[250:] XX.
Alles liep haar
mee; nog geen week later stierf Ellen Smith; Mac Dunolly scheen de tijding
met ware verlichting te ontvangen, hij volgde de begrafenis en vertelde
zijn vrouw dat de overledene de Engelsche nicht was geweest van Daisy
die haar in den eersten tijd had opgevoed, of liever niet opgevoed.
Zij vroeg niet verder, een bescheidenheid of liever onverschilligheid,
die Mac Dunolly verrukkelijk vond.
Hij raakte hoe langer hoe meer onder den invloed van haar bekoring en
vermoedde niet hoe veel het haar kostte tegenover hem altijd vriendelijkheid
te huichelen, want met den dag steeg haar afkeer van hem en vervulde
haar de gedachte aan den andere. Zoolang haar toestand het veroorloofde
kon zij vrij stil en grillig zijn; haar man vond alles goed en verklaarbaar;
hij verlangde vurig naar een zoon, en ook zij smachtte er naar, maar
om andere redenen dan hij: Eerst als zij moeder was
[251:]
van zijn kind kon
zij in waarheid zijn vermogen het hare noemen, dan behoefde zij zich
niet langer meer geweld aan te doen om door een vertoon van liefheid
hem te boeien en zich onmisbaar te maken.
Wanneer zij zijn stem of stap maar hoorde, verbleekte zij; alles werd
koud in haar en zij had de grootste moeite, een glimlach om haar lippen
te laten spelen, hem de hand of het gelaat toe te steken tot een begroeting;
altijd zag zij Gladys voor zich, die zij zich niet anders kon voorstellen
dan met de trekken van haar zuster en steeds met dien beenigen, langen
vinger als dreigend naar haar uitgestoken. Dan zag zij weer die ontzettende
aanvallen, van woede van vaIIer en dochter, welke hen voor moord en
doodslag niet deden terugdeinzen. Zooals Daisy Willem haast had vermoord,
zoo had hij zijn tweede vrouw behandeld en zoo zou hij ook haar behandelen
als zij hem mishaagde.
ln de lange eenzame uren die zij doorbracht, kon zij aan niets anders
denken en dan verscheen Otto weer voor haar met zijn lieve, zachte oogen,
zijn sympathieke stem, Otto, die slechts smeeken en liefkoozen, nooit
dreigen of schelden kon, Otto, de fijn beschaafde heer, en deze ruwe
barbaar, en dan, voelde zij zich benauwd en opgesloten als een gevangene.Hoe
lang moest die gevangenschap nog duren? Wat had zij gedaan? Nu eerst
begreep zij, wat Willem bedoeld had, met haar Prada te noemen, nu kende
zij de waarde van dat afschuwelijke klatergoud, waaraan zij het echte
goud, dat zij onder haar bereik had, opofferde.
De toekomst zag zij duister dreigend voor zich; zij
[252:]
genoot niets meer
van alles, wat zij eens zoo hoog stelde, onophoudelijk zag zij hem wien
zij alles dankte, voor zich, en boven hem, naast hem stak altijd die
dreigende vinger uit.
Wanneer alles voorbij was, dacht zij, zou het wel beter worden, dan
zou zij weer heerschappij verkrijgen over zichzelf, dan werd zij weer
normaal. Wat hielp het haar nu of zij vrij over geld, rijtuigen, paarden,
bedienden te beschikken had, wanneer zti de macht over zichzelf niet
bezat? Tot nu toe had zij altijd haar gevoelens en gedachten kunnen
behandelen, of het toiletartikelen waren, lintjes en strikjes, die zij
naar welgevallen afdeed en opstak, waarmede zij zich versierde of ze
wegwierp wanneer zij hen moede was geworden; nu echter schenen het slangen,
die zich vastzetten, in haar hoofd, in haar hart overal.
Kennissen had zij genoeg, vrienden, die had zij nooit gehad, nooit nog
voelde zij er behoefte aan, zich uit te storten, zich te geven, bulten
haar eigen kringetje te gaan. Nu zij een geheim te bewaren had, vreesde
zij het meer dan ooit; een koortsachtig zondig verlangen bezielde haar
om vrij te zijn, vrij om lief te hebben, vrij om te beschikken over
haar geld, vrij om dit huis te ontvluchten, vrij vooral om den man nooit
meer te zien aan wien zij zich verkocht had en dien zij nu haar hart
als een monster vreesde en verachtte.
