[263:] XXI.
Daisy beweende haar
vader oprecht, maar het was niet meer de smart, die haar zou vervuld
hebben als hij eenige jaren te voren gestorven was; berouw over hun
scheiding verstoorde haar zielerust ook niet want bij herhaling had
haar vader in den laatsten tijd haar geschreven, dat hij zich verheugde
over den loop dien de zaken in den laatsten tijd genomen hadden, over
haar verblijf op kostschool en over de hoop van een spoedig wederzien.
Maar juist dit wederzien was het, dat Daisy met schrik vervulde; wederzien
beteekende immers vertrek uit Holland, scheiding van haar dierbaren
oom, een samenleven met de antipathieke stiefmoeder, en zoodra haar
eerste smart bedaard was, kwam het egoïstische denkbeeld haar onwillekeurig
troosten, dat zij nu niet weg behoefde te gaan, dat zij hier kon blijven
haar leven lang.
Met de volgende mails kwamen er echter voor Willem
[264:]
ontmoedigende tijdingen.
Leonore schreef hem, dat geen bewijzen gevonden werden om Daisy's wettige
afkomst te staven. Haar geboorteakte vermeldde eenvoudig Gladys Smith
als haar moeder, maar nergens was iets te vinden dat op de huwelijksakte
harer ouders leek, wel, van een vroeger huwelijk van Mac Dunolly. Bijgevolg
ontving zij niets van haar vaders vermogen, dat geheel op James en op
haarzelf overging.
Zij wachtte zich wel, haar broer iets te vertellen van hetgeep zij over
Daisy's ouders wist en wat eenig licht over haar afkomst kon werpen.
Een menigte formaliteiten moesten er plaats hebben voor de voogdijstelling
van het meisje, en eindelijk slaagde Willem er in, zich tot haar voogd
te laten benoemen.
Leonore schreef, dat zoodra haar zaken afgewikkeld waren, zij naar Holland
zou komen met haar kind om daar tevens maatregelen te nemen ten einde
Daisy schadeloos te stellen voor de achteloosheid van haar vader; alle
vragen die Willem haar overigens stelde, behandelde zij als niet geschied.
"Zij heeft het mooi gedaan," zeide hij met een zweem van bewondering
in zijn stem, "haar systeem is geweest: "Zij er uit en ik
er in!" Vader en dochter zijn op zijde geschoven. Prada heerscht
nu oppermachtig over haar geld in haar huis, dat zij eerst als dienstbare
betreden heeft."
Otto had het dezer dagen ook druk; zijn moeder was vrij plotseling,
gestorven en nu rustte de zorg op zijn broertjes en zusjes geheel op
hem. Hij was naar den Haag geweest tot regeling der zaken en zoodra
hij weer op Ankeloo was, zocht hij zijn vriend dadelijk op.
[266:]
"Kijk eens,
wat ik onder moeders papieren en brieven gevonden heb!" zeide hij
en reikte Willem een oude enveloppe over.
Hij keek hem verbaasd aan.
"Maar dat is Leonore's hand!" riep hij uit.
"Ja zeker en nu is het raadsel opgelost, waarom mijn moeder mij
zoo wantrouwde, waarom zij weigerde, mij haar geld af te staan en waarom
wij erger dan vijanden geworden zijn."
Willem las de briefjes, waarvan de eerste den datum droeg van den avond
toen Leonore haar woord terug gaf aan Otto; de andere waren even slim
en listig in elkander gezet en hadden blijkbaar niets anders ten doel
dan Otto tegen te werken en zijn taak nog zwaarder te maken.
"'t Verwondert mij niets," sprak Willem en gaf hem de brieven
weer terug na ze gelezen te hebben. "'t Is echt Prada! Zie je het
nu in?"
Otto schoof den ring, dien hij nog altijd droeg, van den vinger en zeide:
"Ja, nu ken ik haar!"
"'t Heeft lang geduurd. Misschien had je nog illusiën over
het mooie, rijke weeuwtje?"
Daar ging de deur open en Daisy kwam binnen, zoo frisch en liefelijk
als de lentemorgen, die buiten schitterde, haar handen vol veldbloemen.
"Oom, mijnheer Waelbekel"
En voor 't eerst viel het Otto in, dat zij een jong meisje en zelfs
een heel mooi, lief jong meisje was; voor 't eerst sedert zijn ongelukkige
liefde zag hij met
[267:]
vreugde naar een
frisch vrouwengelaat, voor 't eerst viel het hem in dat men geen Prada
behoefde te zijn om indruk te maken, om zijn hart te vervullen van liefde,
verdriet of verbittering.
"Vindt u die bloemen niet heerlijk, Oom? Ik heb in het bosch zoo'n
prachtig bed lelietjes van dalen gevonden? Is dat uw lievelingsbloem
niet?"
