[18:] II.
In een zijstraat
lag het huis, waar freule Leonore Asseleyn woonde met haar vader en
broeder.
Het was een echt kleinsteedsch huisje met geel gepleisterden gevel,
groen beschilderde ramen, kleine ruiten, waarachter geelwitte gordijnen
met ringsysteem en veel te blauwe franjes hingen.
De deur stond aan, want de meid was zeker uit; een logge groene deur,
die uitkwam op een gang met roode vloersteenen en grof gewitte muren.
Toen zij binnenkwam, rilde Leonore; dit burgerlijk entree vervulde haar
altijd met tegenzin en zelfs walg; maar in de laatste maanden, terwijl
zij geëngageerd was, zag zij er nauwelijks meer naar om, zoo vervulde
haar de gedachte dat het nog maar een kort poosje zou duren, en dat
zij dan van hier heen zou gaan voorgoed, om in een omgeving te leven,
haar persoonlijkheid volkomen waardig.
[19:]
Het petroleum-lampje
walmde haar hoog tegen den muur en liet daar een langen, zwarten veeg
achter; de benauwde lucht waaide haar tegemoet en steeg haar in de neusgaten.
Juist kwam, uit de deur tegenover; een jong man op twee krukken geleund
aanhinken.
"Zoo, Prada," zeide hij op spottenden maar toch niet onvriendelijken
toon, "ben je al thuis?"
"Dat zie je!" antwoordde zij kortaf,
"Och, je bent zoo gelukkig er bij te kunnen; zie je niet hoe die
walm onzen mooi gestukadoorden muur bederft?"
"'t Zal wat hinderen."
"Nu ja, de toekomstige mevrouw Waelbeke hindert het misschien niet,
maar de gepensionneerde luitenant Asseleyn zal het weer moeten laten
witten."
Werktuiglijk draaide Leonore het lampje neer, en maakte toen de deur
rechts open, die toegang gaf tot een kale, meer dan sober gemeubelde
huiskamer.
De vloer was ruw bruin geschilderd; een uitgerafeld versleten kleed
bedekte maar gedeeltelijk den grond: de stoelen waren bekleed met versleten
trijp, dat eens groen geweest, nu ten hoogste meer grijs kon heeten;
de tafel zag er met haar verkleurd tafellaken uit of het al jaren dienst
had gedaan en of er een bende kinderen mede huis had gehouden; de kast
alleen scheen uit betere tijden afkomstig, maar was slecht verzorgd,
dof, bekrast, leelijke oleographieën hingen aan de muren met hun
ordinair, hier en daar afgescheurd of door vochtigheid bevlekt behangsel;
papieren bloemen in
[20:]
dubbeltjesvazen
flankeerden een doodgewoonen wekker op den zwart geverfden houten schoorsteenmantel.
De spiegel was verweerd en het verguldsel van zijn lijst viel haast
uit elkander; de lamp brandde laag en bijna even walmerig als in de
gang.
Alles verried bekrompen middelen en - wat erger- was - slordige onverschilligheid;
nooit was de banaliteit harer omgeving Leonore zoo opgevallen als dezen
avond, nooit te voren had zij er zich zoo gedrukt door gevoeld.
Zoolang haar herinneringen reikten, was het altijd bekrimping en ontbering
geweest wat haar omringde. Haar vader, baron van Asseleyn, was als kapitein
der cavalerie, wegens lichaamsgebreken, gepensionneerd; haar moeder,
een verarmde freule, verstond evenmin als hij de kunst van huishouden,
van passen en meten. Zij hadden verscheidene kinderen, maar toch zou
menigeen met hun inkomsten nog aardig rondgekomen zijn. Bij hen daarentegen
was altijd de armoede aan het woord, een armoede, die men bovendien
nog zooveel mogelijk trachtte te vergulden, zonder te denken dat dit
verguldsel het grootste gedeelte van het reeds zoo karige inkomen verslond.
Het huishouden der Asseleyns was door het geheele stadje Ankeloo om
zijn vergulde armoede bekend; de kinderen gingen met gescheurde zijden
japonnen naar school, droegen veeren op de hoeden, hadden goudleer en
schoentjes aan, maar de zijde zat vol vlekken en scheuren, de veeren
geleken meer op rattestaarten dan op iets anders; het goudleer zat slechts
met eenige
[21:]
draden aan de zolen
vast. Binnenshuis was het 't zelfde; voor de wereld toonden vader, moeder
en kinderen zich altijd bijzonder lief, tehuis was het kibbelen, verwijten,
schelden zonder einde.