Niets was er wat haar leerde zichzelf te overwinnen; godsdienstige gevoelens
bezat zij volstrekt niet, plichtbesef had men haar nooit geleerd, het
eenige wat haar sterkte uitmaakte, was een overdreven liefde tot zichzelf,
[253:]
een zucht om het
goed te hebben, geacht en bewonderd te worden, niets te hebben wat haar
hinderde.
Eindelijk werd Leonore moeder van een zoon; het geluk van Mac Dunolly
kende geen grenzen. Leonore daarentegen zag verbaasd het kleine, bruine
kind aan, en voelde er niets voor, alleen een soort van inwendigen triomf
omdat zij door dit kleine, onbeduidende wezen een vader nog meer onder
haar macht kreeg. Met een aan aanbidding grenzende liefde overstelpte
Mac Dunolly moeder en kind. Zij nam echter zijn zorgen en geschenken
aan met iets onverschilligs, iets moedeloos dat zij tot zijn groot verdriet
niet van zich wilde afzetten.
Haar doel was, zoodanig ziek te schijnen dat de doktoren haar voorschreven
naar Holland te gaan; bij de eerste toespeling, die zij daarop maakte,
verklaarde Mac Dunolly, dat hij dan zich uit zijne zaken wilde terugtrekken
om haar te vergezellen. Zij waren toch rijk genoeg, hij verlangde naar
rust, naar een ongestoord samenzijn met haar en zijn kinderen.
Dit was voldoende om alle plannen van Leonore weer omver te werpen;
neen! als hij toch bij haar bleef, liever hier dan ginds, hier was zij
ten minste den geheelen dag alleen, daar zou hij altijd om haar zijn
en daar was Daisy en daar zou haar verlangen naar Otto steeds heviger
worden. Neen, dan liever hier, duizendmaal liever hier.
En plotseling legde zij haar kwijnend voorkomen af. Zij wilde genieten
van haar rijkdom, zij wilde schitteren, haar eigen gedachten ontvluchten,
en spoedig was Batavia vervuld over de prachtige toiletten en dure
[254:]
diamanten van mevrouw
Mac Dunolly, over de schitterende receptiën die zij gaf en de bals
en thédansants, waarop de elite van Batavia verscheen.
Vroeger had Mac Dunolly zich altijd buiten het gezellige leven gehouden;
hij leefde en garçon, men wist dat hij daarboven op Salemba een
geheimzinnig huishouden bezat, maar het Indische leven is nu eenmaal
vol mysteries en toen hij zijn dochtertje naar Europa had gebracht en
later terugkwam met zulk een schoone, adellijke vrouw, openden zich
alle kringen als vanzelf voor hem, zoodra men wist dat hij het verlangde,
en waarom zou hij niet verlangen wat zijn mooie Leonore wenschte?
Als zij maar tevreden was, als zij maar glimlachte, als zij hem vriendelijk
begroette, doch hoe weinig gebeurde dit na James' geboorte! Leonore
vond het nu niet meer zoo noodig haar ouden man vóór te
huichelen dat zij hem zoo liefhad en hoogachtte, nu zij hem een geschenk
had gegeven, dat haar zooveel gekost had. Zij zette zich hoe langer
hoe meer op een voetstuk en liet zich door hem vereeren, en hoe ontoegankelijker
zij scheen, hoe meer zijn hartstocht vermeerderde.
Als zij samen verschenen in de opera of op receptiën, dan werden
zij nooit anders genoemd dan "De Schoonheid en het Beest".
Natuurlijk maakte men de Schoonheid druk het hof en zou het nog meer
hebben gedaan als men het Beest niet zoo had gevreesd, van wien het
praatje ging dat hij gevaarlijk razen kon.
Trouwens Leonore zorgde er wel voor, haar man
[255:]
vermoedde niet
het bestaan van dezen eenigen, ernstigen mededinger.
Jalouzie of liever spijt dat hij niet zoo jong en knap was om beter
naast zijn vrouw te passen verteerde hem; hij kon haar niets verwijten.
Haar houding was onberispelijk maar wanneer zij in gezelschappen verscheen
was alles in en aan haar leven en beweging; nauwelijks bevond zij zich
met hem alleen of het mooie masker viel van haar gelaat en zij werd
weer onverschillig, koud, lusteloos!
"Zeg me toch of er iets is, waarmede ik je gelukkig kan maken,
Leo!" verzocht hij haar, "wat wil je, een groot bal, een nieuwe
rivière of een reis door den Archipel? Zeg 't me gerust, ik ben
gelukkig rijk genoeg om het je te kunnen geven!"
