[241:] XIX.
Een klein Indisch
huis geheel tusschen de klapperboomen verscholen, vrij ver van het hek
gelegen; de voorgalerij zindelijk maar hoogst eenvoudig gemeubeld.
Daar was het dat de mooie mevrouw Mac Dunolly twee dagen na ontvangst
van het briefje 's morgens haar victoria liet stilhouden; den koetsier
gaf zij bevel om te rijden en haar over een half uur te komen halen.
Zij liep de klapperlaan door, die er niet op berekend was equipages
door te laten en bereikte toen het huisje, dat in de brandende hitte
onder de schaduw van een paar waringies koel en frisch lag.
Een oude baboe kwam haar neigend tegemoet en vroeg of zij naar achter
wilde gaan, waar Njonja [Mevrouw] haar wachtte.
Leonore was zoo vervuld van haar avontuur, dat zij er niet aan dacht
bang te zijn of eenige voorzorgen te nemen tege de een of andere hinderlaag.
[242:]
Zij volgde de meid
naar het achtergalerijtje en zag daar een grijze dame in een rooden
shawl gewikkeld op een rustbank liggen. De dame, uitgeteerd van magerheid
en ziekte, was een volbloed Europeesche; dit merkte Leonore dadelijk
en toen zij naderde, trachtte de vrouw zich op te richten en zei,de
in gebroken Hollandsch met sterk Engelsch accent:
"Ik dank u mevrouw, dat u gekomen is, weet hij er niets van?"
De holle oogen.staarden haar hierbij angstig vragend, zelfs wantrouwend
aan.
"Neen," antwoordde Leonore beslist, "ik heb hem volgens
uw verzoek niets gezegd. Maar schikt het u beter, Engelsch te spreken?"
"Oh yes, please!" verklaarde zij, hijgend van de inspanning
of de aandoening en toen bijna zonder overgang "zeg mij toch, hoe
gaat het mijn darling?"
"Uitstekend," antwoordde Leonore; "zij is op een goed
pensionaat, en wij krijgen de beste berichten van haar."
"En wat zijn nu zijn bedoelingen? Komt zij hier terug?"
"Zeker, als haar opvoeding voltooid is, zal haar plaats zijn in
het huis harer ouders."
"Ah!"
Met gesloten oogen en zwaar ademhalend bleef de vrouw een poos liggen.
"Djebah!" fluisterde zij en toen, de baboe, die in een hoek
der galerij gehurkt zat te naaien naderbij kwam, vroeg zij "minoem"
(te drinken).
[243:]
Na zich verfrischt
te hebben, opende zij langzaam haar matte oogen en wenkte Leonore naderbij
te komen.
"'t Is zonderling dat ik met u spreek," ging zij bijna toonloos
voort, "maar u is een vrouw, een hoogst beschaafde vrouw zegt men
en daarom waag ik het u de belangen van mijn nicht toe te vertrouwen."
"De belangen van Daisy zijn aan niemand beter toevertrouwd dan
aan haar vader," antwoordde Leonore een weinig uit de hoogte.
"Haar vader!" er lag iets spottends in haar toon.
"Heeft hij het recht, zich haar vader te noemen?"
Leonoré's belangstelling was opgewekt; een vaag vermoeden, dat
haar nooit geheel verlaten had, scheen nu werkelijkheid te worden.
"Was John niet met Daisy's moeder getrouwd?" vroeg zij en
kon haar groote nieuwsgierigheid niet zoo onderdrukken, dat niets er
van in haar stem bleek.
De moede oogen glinsterden plotseling helder als een paar fakkels in
een donkere grot, een flauw rood steeg naar de wasgele wangen en toen
met een heesche, maar sterke stem, kwam het er uit:
"Voor God en de menschen meende Gladys even wettig zijn vrouw te
zijn als u het nu is. Zij was een Engelsche, wij zijn het beide. In
Birmingham maakte Mac Dunolly kennis met mijn arme zuster; zij gaf muziekles
en 's avonds zong zij op concerten, ik hield de boeken aan in een magazijn.
