dat ik er veel aan dacht, zelfs terwijl ik de
dolste pret had
"
Een bouquet van varens en veldbloemen viel hem plots op den schoot.
"Van wie komt die hulde," vroeg hij rondkijkend.
[100:]
"Ik had dat
kind heel vergeten. Alda is hier."
"Zoo was de stem, die ik daar straks hoorde, van dat enfant terrible?
Is ze opgeknapt? Waar steekt ze ergens?"
Juist aan zijn voeten verscheen een rood kopje; Alda was de helling
opgeklauterd en hield zich aan den rand vast.
"Oom Reinout," lachte zij.
"Oom, oom! hoe kom je daaraan? vroeg Judith.
"Dat zal ik u straks zeggen, tante Judith. Dien sneeuwbal van twee
jaren geleden heb ik je nog niet betaald gezet, oom; daarom kreeg je
nu dat bouquet en ook nog om wat anders, maar dat durf ik niet teggen."
"Nu, nichtje, daar ik toch absoluut je oom moet heeten, zal ik
me er aan onderwerpen... ik heb je bouquet liever dan je sneeuwballen."
"Kom, sta nu maar op, Alda, en bederf je japon niet door zoo in
't gras te liggen."
"Dat wil ik juist. 't Is schande van de tantes mij met zulke kleederen
te laten loopen, maar wacht eens! Zoodra ik bij papa ben en op 't theater
speel, krijg ik japonnen aan met zoo'n sleep en een kroon op 't hoofd.
"Word je dan theaterprinses?"
"Ja, eerst prinses in de komedie tot er een werkelijke prins komt
en mij trouwt. Dat gebeurt immers dikwijls, tante?"
"Hoe weet je dat?"
"Ik heb 't gelezen in een mooi, dik boek!"
"Wat dat kind al niet leest! Als ik met haar opvoeding belast was,
ging ze niet naar school terug, maar ik hield haar bij mij."
"Ajakkes, tante!'
"Dat zou toch veel beter voor je zijn, nichtje! Tante Judith heeft
er veel meer slag van met je om te gaan dan die mattres en kameraden
van je."
"Ze verwennen haar geheel en al. Er is maar een
[101:]
beperkt aantal
meisjes waarvan zij vroeger de jongste was en nu een van de oudste;
zij heeft er alles te zeggen."
"Ik ben graag op school, en als ik hier moest blijven zou ik zoo
hard schreeuwen, dat grootpapa en de heele oude tante me direkt wegzonden.
Bah foei, is me dit een huis? 't Is of er hier altijd een lijk boven
aarde staat."
Reinout lachte, Judith keek ernstig.
"Hoe zal 't gaan, als je voor goed thuis komnen moet, Alda? Want
eens gebeurt dit toch, dat weet je wel!"
"Dan loop ik weg! Naar papa, en dan word ik komediant."
"Een heel mooi plan, maar het is nog de groote vraag waar je Papa
is. Je hebt in anderhalf jaar geen tijding van hem ontvangen!"
"Goed, dan ga ik zonder papa naar het theater."
"Ben je wel eens in een komedie geweest?"
"O ja, met de Kerstvacantie; toen heb ik gelogeerd bij een vriendin
van me in Rotterdam en we gingen dikwijls naar de opera. Dat is zoo
heerlijk, zoo heerlijk!"
"Zij verloochent haar afkomst niet."
"Tante Theresia moest het eens weten," zuchtte Judith.
"Zal ik eens wat opzeggen, oom?" vroeg het meisje levendig.
"Zingen of declameeren?"
"Mag ze, tante Judith?"
"Ja, als zij daarna zoetjes naar binnen gaat en haar vacantie-werk
maken."
"Naar binnen gaan, wil ik wel, want ik stoor u tooh maar in het
praten en ik ben niet graag ergens te veel. Vacantie-werk maken, dat
is wat anders! En nu opletten hoor!"
Ze ging een paar stappen achteruit, na eerst het bouquet uit Reinout's
handen te hebben genomen, en zong een chansonnette comique met glasheldere
[102:]
stem en een houding,
zooals men die van zulk een jong kind niet zou verwacht hebben.
Het lied werd door declamatie afgewisseld en Reinout wist niet hoe haar
actie en stembuiging te bewonderen.
"Bravo, bravo!" riep hij, "bis!"
Dat liet zij zich geen twee keer zeggen en zong nu een treurig liedje,
zoo zacht en fijn, dat Judith, niet tegenstaande. zij 't haar niet toonen
wilde, er diep door getroffen werd.
"Is 't mooi geweest?" vroeg ze zegepralend.
"Te mooi zou ik zeggen! Heeft tante Theresia je al gehoord?"
"Neen, die weet niet eens dat ik het kan! Ik heb immers aanleg
een tweede Patti te worden."
"Zacht wat, meisje, dat is nu wat te veel inbeelding hebben. Een
Patti wordt men niet dan na lange studie en oefening."