Leonore geeuwde en schudde het hoofd:
"Je hoeft mij niets te geven John; wat ik hebben wil, koop ik mij
maar ik kan 't niet helpen, dat ik zoo en niet anders ben. Ik denk dat
het de warmte is die mij enerveert."
Eindedijk begon het hem langzamerhand duidelijk te worden:
"Leonore verveelt zich met mij, zij maakt gebruik van mijn rijkdommen,
zij geniet de weelde die ik haar geven kan, maar mij verafschuwt zij."
Het kwam langzaam, zeer langzaam in hem op, en toen eindelijk die gedachte
in hem post gevat had, ver
[256:]
liet zij hem niet;
eerst trachtte hij ze te bestrijden, zij was zoo verstandig, zoo degelijk
en zoo trots, zij had een kind als Daisy getemd, hoe zou zij dan om
geld hebben willen trouwen?
Leonore voelde dat hij op weg was haar te doorzien, dat hij evenals
Willem en Daisy het klatergoud van haar karakter begon te schatten en
zij begreep dat het noodig werd opnieuw te huichelen. Zij had haar kind,
maar het kind was zwak, ziekelijk; als James haar ontviel en Mac Dunolly
ophield haar te vergoden dan kon het nog wezen dat zij alle vruchten
verloor van haar moeitevollen arbeid. In hoeverre Daisy's zaken geregeld
waren wist zij niet en zij stelde het uit, de zaak aan te roeren, want
op het punt van geldzaken was haar man uiterst prikkelbaar en het behoorde
tot haar gedragslijn zich in een soort van onverschilligheid daaromtrent
te drapeeren.
Eens echter verteerde haar de nieuwsgierigheid zoodanig dat zij een
vraag doen moest, onverschillig wat daarvan de gevolgen zouden zijn.
"Heeft Daisy geld van haar moederskant?" vroeg zij.
"Geen cent," antwoordde hij barsch.
"Dan verkeeren broer en zuster in hetzelfde geval," zeide
zij bedroefd glimlachend, "mijn arme James is van moederskant ook
straatarm. . ."
Mac Dunolly zag haar verwonderd aan; hij wantrouwde haar reeds een weinig,
en het bewustzijn dat zij verreweg de slimste van hun tweeën was
raadde hem tot omzichtigheid.
"Ben je bang dat mijn kind rijker zal zijn dan het jouwe?"
vroeg hij barsch.
[257:]
"John!"
haar oogen boorden zich in hem zoo scherp als messen, "is James
minder uw kind dan Daisy? Ik sta er op dat zij door je huwelijk met
mij geen schade lijdt, maar mijn James heeft evenveel recht op je liefde
als zij."
Haar toon en gelaatsuitdrukking maakten indruk op Mac Dunolly; hij wilde
iets zeggen maar zweeg bijtijds.
Leonore wist dat hij geen toespelingen kon verdragen op zijn dood en
daar zij er op gesteld was hem in een goed humeur te houden, bedacht
zij zich eenige oogenblikken; toen zeide zij bedaard:
"Denk je er wel aan, Dunolly, dat als ik kinderloos sterf zonder
testament, mijn broers het recht hebben je de helft van je fortuin op
te eischen."
"Hoe kom je daaraan," vroeg hij, hoe langer hoe meer verbaasd,"je
bent niet kinderloos en er is geen gevaar dat ik jou overleef."
"De cholera heerscht hier vrij hevig. Ieder oogenblik hoort men
van plotselinge sterfgevallen. Ik heb met huwelijksvoorwaarden willen
trouwen. Je wilde er niet van hooren; toen ik James verwachtte wist
ik niet dat de wet zoo iets voorschreef. Nu heb ik van zoo'n geval gehoord
en ik wil niet dat de jongens je last zullen veroorzaken. Willem zal
het wel niet doen maar de anderen zijn altijd court d'argent."
Het was een groote troef, die zij uitspeelde, maar niet te vergeefs.
Mac Dunolly voelde zijn oude bewondering voor haar doorzicht en verstand
weer opleven.
"En dan Daisy," ging zij voort, "lijdt reeds genoeg door
je huwelijk en daar je haar vooral als jou kind
[258:]
beschouwt, meer
dan James, wil ik dat je zooveel mogelijk haar bevoordeelt."
"Haar bevoordelen!" en toen viel het hem plotseling van de
lippen, dat zoo lang bewaarde geheim, "als ik vandaag stierf dan
bezat James alles en zij niets."
"Kom, dat meen je niet!"
"Neen, 't is de waarheid, een schandelijke waarheid, Daisy's moeder
en ik waren alleen voor de Engelsche wet getrouwd."
