I [5:]
"Dus kan het
niet anders?"
Achter hen gloeide het bosch in volle herfstpracht, de ondergaande zon
had alle boomen in vlammen gestoken; het helderste goudgeel ging op
in rosse vurigheid, groenrood, bruin paars, geelbruin, alles smolt ineen
tot een kolossalen brand; de lichte wolkjes, waartusschen de zon langzaam
nederdaalde, schenen gouden rozen, drijvend op een zee van oranje, die
onmerkbaar zacht, langs fijne lilatinten wegsmolt in het teerste blauw.
Aan hun voeten glooide zacht de heideweg, die reeds langzaam haar winterkleur
aannam, maar toch een warmen gloed behield door de rose klokjes, die
nog aan de half verdorde struikjes bleven hangen.
Zij stonden beiden stil en zagen rondom hen; was dat niet het beeld
van hun lot, die korte lente van hun
[6:]
geluk, door geen
zomer gevolgd en plotseling overgaande in een somberen herfst? Die brand
van hemel en aarde, waren het hun schoonste illusieën niet, opgaande
in vlammen?
Toen liepen zij langzaam voort; het droge heidekruid kraakte onder hun
voeten, elke stap, dien zij deden, vertrad een hoop, een geluk. Zij
waren beiden jong, schoon, krachtig; een week geleden schitterde alles
om hen nog in vollen zonnegloed, maar die gloed was bedrieglijk geweest,
bedrieglijk als de schoonheid van dezen herfstavond, die reeds morgen
of over een uur plaats zou maken voor de kille ruwheid van den naderenden
winter.
Hij was vijf- of zes-en-twintig jaar oud, zij een paar jaar jonger;
hij droeg een officiersmantel los om de schouders, zijn gelaat stond
bleek en vermoeid als van iemand, die in lang niet geslapen of zelfs
gerust heeft.
Mooi van trekken in de gewone beteekenis van het woord was hij niet,
maar er lag iets rustigs, iets aangenaams in de heldere open oogen,
in het door een blonden baard omringde gelaat. Die oogen vooral, met
hun altijd wisselende uitdrukking en kleur, zouden aan het leelijkste
gezicht nog aantrekkelijkheid aan de onbeduidendste trekken waardigheid
hebben gegeven; nu stonden zij mat en moe, maar toch rustten zij vol
teedere; onderzoekende zorg op het meisje naast hem.
Zij ging met gebogen hoofd, haar groote hoed bij de linten om haar linkerarm
gestrikt; met de punt van haar roode parasol stiet zij de heideplanten
voor haar voeten weg; zij had de eigenaardige, ras verra
[7:]
dende schoonheid,
die niet anders dan door een lange reeks van geslachten, waarin het
edele bloed zuiver bewaard is gebleven en aan het lichaam groote zorg
is besteed, verkregen kan worden; haar tint had de witte kleur van oud
ivoor; thans, onder de schuine; rosse stralen der ondergaande zon, nam
zij een nog fijneren toon aan. Haar dikke, half gekrulde, licht kastanjebruine
haren werden in diezelfde stralen met goud overglansd; haar oogen van
dezelfde vreemde roodbruine kleur, welke, hoewel veel donkerder, tot
de kleurengamma behoorde van haar gelaatshuid en haar lokken, flikkerden
van kleine vonkjes; haar neusvleugels, die nu zenuwachtig trilden, verrieden
temperament, maar de vierkante kin, de dunne, hoewel onberispelijk zuiver
geteekende lippen een vastberadenheid, die de kracht had, alle opwellingen
van dat temperament te onderdrukken. Om de wat al te rijzige gestaite
sloot het bruinrood lakensche kleed, zonder eenig sieraad, maar van
een snit, die aan Redfern deed denken en volkomen overeenstemde met
haar gelaatskleuren; zij liet den korten sleep over de heide glijden,
en sloeg er geen acht op, zoo was zij verzonken in haar gedachten, meer
dan in het gesprek.
"Dus, Leonore?" vroeg hij na een oogenblik.
"Ik zie er niets anders op, Otto," antwoordde zij.