In zulk een milieu was de mooie Leonore opgegroeid; op haar twaalfde
jaar ontfermde zich gelukkig over haar de heer Waelbeke, de eenige met
wien baron van Asseleyn zich verwaardigde omgang te houden, daar deze,
hoewel een parvenu, toch nog draaglijke manieren en een vrij aangename
conversatie had - eigenlijk omdat op de fabriekswoning de wijn letterlijk
stroomde, het eten altijd op tafel stond, en de baron soms den burgerman
de eer aandeed hem op zijn kosten te vergezellen naar Parijs, Londen
of Berlijn, waar de oud-officier goed den weg wist.
De heer Waelbeke had kleine Leonore altijd een aardig kind gevonden;
zij kwam veel op de fabriek met het oudste dochtertje spelen; de meisjes
waren onafscheidelijke vriendinnen, en toen Lucie Waelbeke naar het
pensionaat ging, dwong zij er, om, dat Leonore haar zou vergezellen.
De ouders van beide kanten vonden die gehechtheid alleraardigst; de
Waelbeke's vroegen de gunst om Leonore met Lucie mee te mogen opvoeden
en de Asseleyn's stonden die gunst genadig toe. Zoo gebeurde het onwillekeurig,
dat Leonore meer op de fabriek was dan bij haar tehuis; zelfs toen Lucie
twee jaar later begon weg te kwijnen en stierf, veranderde dit niet.
Ter eere hunner doode lieveling bekostigden haar ouders ook verder Leonore's
opvoeding. Zij stonden er op, dat zij
[22:]
examens zoude doen,
en hoewel de Asseleyns dit overbodig vonden, want reeds sedert lang
stond het bij hen vast, dat zij zich mésallieeren zou aan Otto
- een mésalliance waarin zij zuchtend genoegen zouden nemen -
hadden zij aan deze burgerlijke gril der parvenu's toegegeven.
De andere kinderen waren jong gestorven of sinds lang het huis uit,
links en rechts over de wereld verspreid; van geen hunner was veel terechtgekomen,
behalve van Willem, die van degelijker stof gemaakt dan de overige familie,
zich reeds zeer vroeg had ontworsteld aan de ongezonde atmosfeer van
het ouderlijke huis; hij was naar Kampen gegaan en had zich opgewerkt
tot Indisch officier.
Voor het eerst van hun leven hadden Papa en Mama reden gehad, trotsch
te zijn op een hunner kinderen: "Mijn zoon de officier" was
het woord, dat de ex-kapitein onophoudelijk in den mond had; 't scheelde
niet veel of hij nam telkens bij het noemen van dien titel zijn hoed
af of sloeg aan.
Helaas! Nog geen twee jaar later kwam "mijn zoon de officier"
terug, met de Willemsorde op de dappere borst, maar wreed verminkt.
Een Atjehsche kogel had aan zijn carrière, die, zoo schitterend
beloofde te worden, plotseling een einde gemaakt. Toen de arme jongen
thuiskwam, vond hij zijn moeder gestorven en het huishouden nog erger
in de war dan vroeger; hij en zijn vader zetten, geholpen door een kleine
meid, hun jongeheeren-menage zoo goed en kwaad als het kon voort.
Gelukkig bezat Willem, bij de vele goede eigen
[23:]
schappen die hem
kenmerkten, een onverstoorbaar goed humeur; nu zelfs, in zijn allertreurigste
positie, verliet hem dit niet. Vader en zoon konden met hun beider pensioenen
goed leven, als de andere jongens hun maar niet op den zak teerden.
Willern verdiende, nog wat met vertalen of het schrijven van kleine
schetsen uit het Indische officiersleven, dat hij maar zoo kort had
mogen kennen; het bracht wat op en 't leidde hem af.
Ongelukkig had zich echter bij den baron in de laatste jaren een treurige
neiging ontwikkeld tot de flesch.