Wij waren kinderen van een rijk bankier; vader deed ongelukkige zaken
en wij bleven broodeloos achter met een zieke moeder, die toen echter
reeds gestorven was. Mac Dunolly werd
[244:]
verliefd op Gladys en zij beantwoordde zijn liefde. Ja, mevrouw! Hij is een gelukkig man, mijn zwager, door twee zulke mooie vrouwen bemind te worden - ten minste, ik wil u de beleediging niet aandoen dat u op zijn rijkdom verliefd is geworden; 't gaat mij trouwens niet aan," hervatte zij toen Leonore onwillekeurig een ongeduldige beweging maakte, "van Gladys kon men dat niet vermoeden; hij kwam in Birmingham voor de firma, waaraan hij verbonden was. Haastig gebakerd is hij altijd geweest; nauwelijks was hij van Gladys wederliefde zeker of hij drong er op aan, te trouwen. Zij trouwden stil maar geheel volgens de Engelsche wetten; het kwam noch in mijn zuster, noch in mij op dat de formaliteiten niet voldoende waren, of dat het huwelijk om andere redenen niet wettig zou zijn. Onmiddellijk daarop vertrokken wij naar Indië; want Gladys wilde zich niet van mij scheiden en in zijn groote liefde voor haar, stond hij haar alles toe. In Portsmouth echter werd John zwaar ziek; het bleken de pokken te zijn. Wij moesten hem in een gasthuis laten opnemen; Gladys bezocht hem dagelijks en toen hij beter was kreeg zij de ziekte; lang bleef zij in gevaar, maar ongelukkig, werd zij beter en had haar schoonheid verloren. Geen spoor bleef er meer over van haar frisschen, verblindenden tint, die haar juist zoo aantrekkelijk maakte. Ook Mac Dunolly was geschonden maar voor Gladys was dit geen beletsel, hem nog liever te hebben dan ooit. Wij vertrokken wij naar Batavia en reeds onderweg bemerkten wij de groote verandering, die over hem was gekomen. Zijn liefde
[245:]
voor Gladys bleek
alleen haar mooi gezicht te hebben gegolden. Nu zij dat niet meer bezat,
toonde hij haar niets dan afkeer en zelfs haat."
Zij wikkelde zich dieper in haar shawl en leunde een oogenblik uitgeput
achterover.
"Ik moet mij haasten, ik heb niet veel tijd meer, de dood nadert,"
begon zij na eenige oogenblikken, "wij gingen op Salemba wonen
in een zeer afgelegen huist niemand kwam ons bezoeken. Hij stelde ons
aan niemand voor; de arme Gladys voelde zich hoe langer hoe dieper ongelukkig.
Hij sprak haar bijna nooit aan, zonder haar af te grauwen; u zal dat
van hem misschien niet kennen en ik ben nu zoover om te hopen, dat u
het nooit zal kennen, maar toen was ik radeloos, ik wist niet wat Gladys
te raden. Zij had hem zoo lief en hij gedroeg zich tegenover haar als
een bruut. Eens verweet hij haar, dat zij zijn leven aan een ketting
had gelegd, maar dat hij gelukkig die ketting kon losmaken want voor
de Hollandsche wet was hun huwelijk niet eens geldig. Toen verzocht
Gladys hem ons terug te zenden naar Engeland, want langer wilde zij
in zulk een verhouding niet blijven voortleven. In zijn woede wierp
hij haar tegen een kast aan; ik scheidde hen, anders had hij haar stellig
vermoord. Gladys werd naar bed gebracht en denzelfden nacht kwam Daisy
ter wereld, maar mijn arme zuster werd krankzinnig en heeft geen helder
oogenblik meer gehad."
"En leefde zij nog lang?" vroeg Leonore, die zonder het te
weten bleeker was geworden.
"Nog zes jaren; zij was suf en stil, nooit razend; ik
[246:]
bleef bij haar
en bij het kind in het huis te Salemba; toen zij stierf scheen niets
veranderd. Mac Dunolly, die in dien tijd een schatrijk man werd, woonde
op kamers te Batavia en kwam slechts nu en dan over. Naar Gladys keek
hij nooit meer om, maar het kind aanbad hij op zijn manier; hij mishandelde
haar het eene oogenblik om haar het andere te vergoden. Aan haar opvoeding
deed hij letterlijk niets. Ik was te zwak en te lusteloos om mij veel
met het kind in te laten. Wat zij kan, dat heeft zij toch nog van mij
geleerd. Eindelijk toen zij twaalf jaar oud was, kreeg ik den moed mijn
zwager te vragen of hij voor haar gezorgd en haar afkomst gewettigd
had. Hij begon niet te razen zooals ik verwachtte maar zond mij dienzelfden
dag weg; dit huisje huurde hij voor mij, hij geeft mij een behoorlijk
maandgeld, maar Daisy heb ik niet meer teruggezien. Kort daarop ging
hij naar Europa en - kwam terug, alleen. Ik heb hem niet meer durven
spreken, maar nu ik hoor dat hij hertrouwd is - en nu mijn einde zoo
nabij schijnt,.wil ik het niet langer uitstellen, voor Daisy's toekomst
te zorgen en u alles zeggen, de volle waarheid."
Zij zweeg een poos en vroeg toen:
"Weet u, waarom hij mijn zuster niet overgetrouwd heeft volgens
de Hollandsche wet, waarom hij Daisy niet kon wettigen, al wilde hij
ook?"