"Je hebt dus geen moed!"
Zij hief het hoofd op en zag hem aan; langzaam, bijna kletterend als
regendruppels op een ijzeren plaat, vielen de woorden van haar lippen.
"Ik weet niet of het moed is, die mij ontbreekt, Otto, maar in
elk geval vertrouwen."
[8:]
"Vertrouwen
op mij, Leonore?"
En zijn stem klonk bedroefd.
"Op jou, of liever op de taak, die je op je neemt. Ik zeg het je
oprecht, ik noem het Don-quichotterie, anders niets."
Elk woord sneed hem als een zweepslag door het gezicht en hij wendde
den blik af.
"Ik heb er lang over nagedacht, Leo," antwoordde hij, "geheele
nachten, en ik zie er niets anders op."
"Had je de gedachten van anderen geraadpleegd, dan zou het resultaat
van je eigen misschien anders zijn uitgevallen."
"En beter ook?"
Zij haalde de schouders op.
"Er is maar een ding, Leonore, dat mij nog bindt aan het verleden;
en dat is mijn woord aan jou."
"O, laat je dat niet afschrikken! Ik geef het je dadelijk terug!"
"Kan je dat zoo zeggen, zoo koel, zoo. . . . ."
"Nu, ik zie dat het je drukt, je in den weg zit voor je edele voornemens;
nu weet ik niets spoediger te doen, dan je er van te ontslaan."
"Maar. . . maar. . ."
"Ja, je moet kiezen, het een of het ander. Je mooi plan, ofwel.
. . mij."
"Dus als ik eenvoudig deed, wat. . ."
"Ieder in jou plaats zou doen, dan - ja, dan spreekt het van zelf,
dat ik mijn woord zou houden."
De laatste woorden kwamen er met moeite uit, als viel het haar zwaar;
ze uit te spreken.
[9:]
Haar blik vestigde
zich op een groep statige boomen aan hun rechterhand, uit welke nog
volIe kruinen de schoorsteenen van een suikerfabriek omhoogstaken.
Schoorsteenen, die thans echter niet rookten en kil en strak zich afteekenden
tegen de violetblauwe lucht.
"Maar kan ik dat in geweten doen, Leonore?"
Weer dat minachtende schouderophalen, en het onderste lipje werd even,
haast onmerkhaar, vooruitgestoken.
"Daar heb ik geen verstand van, Otto."
"Geen verstand van? Je weet toch dat in de Tien Geboden staat:
"Gij zult geen onrechtvaardig goed begeeren," en wat zou ik
anders doen, als ik de geheele fabriek liquideerde en vaders erfenis
onder, voorrecht van boedelscbrijving aannam?"
Zij zweeg.
"'t Spijt me, dat wij het niet eens kunnen worden, Leonore!"
zeide hij moedeloos.
"Niet eens!" en nu sprak zij vlugger en met meer vuur, "er
valt niet eens te worden. Jij hebt je plan opgevat; -'t is doodeenvoudig
helder, als glas. Je vader deed schitterende zaken, hij heette een rijk
man, en nu hij dood is, blijkt dat alles maar klatergoud was. Hij leefde
van het geld van anderen; hij heeft een commanditair vennoot met valsche
- ik bedoel geflatteerde - balansen overgehaald een groote som te storten
en daardoor was 't mogelijk de zaak nog een poos schijnbaar te rekken,
en nu is je vader gestorven - aan een beroerte, of een hartziekte. .
."
Zij sprak die laatste woorden weer langzamer uit, en
[10:]
intusschen volgden
haar oogen onder de lange wimpers opmerkzaam elke beweging, elke schaduw
van een gedachte op zijn gelaat; hij liep nu met de handen op den rug,
het hoofd dieper gebogen.
"Wat het is, weet ik, de aanstaande schoondochter, niet eens,"
ging zij scherp voort, "maar het doet er niet toe; hij is dood,
de vennoot vraagt zijn geld terug, en zooals nu de zaken staan kan men
het hem niet teruggeven; en nu zal Otto Waelbeke de verplichtingen van
zijn vader op zich nemen, en zonder dat hij eenig verstand van de zaak
heeft, zijn ontslag nemen uit den militairen dienst, en - natuurlijk
zijn meisje haar afscheid geven."