Willem trachtte die zooveel mogelijk tegen te gaan; hij had nog den
meesten invloed op zijn vader,- dien hij lachend "zijn oud kind"
noemde; toch zag hij met verlangen uit naar Leonores thuiskomst; maar
ook deze illusie werd niet verwezenlijkt: Na behaald diploma, kwam Leonore
thuis en begon dadelijk zoodra zij den drempel overschreed, - volgens
Willem - een vies gezicht te zetten en legde dit gezicht niet af zoolang
zij op de "villa Asseleyn" was; kwam zij op villa Arethuse,
dan veranderde het geheel en al.
Nog geen drie maanden was zij thuis, - van deze drie maanden had, zij,
altijd weer volgens Willem, er twee en half bij de Waelbeke's en een
kwart op de wandeling doorgebracht - of zij was geëngageerd met
Otto, tot groote vreugde van diens familie; er werden vele feesten gegeven
ter eere van de heuglijke gebeurtenis.
Otto en Willem, die elkander in de laatste jaren een weinig uit het
oog hadden verloren, vatten veel sympathie voor elkander op; de baron
nam het air aan
[24:]
van iemand die
zich in het onvermijdelijke tracht te schikken en dronk zich een paar
roezen aan champagne.
En nu - stond Leonore weer in huis, nog armer dan zij er in gekomen
was
Haar vader lag in de sombere, kale kamer op een Indischen leuningstoel;
naast hem op tafel stonden de treurige overblijfselen van een soort
g o û t e r - men at vroeg in Ankeloo, - nergens een bord, gebarsten
kopjes zonder schotel, een paar korsten brood en een homp kaas zoo maar
op het tafelkleed, een verroeste blikken koffiekan, een paar couranten,
en een verdacht bitterglaasje met flesch.
Kapitein Asseleyn snurkte zwaar; hij sliep sedert een uur den slaap
van rechtvaardigen en onrechtvaardigen; bij de beweging die Willem's
kruk maakte en vooral bij den harden duw, waarmede Leonore de deur opende,
richtte hij zich half op, wreef zich de oogen uit en keek hen dommelig
aan.
"Ben jelui daar? He, jij ook, Prada?"
Prada - verguldsel - klatergoud, - zoo had Willem bij zijn terugkomst
zijn zuster, met haar voorliefde tot alles wat blonk en schitterde,
al was het dan ook maar zeer oppervlakkig, genoemd.
"Nu, wat zou dat?" vroeg Leonore bits.
"Wel, 't is een buitenkansje. Je verwent ons anders niet met je
nooit genoeg te waardeeren tegenwoordigheid."
"Als je daarop gesteld bent, kan je voorloopig volop genieten."
"Hoe zoo? Gaat de familie op reis?"
[25:]
"Neen, mijn
engagement is af!"
Het werd koud en droog gezegd, maar als de middelste dikke balk van
het geelgeschilderde plafond met lamp en al naar omlaag ware gestort,
zouden vader en zoon niet verschrikter hebben kunnen opzien.
"Wa - a - at ! vroeg de baron, en sperde zijn waterachtige, met
bloed beloopen oogen wijduit elkander; nu was hij voorgoed wakker.
"Och, - kom!"
En Willem keek haar ongeloovig aan.
"Maar kind! Dat is toch niet, waar!"
"Prada, je droomt!"
"Ik wou dat het waar was. Ik heb 't zelf afgemaakt."
"Je bent gek "
"Is de boel op?"
Willem zag haar op die vraag van zijn vader scherp in de oogen; zij
bleef onverschillig voor zich kijken.
"Ik hoorde van middag er over smoezelen in de soos, men durfde
't mij natuurlijk niet vragen, en ik vond het te gek om alleen te loopen.
"Zeg nu wat, Leonore!" 't Moest al heel ernstig zijn als Willem
"Leonore" zeide; die naam, meende hij, paste wel op "Arethuse"
maar niet hier in dezen kalen boel; "een man als Otto bedankt men
toch niet om niemendal, nog geen week na den dood van zijn vader."
"Heb je met hem gekibbeld? Dan als de drommel pen en papier gehaald
en hem excuses gemaakt. Jij kwaje meid! Toen ik bezwaren had tegen dat
huwelijk, omdat het zulk grof bloed bracht in de aderen van een Asseleyn,
heb je er je niet aan gestoord, en
[26:]
nu ik er in berust,
ga jij 't afmaken. Dat zijn vrouwenkuren, niets meer. En ik wil 't niet,
versta je? Je trouwt met Otto, of ik zal je toonen dat ik je vader ben
en het recht heb je te commandeeren."