"De mijne ten minste," antwoordde Otto.
"Heusch mijnheer! Wil ik u dan wat geven?"
En terwijl zij de bloemen op de tafel legde, viel de ring op den grond.
Niemand merkte het, hij nam een takje en wilde dat in zijn knoopsgat
steken. Toen bedacht hij zich dat hij in den rouw was, maar hij kon
van het takje niet scheiden, telkens ging zijn oog van de witte klokjes
heen naar het liefelijke gezichtje tegenover hem.
Willem zag het; hij ook had Daisy's schoonheid als het ware ingedronken
toen zij binnenkwam, maar hij wist het reeds sedert lang hoe het vormlooze
kind zich in de laatste jaren tot bloeiende jonkvrouw had ontwikkeld;
het was zijn werk geweest, sedert den avond toen zij aan zijn ziekbed
voor 't eerst berouw had leeren kennen. Haar ziel was door hem ontwaakt
en die ziel had het ruwe lichaam als het ware doortinteld en vergeestelijkt
en daaraan een schoonheid geschonken, welke Daisy anders nooit zou hebben
bezeten.
En nu scheen plotseling ook Otto te zien, wat hij tot nu toe als zijn
werk, zijn eigendom had beschouwd; hij gevoelde behoefte, zijn armen
uit te strekken, haar te veschermen tegen Otto's blikken, maar het
[268:]
volgende oogenblik
schaamde hij zich over dit instinctmatige gevoel.
Welk recht had hij op haar jeugd, haar schoonheid, haar leven? Waarom
moest hij verlangen dat deze voor hem alleen zoude bloeien? Wat was
zij hem, wat kon zij hem ooit wezen?
En datar viel het hem in, dat op dit oogenblik misschien Daisy's toekomst
beslist werd, Otto lachte en schertste met haar, over de bloemen heen,
zij antwoordde hem, haar oogen glinsterden onder de donkere wimpers,
de kuiltjes in haar wangen dansten op en neer, haar lippen krulden zich
ondeugend.
Wat kon hij meer wenschen, hij, haar voogd, haar meester? Was er iemand
aan wien hij haar veiliger en beter kon toevertrouwen dan aan Otto?
En overweldigd door die plotseling opgekomen gedachte, leunde hij achterover,
doodsbleek en met zulk een uitdrukking van pijn op het vermagerde gelaat,
dat Daisy die hem een vroolijke vraag had gedaan en voor het antwóord
aanzag, er van schrikte, naar hem toe vloog en riep:
"Oom, oom! Wat scheelt u? Heeft u pijn? Is u ziek! Wat wordt u
bleek?"
Hij sloeg de oogen op en glimlachte.
"Neen, Daisy, 't is niets! Je weet, het kan mij daar soms zoo steken,"
en hij wees op zijn hart.
"Je moet den dokter laten komen," zeide Otto.
"Och, 't is weer over! Soms schijnt al het bloed zich daar terug
te trekken en dan kan het zoo gauw niet zijn verderen weg vinden!"
[269:]
"Hinderen
die bloemen u misschien ook?"
"Wel neen, ik ben weer beter. Je verwent mij, Daisy, of ik een
teer jongejuffertje ben."
"Aan een jongejuffrouw heeft men niet veel, oom, maa aan u. . .
"
Hij zag haar met zijn groote, schitterende oogen aan.
"Aan mij ook niet, ten minste als mijn taak vervuld is."
"Maar uw taak begint pas!" riep Daisy opgewonden uit. "U
is zoo pas mijn voogd geworden."
Otto stond op, wikkelde de bloemen, die Daisy voor hem uitzocht losjes
in een papier, gaf zijn vriend hartelijk de hand en ging naar buiten.
Daisy bracht hem aan de deur.
"Vindt u oom niet min geworden in den laatsten tijd?" vroeg
zij bezorgd.
Hij zag haar aan en vroeg zich af, wat haar beter stond, die ernst van
nu of die lach van straks.
"Neen, neen!" antwoordde hij verstrooid, "dat beteekent
bij hem niets. Zijn gestel is natuurlijk abnormaal geworden, maar ik
vind hem veel sterker dan een paar jaar geleden,"
Wat wist hij daar eigenlijk van? Een oogenblik later zou hij zich dit
antwoord nauwelijks meer herinnerd hebben.
Zijn stap was zoo licht in de blauwgouden schittering der lentezon;
hij droeg zijn hoofd zoo hoog als hij het niet meer gedragen had sints
zijns vaders dood.
Een zware last scheen van zijn borst gewenteld, eindelijk liet die liefde,
welke zich als een vampir aan zijn hart had genesteld, hem los, eindelijk
voelde hij
[270:]
haar scherpe klauwen
niet meer, en een onbeschrijfelijke gewaarwording van zaligheid, van
bevrijding, van jeugd en hoop vervulde hem.