Een pijnlijke stilte volgde, alleen afgebroken door het kraken van het
heidekruid onder hun voeten en het ruischen van haar japon over het
droge mos.
"Heb je gedaan, Leonore?" vroeg hij met gedempte stem, en
toen zij bleef zwijgen: "je begrijpt niet en kunt het niet begrijpen,
hoe je manier om de zaak om te vatten, mij pijn doet."
"Maar is dat zoo niet? ik ken geen andere manier."
"Ik voel het, je bent verbitterd, en dat ik die verbittering in
je doe ontstaan, is misschien het hardste van alles, - na het vooruitzicht
je te verliezen."
"O, zoo!"
"'t Is voor mij een slag geweest, een vreeselijke slag; ik ben
in de week, na vaders dood, tien, neen twintig jaren ouder geworden.
't Is waar," en hij glimlacht treurig, "ik was een groot kind,
niet veel meer, vóórdat het gebeurde. Ik heb mijn tijd
verspeeld, alleen
[11:]
voor mijn genoegens
heb ik geleefd. Dat papa zoveel geld verteerde, het kwam hoofdzakelijk
door mij; hij kon mij geen enkele gril weigeren; ik heb hem veel gekost
door mijn dure liefhebberijen, en eerst sedert ik jou terugzag ben ik
tot nadenken gekomen."
Het edele zelfverwijt, dat uit zijn woorden sprak, liet haar koud; zij
was te veel vervuld van belangstelling in zichzelf.
"Ja, toen ik je leerde liefkrijgen, toen was het te laat, veel
te laat; dat zie ik nu in. Mijn toekomstig leven zal aan hard werk gewijd
zijn, ik mag niet aan trouwen denken, vóórdat ik weet
hoe de zaken loopen; ik moet nu ook voor mijne moeder en de kinderen
zorgen."
"Maar je moeder heeft toch geld van zichzelf. Dat weet iedereen,
zij was een rijk meisje."
"Nu niet meer."
"ls haar geld ook in dien chaos verdwenen?"
"Het zal er ten minste in verdwijnen."
"Maar Otto!"
Zij zag hem verontwaardigd aan.
"Wat handel je toch onverantwoordelijk dwaas! Je neemt immers veel
te veel op je schouders, dat kan je niet dragen."
"En daarom wil je mij niet er in helpen?"
"Ik je helpen," zij lachte spottend, "dat zou mooi helpen
zijn. Ik zou het je maar moeilijker maken, als ik je sleep nog vermeerderde;
die sleep is waarlijk zwaar en lang genoeg. Dora op kostschool, Willem
op het gymnasium, Maus en Marietje nog haast in de kin
[12:]
derkamer en mama
in het salon, en ik er dan nog bij. Dank je, hoor!"
Zij schoof den ring van haar vinger op en neer.
"Dus je wilt niet wachten."
"Waar zou het toe dienen? Doe jij wat je goeddunkt. Ik zal mijn
weg zoeken en. . . en. . . als later. . ."
"Als je niets beters gevonden hebt, en mij gaat het redelijk, dan
kunnen wij altijd nog zien. Bedoel je dit, Leo?"
Zijn stem klonk nu nog bitterder dan de hare, zoo scherp als zij nog
nooit van hem had gehoord; maar zij durfde niet j a antwoorden, en als
zij n e e n zeide, begreep hij toch dat zij onwaarheid sprak.
Hij zag haar lang aan, en nam haar beeld in zich op zooals het daar
stond, nog in den vollen glans van de zonnestralen, gebaad in goud,
als het ware, goud uitstrooiend van haar en oogen, van handen en kleederen
zelfs. Bittere smart vervulde zijn ziel. Hij had haar zoo lief, zoo
innig lief, niets was hem op het oogenblik liever, dan haar op te nemen
in zijn armen, met haar te vluchten naar een verafgelegen land, naar
een tooverland, waar geen, zorgen waren en geen smart, geen nacht en
geen winter, waar zij altijd baden kon in goud en schitteren in juweelen,
en hem slechts beloonde met haar schaarschen, maar dan ook onweerstaanbaar
zoeten glimlach.