"Schei toch uit, Pa!" viel Willem in, "laten wij eerst
hooren wat zij er over te zeggen heeft."
Leonore had met over-elkaar-geslagen handen tegenover beide mannen gezeten,
een beeld van kalme gelatenheid en trotsche berusting.
Nu wendde zij even het hoofd naar haar vader en vroeg, altijd met dezelfde
bedaardheid:
"Heeft Papa gedaan?"
"Nu, dat wil zeggen als. . . ."
"'t Is waar wat de menschen zeggen, maar 't is een geheim; de zaken
zijn daar in de war. . . . "
"En heeft de ouwe zich. . ."
Zij haalde de schouders en de wenkbrauwen op.
"Dat weet ik niet, daarover liet Otto zich niet uit. Hij heeft
de boeken ingezien en er schijnt een verbazende verwarring te heerschen.
Ik heb er de helft niet van begrepen. Die cijfers maken iemand duizelig."
Zij drukte, de hand op het hoofd en kneep de oogen toe.
"Maar dat is zeker, als nu de fabriek verkocht werd, dan zou er
een belangrijk tekort zijn. En de stille firmant heeft zijn geld teruggevraagd.
Daar staan hypotheken op alles. Zegt men dat zoo niet?"
"Maar mevrouw haar geld is er toch! Wanneer de fabriek nu liquideert,
dan kan zij nog altijd goed leven, meer dan goed zelfs, en Otto kan
zijn detacheering naar Indië vragen."
[27:]
"Neen, dat
wil hij niet."
"Verduiveld, wat wil hij dan?"
"Met het geld van zijn moeder den vennoot betalen, zelf zijn ontslag
nemen en de zaak voortzetten."
"Maar is de vent gek!"
"Dat heb ik hem ook gevraagd."
"Daar ken ik Otto aan, zoo'n beste, eerlijke vent. En heb je hem
daarvoor bedankt, Prada!"
"Natuurlijk, ieder kan wel op zijn vingers uitrekenen dat het op
die manier over een jaar weer misloopt, en wat moet Otto dan beginnen?
Hoe wil hij nu fabrikant worden? 't Is te dwaas!"
"Maar 't is toch vreeselijk, de boel op! En toch verwondert het
mij niet. Zij leefden er maar op los. Jongen, jongen! wat heb ik hem
in Parijs en Berlijn het geld bij hoopen het raam uit zien gooien. Jongen,
jongen! zei ik hem dikwijls. . . ."
"Maar je moest je schamen, Leonore!"
"Waarom? Omdat ik bedank weer krimp te lijden? Ik zou een blok
aan zijn heen zijn, meer niet."
"Heeft hij je zijn woord teruggegeven?"
"Hij liet het mij over!"
"En je hebt zonder verdriet, alleen uit koele berekening, hem bedankt!"
"Hoe weet je het, dat het mij geen verdriet doet?"'
"Dan had je stellig anders gedaan!"
[28:]
"En dat bouwen
en dat vergrooten van de fabriek. 't Ging maar van den hoogen boom.
Ik heb er altijd een zwaar hoofd in gehad, en die aap, die van geen
toeten of blazen weet, wil die de boel weer releveeren? Kwajongenswerk."
"Vader en dochter schijnen het bij hooge uitzondering eens te zijn,"
zeide Willem met een bitteren lach.
"Ik vind het min van je, Leonore, heel min!"
"'t Spijt me, Willem," antwoordde zij, "maar ik kan niet
anders handelen. Als hij naar Indië gedetacheerd was, zou ik bepaald
met hem zijn meegegaan, al was dan ook ons lot niet schitterend. . .
. "
"Maar nu hij zijn loopbaan verschopt om de eer van zijn vader te
redden, nu laat je hem alleen ploeteren en werken en geeft hem niet
eens hoop. Toen hij je vroeg, was hij rijk en jij niets. Hij deed je
een eer met jou te vragen. . ."
"Behalve dat zij een Asseleyn is van Asserede, en zijn grootvader
een gewoon smid. De eer was aan hem."
"Kinderpraatjes, en dat weet Leonore ook goed genoeg, daarbij heeft
zij alles te danken aan de Waelbeke's."
"Nu nog mooier! Nadat zij mij in een stand hebben gebracht, en
mij neigingen gegeven, veel te hoog voor mijn omstandigheden, zou ik
uit dankbaarheid mijn leven verspillen in hopen op niets? Dank je wel,
hoor! Ik hou er niet van mij vast te laten zetten aan een ketting van
gegeven stukjes brood."