Alles loste zich daarin op, het leed van zijn moeders overlijden, zijn
zorgen, die nog steeds groot bleven, zijn medelijden met zijn vriend,
zijn verontwaardiging over Prada's verraad!
De last van het verleden was van zijn schouders gevallen, vrij en frank
kon hij de toekomst inzien, die heerlijke, schitterende toekomst!
Daisy's eerste blik, toen zij de kamer intrad, viel op den ring; zij
raapte hem op.
"Mijnheer Otto heeft zijn ring verloren; ik heb hem er nooit zonder
gezien."
Zij draaide den ring om haar vingers en, de initialen opmerkend, bedekte
plotseling een donkere blos haar wangen.
"Draagt hij nog altijd haar ring"
Willem antwoordde hoofdschuddend:
"Niet meer, daar hij hem heeft afgelegd!"
"Deed hij dit expres?"
"Ik hoop het!"
Dat klonk zacht, bijna weemoedig. Daisy stond dadelijk weer naast hem.
"Oom, oom, zeg mij de waarheid! Wat mankeert u toch!"
En zij nam zijn verminkt hoofd in haar jonge, sterke armen en drukte
het tegen haar borst als een troostend moedertje, Willem leunde met
gesloten oogen tegen haar aan, hij hoorde het kloppen van haar hart,
hij
[271:]
voelde dat haar
lippen zijn haren aanrakten en alles in hem schreide van onmachtig verlangen
naar liefde en geluk.
"Wat mij ontbreekt," had hij kunnen zeggen, "gezondheid,
kracht, het recht om jou te winnen!"
"Kind," smeekte hij, "laat mij los! Ik bid je, ik ben
zoo benauwd!"
Werkelijk leunde hij achterover toen zij hem losliet, het gelaat bleekblauw,
de borst hijgende, de lippen doodsbleek.
"Och oom!" 'snikte zij, "doe er toch iets voor!"
Hij strekte zijn hand naar haar uit, zij nam die in de hare en drukte
er kussen op.
"Niets zal helpen, Daisy! Mijn leven vloeit weg. Ik treur er niet
om; alleen om een ding heeft het nog waarde! Om jou! Aan wie moet ik
je toevertrouwen? Arm weesje! Aan je vadersweduwe voor geen schatten!"
"Maar u gaat niet sterven, oom Willem!" riep zij met hetzelfde
vuur als eens voor 't ziekbed, waarop zij hem had neergeworpen. "Dat
kan niet, dat mag niet, dat wil Daisy niet!"
"De oude Daisy," hij glimlachte. "Zij leeft toch nog
op, bij buien!"
Zij knielde naast hem neer en vleide hem terwijl de tranen langs haar
wangen stroomden.
"Oom, als u werkelijk van mij houdt! Doe dan uw best, langer te
leven! U heeft gelijk, ik ben zoo heel verlaten als u heengaat!"
"Geef mij dien ring Daisy! Ik zal hem morgen aan Otto teruggeven,
zoodra hij komt."
[272:]
Verwonderd zag zij
Wllem aan.
"Oom!" vroeg zij en reikte hem werktuiglijk den ring over,
"is u boos?"
"Op mijzelf, kind!"
Dat begreep zij niet.
Dien avond nog kwam Otto even aan, maar Daisy was niet t'huis; Willem
had haar verzocht, een paar kennissen te gaan bezoeken; op het gezicht
van Otto stond duidelijk teleurstelling.
"Otto," zeide Willem, "mis je niets?"
"Neen, ik zou niet weten wat."
"Je ring!"
En hij wees hem dien.
"O dien mis ik niet meer, ik heb hem afgelegd en ik geloof waarlijk
dat er een tooverkracht in zit; zoodra was ik hem kwijt of ik voelde
mij zoo vrij en opge]ucht als in jaren niet."
"Nu, dan zal ik hem voor je houden, of liever je krijgt hem nooit
terug en ik feliciteer je meer dan den dag toen je hem aan den vinger
stak."
Otto keek naar zijn ledige vingers en lachte.
"Zij schijnen erg kaal, ik voel wel dat er iets mankeert, maar
liever niets dan die. . ."
"Ik ben blij dat je het juist nu inziet, Ot! Van middag kreeg ik
een brief van haar dat zij heel spoedig in Holland denkt te komen. 't
Was voor haar doen een heel hartelijke brief; er schuilt wat achter,
dacht ik dadelijk en zij verzoekt de groeten aan alle oude vrienden.
Begrijp je dat?
Otto knikte van ja.
[273:]
"Zij heeft
een mooi praatje klaar, dat weet ik zeker, om je weer in haar macht
te krijgen. Wees toch wijzer; Otto, zij is mijn eigen zuster maar daarom
ken ik haar ook zo door en door."
"Wees maar niet bang," jubelde Otto haast, "de macht
is gebroken."