Doch de glimlach was dood op haar lippen en de zonnestralen verglommen,
en ontdaan van dien glans stond zij naast hem, dof, mat, koel.
"Wat helpt het mij, of ik je beloof, Otto, op je te
[13:]
wachten? Het kan
jaren en jaren duren; wij worden er oud onder, onze beste krachten gaan
er mede heen. Wij worden moe en bitter onder de eindelooze teleurstellingen.
Als het tijd is, wat dan? Wat blijft er dan over? Twee gedesillusioneerde
menschen, anders niets, en een in ontbering en verdriet verspilde jeugd."
"Je vergeet," zeide hij bijna schuchter, "dat mij dan
in mijn donker leven nog altijd een straaltje hoop overblijft, een licht
in de duisternis."
"Mij geeft dat geen licht, integendeel, de gedachte dat jij in
je zorgen nog aan het oprichten van een huishouden moet denken, zal
mijn last nog zwaarder maken."
"Dus je breekt af?"
"Ten minste als. . . ."
Zij hield den ring reeds in de andere hand en weifelde.
"Als ik gevolg geef aan mijn plan. En ik kan, niet anders, Leonore,
waarlijk niet. Je wilt toch niet, dat ik je een onreinen naam geef,
in ruil voor je edelen titel?"
"Och, je weet, in onzen tijd ziet men die dingen anders in. Zulke
ouderwetsche idee's als naam en stand, daar kijkt men nu op neer."
"Ik niet, Leonore!"
"Je hoort ook niet in onzen tijd thuis."
Zij stonden juist voor de fabriek, met haar kolossale, stevige gebouwen,
en het mooie woonhuis daarnaast, een villa, waarvan de naam "Arethuse"
met gouden letters op het hek stond, een villa met veranda's en balkons,
waarom zich de bloedroode wijnrank in, een weelde van grillige kronkelingen
slingerde; de tuin
[14:]
schitterde nog
in vollen zomertooi, al waren net vooral de dahlia's en asters, in vollen,
veelkleurigen glans, die er dezen rijkdom van kleuren aan gaf.
Anders was alles om dezen tijd in de villa leven en beweging; de sportkar
der kinderen, de theetafel van mevrouw, de bonte papegaai in zijn vergulde
kooi, de Japansche kakameno's en Chineesche lantaarns in de warande,
de vroolijke bloemen in vazen en potten, alles was nu weg, de gordijnen
hingen neer, op alles drukte nog de schaduw van den treurigen stoet,
die er vóór eenige dagen uitgetrokken was.
Leonore zag met matelooze spijt naar de thans zoo droevige, rouwdragende
woning; wat had zij zich daar in de laatste zeven jaren thuis gevoeld.
Met hoeveel liefde en hartelijkheid was "Otto's meisje" daarin
steeds ontvangen, wat droegen de oude heer en mevrouw haar op de handen,
wat hingen de kinderen aan haar kleeren en hoe voelde zij zich opleven
in deze weelderige, elegante omgeving, die zoo verschilde met haar treurig
kaal eigen tehuis! En nu stond zij voor de deur en mocht of wilde er
niet meer binnen.
"Wil je even mama groeten?"
Zij schudde het hoofd.
"Waar dient het voor? Het zou je taak maar verzwaren."
Hij zuchtte, ja zij had gelijk, zijn moeder en Leonore sympathiseerden
nu beter dan ooit, beiden zouden vinden dat hij dwaas, zeer dwaas handelde.
't Eenige verschil was, dat Leonore alles begreep, maar dat zijn mama
de handen tegen het hoofd drukte, schreide en klaagde, om
[15:]
dat zij volstrekt
geen verstand had van al die cijfers, dat haar beste man er haar steeds
buiten had gehouden. Hij gunde haar geen zorgen en verdriet, maar Otto
wist haar niet te sparen.