"Zwijg, Leonore, je gaat te ver!"
"Kinderen, geen gekibbel, wat ik je bidden mag!"
[29:]
"En wat ga
jij nu doen, Prada?"
"Gouvernante worden, natuurlijk!"
"Ons in den steek laten?"
"Nu ja, dat zal u wat kunnen schelen."
"Als je een man als Otto verlaten kunt, dan zal het je niet moeilijk,
vallen je ouden vader en hulpbehoevenden broeder aan hun lot over te
laten."
"Och ja! U kan 't best stellen zonder mij en ik moet toch de wereld
door!"
"Prada opzoeken, nadat je het echte goud hebt weggegooid. Je krijgt
wat je verdient."
De oude baron draaide om de tafel, stak zijn sigaar aan bij de walmende
vlam en sprak eindelijk:
"Je hebt mij met je nieuwtje zoo van streek gemaakt, Nore, dat
ik maar een uurtje naar de soos ga."
"Zou u dat niet laten, Pa?" vroeg Willem, "in deze omstandigheden,"
en toen binnensmonds: "morgen is alles de stad door!"
"Wat denk je? Dat ik ooit over familiezaken in de societeit praat.
Nooit of nimmer, hoor! Die zijn me te heilig! Je kent je vader slecht,
Willem!"
Willem voelde zich te lusteloos om te antwoorden. Hij verzette zich
niet verder tegen den uitgang van zijn vader, en Leonore en hij bleven
een oogenblik alleen.
Een poos zwegen zij; eindelijk zeide Willem zuchtend:
"Die arme, arme Otto, wat zal hij teleurgesteld zijn."
[30:]
"Ja, in jou!
Hij zag van jou ook niets anders dan het "prada" en ik liet
hem in 't idee dat het zuiver goud was. Ik wist wel beter."
"Je bent vervelend, Willem, en je denkt volstrekt niet, hoe zwaar
ik geslagen ben."
"Kom, jij! Adieu, ik ga uit!"
"Naar . . . . hem? Wees toch wijzer!"
"Goeienavond!"
Zij hoorde een poos het stooten van zijn kruk, eerst op de steenen van
de gang, toen op de klinkers van het voetpad en eindelijk op den straatweg;
in de bijna hoorbare stilte van het kleine stadje stierf dat hortende
geluid langzaam weg.
Nu zij zich alleen wist, stond Leonore langzaam op en ging voor den
spiegel staan.
"'t Is zoo jammer, zoo jammer," herhaalde zij telkens:
"Die illusie van mijn leven! 't Scheen zoo gauw te lukken, zoo
verbazend gauw, en nu alles weg! Weer heel opnieuw beginnen: Maar hoe,
maar wat!"
Zij draaide zich een weinig, om haar fraaie buste en bijna overdreven
rijzige figuur in den spiegel te bewonderen.
"Willem heeft gelijk. Ik ben in deze kamer als verdwaald. Ik walg
van alles, en alles kijkt, me verbaasd aan. Hoe eer, hoe beter moet
ik van hier weg. Ik zal eerst opleven als ik weer mooie meubels en helder
licht om mij heen zie. Gouvernante worden is niet alles, maar mijn diploma
is mijn laagste kaart."
"Waar zullen wij nu heenschrijven? Ik wil twee, drie
[31:]
koorden op mijn
boog hebben, en ik kan hem niet meer terugzien. Willem zal er weer op
hameren dat ik hem mijn jawoord teruggeef. Dat kan je denken! Geen Don
Quichotte tot man! Zonder practischen zin, kom je in onzen tijd niet
meer door de wereld."
Zij wierp zich in den gemakkelijken stoel van haar vader en eensklaps
dacht zij aan andere avonden op Arethuse, en al wilde zij 't zich ook
niet bekennen, hoorde zij weer die volle, buigzame stem van Otto, voelde
zij weer zijn arm om haar hals.
"'t Is toch jammer, 't is toch jammer!" herhaalde zij weer,
en vóór dat zij 't wist, stopden haar droge, koude oogen
vol tranen en nu snikte zij zacht: "'t is vreeselijk jammer, alles
weer van voren af aan! maar zooals nu tref ik het nooit meer bij elkaar."