Willem zag hem onderzoekend aan; zijn oogen schenen tot diep in Otto's
ziel te willen boren.
"Ben je daar zeker van, Otto, heel zeker?"
"Zoo zeker als ik ben van jou vriendschap," antwoordde Otto
ernstig, "maar waarom vraag je dit zoo?"
"Omdat je dan geschikt bent tot een nieuw leven, tot een nieuwe
liefde."
"Wat bedoel je?"
"Wat ik bedoel? Zeg Otto, is het je nog nooit opgevallen wat een
mooi, lief meisje Daisy, mijn Daisy geworden is."
Hij bloosde, de sterke man, als een jonge dame.
"Ja Willem, 't is mij opgevallen - van morgen."
"Dan heb ik mij niet vergist, ik meende het op te merken."
"En werd je daarom zoo bleek? Willem, maar dan .. ."
"Stil, stil! Niet zoo opgewonden! Ik ben haar vader, niets meer
en niets minder. Een vizioen van geluk zag ik voor haar en voor mij
van rust. Och Otto, ik had 't zoo graag dat je haar trouwde, nog vóór
dat Prada terugkomt. 't Zou mij zoo'n kalmte geven."
"Maar Willem, je weet niet eens,hoe dat kind over mij denkt. Ik
ben zooveel ouder dan zij."
"Tien jaar, wat beteekent dat? En wat die liefde betreft. . ."
[274:]
"Haar ziel
is als was in je hand; je kunt haar daartoe ookvormen."
Er lag iets bitters in die woorden en Willem viel dat op; hij moest
er even om glimlachen. Het scheen 't bewijs dat Otto dieper getroffen
was, dan hij zelf wist.
"Je hebt gelijk! Dat is 't minste. . .!
"Maar, daar neem ik geen genoegen mede!"
"Dat is een zaak tusschen je beiden. 't Voornaamste is, je bent
nu in staat te trouwen."
"Als mijn vrouw bescheiden eischen heeft, ja?"
"Daisy heeft nog iets wat waar vader indertijd voor haar vastzette,
haar stiefmoeder heeft haar ook nog wat beloofd en al reken ik er niet
vast op, men kan altijd hopen! Dus je staat mij toe Daisy's hand voor
jou te vragen."
"Maar Willem, wat een haast! Laat mij eerst haar spreken!"
"Ja zeker, heb ik haast. Wie weet of de dood niet achter mij de
wacht houdt en - Prada! Ik wil mijn kind beter bezorgen dan haar echte
vader het gedaan heeft. En je begrijpt toch ook Otto, het leven, met
mij hier in dit stadje, kan niet voor haar duren. Zij moet heen, maar
waar? Hoe kan ik haar uitzenden in die wijde wereld met haar hartstochtelijk
karakter, haar schoonheid, haar onschuld? Otto! 't Is een schat, dien
ik je aanbied. Bedenk je zoo lang niet! Je bent vrij, man! Je geeft
niet om haar zonderlinge afkomst, om haar armoede."
Willem smeekte met gevouwen handen. Otto had hen nooit zoo aangedaan
gezien.
[275:]
"Neen, daar
geef ik niets om. Ik vraag maar één ding, haar liefde;
als zij van mij hield zooals van jou, dan wachtte ik geen oogenblik.
Als zij binnenkwam, dan nam ik haar in mijn armen en alles was in orde.
Maar jij vervult haar hart zoo geheel, ik begrijp niet wat zij nog aan
liefde weg kan geven."
Willem beet zich tot bloedens toe op de lippen; hij voelde dat hij rood
en bleek werd en 't kostte hem moeite voor hij na een poos kon antwoorden:
"Och Otto, ik ben immers niets! 't Is niet d a t 't Is de maan,
die ondergaat als de zon opkomt. Wees jij, haar zon, Otto! Zij verdient
het."
"Maar jij dan, oude jongen! Zal het jou niet te erg aandoen haar
te moeten missen? Je hebt al zoo weinig."
Weder bracht Willem de hand aan het hart, dat hem physiek pijn scheen
te doen.
"Wat komt het er op aan?" kwam het fluisterend van zijn half
geopende lippen, "aIs zij gelukkig wordt."
En nu begreep Otto alles; het laatste leed was over zijn armen vriend
gekomen, hij had zijn pleegkind lief en hij streed tegen die liefde,
zij moest weg uit zijn nabijheid; vol eerbied zweeg hij en zag met droevigen
weemoed naar het edele doodsbleeke, achterover geworpen gelaat met de
half gesloten oogen.
"Geloof, mij Otto," vervolgde hij na een poos, "zij is
echt goud, geen Prada als de andere."
"Ja, dank aan jou, Willem! Nu dan wat je goedvindt. Ik vertrouw
je mijn geluk toe. In betere handen kan het niet rusten."