"Die zou ik ook willen hebben; ik heb geen geduld om uren te zitten
suffen op een thema, maar piano, zang en declamatie, o dat is goddelijk!"
"Foei, wat een uitdrukking, Alda! 't Is ongelukkig genoeg dat zij
in niets anders plezier heeft dan in zingen en acteeren, en daardoor
komt het ook, dat zij nog zoo dom is als een zesjarig kind. Haar brieven
zien er erschrikkelijk uit, als zij die ten minste zelf geschreven heeft,
wat zelden gebeurt...."
"Dag tante, dag oom! Ik laat u maar vrij om over mij zooveel kwaad
te spreken als u wil. Ik ga mijn vacantie-werk maken. Ha, ha!"
Zij wipte weg, maar kwam nog even terug:
"Heb ik niet mooi gezongen?"
"Wat een ijdel kind! Ja, mooi heb je wel gezongen, maar de indruk
van 't geheel werd bedorven door je korte kleeren."
"Wacht maar! Mijn lange japon is in de maak; het zal er wel erg
op zijn Westveldsch uitzien, maar
[103:]
't is toch beter
dan dat koordedanserspakje, en koordedanseres word ik niet."
"Een dwaas kind!" zeide Reinout haar nastarend.
"Een arm schepsel! Ach, kon ik haar iets beters geven dan die gevaarlijke
illusiën."
"Zij heeft veel talent!"
"Helaas!"
"Wordt dat ontwikkeld op die school?"
"O ja, misschien te veel, maar hier in huis willen zij er niets
van weten. 't Is de struisvogelpolitiek; zoo lang zij de oogen dicht
houden en niets zien of hooren is er geen gevaar. Ik vind juist dat
stelselmatig zwijgen verkeerd, wanneer zij wil, laat ik haar vrij declameeren
en zingen, en prijs haar zelfs bovendien; ik hoor 't gaarne."
"Zeker, 't is een aangeboren gave. Haar uiterlijk heeft nog niet
veel gewonnen; integendeel, ze is te lang en te mager en maakt den indruk
van een kip op hooge pooten."
"Dat komt ook door de kleeding; zij is nu in den leelijksten tijd;
over een paar jaar zal je zien, dat zelfs de noodlottige gave van schoonheId
haar niet onthouden wordt."
"Noodlottig?"
"Ten minste voor haar. Het is 't grootste voorrecht dat der vrouw
te beurt kan vallen, mooi te zijn, maar ach! hoe sterk moet het voetstuk
wezen, waarop zoo'n mooi beeld staat!"
"Je moest mooi zijn, Judith!"
"De verantwoordelijkheid ware mij te zwaar! Och, Reinout, door
geen enkele andere eigenschap kan de vrouw zooveel invloed uitoefenen
als door haar schoonheid. Wat is daarnaast haar deugd, haar kennis?"
"O, spreek zoo niet, je zoudt met je dwaze theorieën de mannen
tot de onbeduidendste, oppervlakkigste wens der schepping verlaten.
Neen Judith, je overdrijft de macht der schoonheid; ze is zoo vluch
[104:]
tig, zoo verwelkbaar!
Zie, ik zou eigenlijk niet willen dat je mooi waart, zelfs niet eens
mooier dan nu!"
"Waarom zou je dat ook wenschen?"
"Tante Judith, oom Reinout!" riep de heldere stem van Alda,
"de thee is klaar en meneer Dorus wacht!"
"Dat beslist, kom laten we ons haasten."
"Geeft u tante geen arm, oom?" klonk het sarrend.
"Gek kind! Wil je wel zwijgen?
"Waarom toch, Judith! Ik vind haar zoo gek niet? Wil je?"
"Dank je wel! ik heb duizendmaal dien weg alleen gemaakt!"
"Ga 'je met me mee naar den banketbakker taartjes, eten, Alda?"
vroeg Reinout.
"Is dat tot belooning voor mijn mooi stukje of omdat ik oom zeg?"
"Voor beide, nichtje!"
"Ja, ik ga met u mee! Maar eerst moet ik tante wat zeggen!"
En zij sloeg Judith haar lange armen om den hals en fluisterde haar
toe:
"Zeg; tante, heb ik geen gelijk dien mijnheer oom te noemen?"
"Neen, zeker niet, 't is zeer brutaal."
"Och, tante! Spoedig zal ik 't wel moeten zeggen. Hé, mag
ik dan overkomen en krijg ik een licht blauw surah jurkje aan, en vergeet-mij-nietjes
in 't haar? Heusch, tante! ik zal zoet wezen en een mooi stukje uit
het hoofd leeren!"
"Hoe kom je toch aan al die zotteklap! Je mag daar nooit over spreken,
versta je."
"Wat is er toch? Hebben jullie woorden?" vroeg Reinout naderbij
komend.
"Ik geef haar een tantelijke vermaning," antwoordde Judith
min of meer verlegen.
"Ze is toch niet boos, ze heeft het wel graag," gierde het
ondeugende ding en vloog weer den tuin in.