"Drukt je dien ring zoo, Leo? Geef hem dan maar hier!" zeide
Otto; zijn stem klonk nu zoo zacht, zoo onnatuurlijk week, en uit zijn
oogen sprak een wereld van smart, en toen voor het eerst voelde Leonore
dat haar zelfvertrouwen haar verliet, dat zij voor een ondeelbaar oogenblik
zich afvroeg, of de liefde, de achting en de steun van dezen man niet
meer waard waren dan alle schatten der aarde, en of zij niet met dit
eenvoudig ringetje een kostbaar kleinood, het geluk van haar leven wegwierp.
"Maar neen! ik wil verstandig zijn, met gevoel komt men niet door
de wereld. Mij binden aan zoo'n Don Quichotte, morgen reeds zou 't mij
spijten. Zoolang ik vrij ben, staat de wereld voor mij open."
En zij gaf hem den ring; hij nam nu den zijne en wilde haar dien ook
teruggeven, maar plotseling bedacht hij zich.
"Neen," zeide hij vastberaden, "ik zal hem houden. Dat
is nog een band, een enkele, een zeer zwakke, maar wie weet, of het
voor mij geen spoorslag zal zijn om voort te gaan, of het mij niet zal
opwekken, als ik moede word en wanhopend! Mag ik hem houden, Leonore,
als een aandenken of als een pand van misschien ijdele hoop?"
"O, zeker! Een herinnering aan iemand, die je toch gauw genoeg
vergeten zult."
[16:]
"Dat verdien
ik niet, Leonore; mag ik je thuisbrengen, want wij scheiden immers in
vrede?"
De zon was ondergegaan en nu lag doffe schaduw over de heide; de weg
voerde in een kwartiertje naar de kleine stad, waar Leonore woonde.
"Och nee! 't Is beter, dat wij hier maar scheiden," zeide
zij koel. "Adieu, Otto."
"Leonore! Ik had het niet gedacht!"
"Ieder zou zoo handelen in mijn plaats."
"Ja, ieder! Maar jij niet, dat meende ik vast."
"Dus ik val je tegen, het spijt me!"
"En wat ga je nu doen?"
"Stel je daar nog belang in? Doodeenvoudig, een advertentie in
de courant zetten, gebruik maken van mijn diploma."
"Wij gaan dus samen een kleurlooze, sombere toekomst tegemoet.
Zal het je waarlijk geen goed doen, als er dan nog een klein sterretje
flikkert in de verte?"
"Och Otto! Wees zoo poëtisch niet, de tijden zijn zoo bar
ernstig! Wat geeft het toch, niets dan armoede en ellende in het verschiet?
't Is immers beter, dat alleen te dragen, alleen den strijd des levens
te voeren."
"Dat vind ik niet!"
"Ik wel. Ik schijn de sterkste van ons tweeën, daarom moet
ik ook resoluut den knoop doorhakken; dat weifelen brengt ons geen stap
verder. Goedennacht!"
"Geluk op je weg, Leonore! Dat het zoo eindigen moest!"
Hij hield haar hand in de zijne, dorstig en verlangend zag hij haar
in het gelaat; hij smachtte naar een
[17:]
goed woord, een
vriendelijken lach, naar een kus, naar iets wat naar hoop zweemde, iets
wat beter was dan het koele verstand, dat zij onophoudelijk tegen hem
liet spreken, naar een traan misschien, die het verdriet der scheiding
deed blijken.
"Lieveling!" fluisterde hij, "ik heb je nog altijd even
lief als dien avond, je weet wel; daar in het priëel."
Zij trilde van het hoofd tot de voeten.Gelukkiger dan dien avond, zou
zij het ooit worden? Maar het was immers de bekentenis van zijn liefde
niet alleen, die haar toen doortintelde van genot; het bewustzijn haar
doel bereikt te hebben, rijk te worden, zeer rijk, dat sprak toen ook
mede, misschien het hoogst.
"Dat is voorbij," sprak zij koud en hard, trok haar hand snel
terug, nam haar sleep in de hand en liep vlug den weg op, naar de stad.