"Maar je hebt toch maatregelen genomen om haar te - te adopteeren
of te legitimeeren?"
"Neen," antwoordde hij kortaf, "ik heb een testament
gemaakt, waarbij ik haar alles gaf, waartoe ik recht had - maar dat
was vóór mijn trouwen."
"Ik weet alles," zeide zij tergend kalm, "ook, dat ik
eigenlijk je derde vrouw ben."
Toen zij het gezegd had, schrikte zij onwillekeurig terug. Zóó
had zij hem nog niet gezien, zelfs niet op dien morgen toen hij zich
als een wildeman op zijn dochter had geworpen. Het bloed stroomde hem
naar het gelaat, het scheen te willen springen uit elk zijner litteekenen.
Zijn oogen flikkerend van vuurroode vlammen, zijn haar letterlijk overeind
rijzend, de vuisten gebald, het schuim op de gloeiende, brandende lippen,
stortte hij zich op haar. Zij ging schuw achteruit, krijtwit als de
muur, waartegen zij zich aandrukte, maar haar oogen verlieten hem niet,
koud en strak als versteend, bleven zij op hem gevestigd. Zij voelde
haar polsen in zijn vingers geklemd als in een ijzeren schroef,
[259:]
zijn heete adem
brandde haar in het gelaat, haar keel weigerde geluid te geven.
"Hoe weet je dat?" siste hij.
De betoovering scheen opeens verbroken; al haar vrees verdween. Zij
voelde haar macht over hem terugkeeren.
"O ieder weet het! Ik heb het pas gehoord, na ons huwelijk, een
bigamist had ik nooit getrouwd, en maak mij nu maar dood zooals je Gladys
hebt vermoord!"
Hij greep haar vast en slingerde haar van den muur vóór
zich op de knieën; zij lag daar machteloos terwijl hij haar heen
en weer schudde.
"Om mijn geld deed je alles!" hikte hij en toen lieten zijn
vingers haar los, loodzwaar viel hij op haar neer. Een akelig gerochel
steeg uit zijn keel.
"Help, help!" gilde Leonore, "mijnheer krijgt een toeval!"
Dien avond lag Mac Dunolly in zijn bed roerloos, aan de rechterzijde
verlamd, zijn groote oogen puilend uit zijn hoofd, zijn lippen dik gezwollen,
zijn tong machteloos; zijn verstand was echter nog ongeschokt, de herinnering
aan het gebeurde liet hem geen rust maar zijn lichaam weigerde zijn
gedachten naar buiten te vertolken.
Nu en dan alleen kwam een smeekende uitdrukking in zijn oogen; hij volgde
daarmede zijn vrouw die vlug en bedrijvig door de kamer ging, soms zich
over hem boog en hem druppels ingaf, dan kronkelde hij zich in machtelooze
drift. Zij zou nog langen tijd zoo jong, zoo mooi blijven maar niet
voor hem, anderen zouden er van genieten, anderen haar bewonderen, haar
lief
[260:]
hebben, door haar
bemind worden, en toen kwamen de beelden uit het verleden. Zijn arme,
misvormde Gladys, zoo innig aan hem gehecht, door hem verstooten, mishandeld,
zijn Daisy, de schande van zijn dubbel huwelijk, hem vervolgend en vastketenend,
verjaagd; morgen misschien verarmd en verweesd. O, wat verlangde hij
naar Daisy, als zij hier was, hoe zou zij zich over hem heen werpen,
hij hoorde haar schreien en snikken:
"Dearest, dearest Father!"
Een akelig gekerm ontsnapte zijn borst; hij wilde haar naam roepen,
hij kon niet, hij wilde zijn vinger opheffen om te wenken, de hand lag
koud en zwaar op het bed.
Leonore kwam nader en vroeg bijna hartelijk:
"Wil je iets, man?"
Hij kon geen klanken vinden, alleen zijn oogen rolden en zijn tong bewoog
zich los in den mond; alle pogingen bleken vruchteloos, de hersens waren
nog in volle kracht maar de zenuwen brachten hun bevelen niet meer aan
de andere ledematen over.
"Te laat, te laat!" jammerde een stem in zijn binnenste, "te
laat!"
En alsof Leonore die gedachte had geraden speelde een triomfeerende
glimlach eensklaps over haar koud gelaat, haar oogen schitterden, haar
wangen bloosden en toen viel de laatste sluier weg voor zijn oogen,
hij zag nu de vrouw, die hem betooverd en omstrikt had in haar ware
gedaante en van alle verguldsel ontdaan; hij had geen goud gevonden,
enkel - Prada.