"Nu dan?"
"Hij was toen reeds getrouwd; zijn vrouw leefde nog."
"Dus was zijn eerste vrouw Daisy's moeder niet! Maar zij is nu
toch dood?"
Leonore werd vaalbleek.
[247:]
"Stel u gerust!
Zij is dood, zij is na Daisy's moeder overleden. Hij kon Gladys niet
als zijn wettige vrouw erkennen, zonder bigamist te worden. Ik hoorde
dat eerst later, veel later, en nu nog durft hij geen maatregelen nemen
voor Daisy's toekomst uit vrees dat het schandelijke geheim bekend raakt."
"En wie was zij?"
"Weet ik het? Een Indisch meisje geloof ik, dat hem het begin van
zijn rijkdom heeft aangebracht en natuurlijk door hem met ondank werdt
beloond!"
Leonore huiverde; o als Willem wist wat haar Prada schande en slijk
verborg!
"En nu zal u zorgen voor Daisy's toekomst, zooveel u kan?!"
"Natuurlijk zal ik niet rusten vóór dat de zaak in
orde is."
"Belooft u mij dat?" en dreigend zagen de sombere oogen haar
weer aan, "ik wil voor Gladys niet verschijnen, dan als ik verklaren
kan: "voor je kind is gezorgd!" Ik vertrouw op uw belofte
en als u die niet volbrengt dan - dan ligt de vloek van Gladys en van
mij op u en op alles wat van u is!"
"lk kan niets meer dan beloven," en Leonore stond op, "mijn
tijd dringt; mag ik mijn man zeggen dat ik bij u ben geweest?"
"Zeg, wat u wil! 't Is mij nu onverschillig!"
En zij zakte ineen maar haar lange, ontvleeschde vinger rustte uitgestrekt
op den schotschen doek als een waarschuwend teeken. Leonore zag hem
nog langen tijd dag en nacht vóór haar oogen.
[248:]
"Ik wensch
u beterschap," zeide zij stijf, trok haar kanten doekje weer over
het hoofd, stond op en ging snel de galerij uit; zij zag in de verte
haar victoria aankomen; haastig stapte zij er in en reed naar huis.
De zieke vrouw klaagde intusschen, het gelaat in de kussens verscholen:
"Arme Daisy! Je hebt geen moeder gewonnen, misschien wel een vader
verloren. Zij heeft geen goede oogen, neen! Dat heeft zij niet!"
Leonore kwam te huis en had nog een geheelen dag vóór
zich om over de gedragslijn, door haar te volgen, na te denken. Haar
man kwam eerst tegen vijf uur uit de stad naar huis. Zij wachtte hem,
als altijd lief glimlachend, met een kop thee.
"Er is een brief uit Holland, man!" zeide zij, "van Willem
zulke heerlijke tijdingen! Daisy maakt het buitengewoon goed op het
pensionaat. Zij schikt er zich boven verwachting in, alle kinderen houden
van haar en de meesteressen zijn tevreden."
"Ja, ik heb ook een heel opgewekten brief van haar gehad. Onbegrijpelijk,
wat dat kind veranderd is onder je leiding! Als ik nog denk wat zij
zich vroeger op die scholen aanstelde. Je hebt er alle eer van!"
Leonore had zich voor haar man gehouden of Daisy uit jalouzie op haar
weggeloopen was, bij het eerste gerucht van hun engagement.
"Ik kan er mij op verheugen als ze over een jaar of twee hier komt.
Dan moet ik haar chaperonneeren."
"Wie heeft dan het meest een chaperon noodig; het mooie Mamatje
of de dochter?"
[249:]
"O, ik ben
dan al een geposeerde, oude getrouwde vrouw en - moeder!"
"Leonore!" riep Mac Dunolly uit, "kan dat waar zijn?"
"Stil, stil! Geduld! Wie weet? Ik ben van morgen naar den dokter
geweest!"
"Waarom hem niet hier laten komen?"
"Hij is tot tien uur t'huis en ik vond het bij hem rustiger praten
dan hier."
"Zoo'n engel, zoo'n engel!"
Hij drukte haar aan zijn hart, kuste haar hartstochtelijk en merkte
niet hoe zij huiverde en rilde van afkeer en zelfs angst; zij kon het
beeld van de arme Engelsche niet vergeten, die hij bijna gedood maar
stellig krankzinnig had gemaakt door zijn bandelooze drift en van die
andere, onbekende vrouw, wier bestaan zij niet vermoed had.
Haar besluit was genomen, zij zou zwijgen; de herinnering aan het gehoorde
mocht geen wolk doen trekken tusschen haar en hem.