En hij trachtte zich nog op te heffen, hij rekte zich
[261:]
uit, hij wiegde
zijn hoofd op de kussens heen en weer; zij zag het aan en zij wist dat
een woord van haar hem rust kon schenken maar zij sprak het niet uit.
Zij had haar plicht gedaan, zij had hem herinnerd aan zijn voordochter,
kon zij 't helpen dat de dood hem verraste vóór dat hij
haar toekomst verzekerd had? En haar hart jubelde bij de gedachte aan
haar aanstaande bevrijding.
Zij stond daar in haar rose peignoir, de lange haren los over de schouders,
jong, frisch, schoon, het levende tegenbeeld van den man daar, die niets
menschelijks meer had en wiens oogen het eeIiige zintuig waren, dat
hem nog geen dienst weigerde.
Zij triomfeerde, nu kon hij haar niet meer slaan, niet meer dooden zooals
hij zeker had gedaan als de beroerte hem niet verlamd had, nu kon zijn
geld haar niet meer ontsnappen, nu zou hij haar nooit meer streelen
met die liefkoozingen, welke zij zwaarder te dragen vond dan zijn slagen
en dan zou zij nog verdriet huichelen, nog door schoone beloften hem
bedriegen. Neen, zoo laag was zij niet!
"De. .. de. . ." hoorde zij hem duidelijk roepen. Zij keerde
zich om en ging aan een tafeltje rustig zitten lezen, het hoofd op haar
hand gesteund.
"De. . . de. . .!" riep hij, en met een geweldige poging om
zich op te richten, gelukte het hem zich half overeind te zetten, op
een arm geleund; zijn akelig rollende oogen zochten haar, zijn borst
hijgde en rochelde, het koud zweet druppelde van zijn voorhoofd.
Zij snelde toe en drukte hem op de kussens.
[262:]
"Blijf toch
liggen," zeide zij ruw, "je kunt nu geen vrouw meer mishandelen."
Een akelige kreet vol angst wrong zich uit zijn reeds beklemde keel;
zij sidderde en liet hem los; nu zagen zijn oogen haar vrijwel smeekend
aan; het was een pijnlijk gezicht, die worsteling tusschen den onrustigen
geest en het met onmacht getroffen lichaam. De dokter had gezegd, kalmte
en rust alleen kunnen hem redden; een duivelsche gedachte greep haar
in de ziel, als hij dus geen rust had dan - dan -
Met één woord kon zij hem rust schenken, zooals zij de
Engelsche vrouw rust had gegeven, zich nog de vrijheid voorbehoudend
haar woord niet te houden, maar zij sprak het niet uit; zij gunde hem
slechts één rust, de rust van het graf.
Als verstond en begreep zij hem niet, zette zij zich weer aan het tafeltje
neder, zonder meer naar hem om te zien; hij wentelde zich links en rechts,
het gekerm steeg soms tot gebrul, zij bleef onverschillig en hief de
oogen niet op.
Daar scheen de laatste band te breken die lichaam en geest verbond,
hijgend lag hij achterover, zijn oogen braken, bloedig schuim ontsnapte
zijn lippen, zijn arm, die hij met de grootste inspanning had geheven,
bleef in die houding; toen stond Prada op en zij legde den arm, die
haar scheen te bedreigen, neer en veegde hem de lippen af; een dof gegorgel
sloeg op uit zijn keel, alles werd duisternis om hem heen.
Zag hij de twee vrouwen, die hem zoo innig hadden liefgehad vóór
zich, Gladys en Daisy? Fluisterden zij
[262:]
hem woorden van
verzoening en vrede toe? Zag hij niet meer de vrouw, die zijn kwelduivel
was geworden en die hem zooveel te danken had? Verhief zijn geest, hu
zijn lippen stom waren, zich nog tot God in een laatste bedel om vergeving
en genade?
Het was het geheim des doods! De trekken ontspanden zich, de oogen vielen
toe, het hijgen werd bedaarder. Leonore schrikte, zou dat een voorbode
zijn van genezing; hij sloeg den blik op, het was of hij ging spreken,
of de woorden, die hij vergeten had, hem nu toch over de tong zouden
komen, er lag weer verstand in zijn oogen en hij kon de uitdrukking
van schrik zien op het gelaat zijner vrouw, schrik dat hij genezen,
niet sterven zou.
Het was het laatste beeld van de aarde dat hij opnam vóórdat
de dood zich werkelijk over hem ontfermde.
Nog dienzelfden nacht werd Leonore weduwe!