[209:] XVI.
Daisy kwam, na een
heerlijk ritje schaatsen, t'huis; juffrouw Van Duin was met haar op
de ijsclub geweest en zij had daar met vriendinnen gereden, want tegenwoordig
hield Daisy met meisjes van haar leeftijd conversatie. Anders ging freule
Leonore ook mede; vandaag had zij zich niet wel gevoeld en zou daarom
liever t'huis blijven.
Daisy zag er kostelijk uit met gloeiende wangen schitterende oogen,
vroolijk lachende lippen, een beeld van jonge gezondheid en levenslust.
Juffrouw Van Duin netjes als altijd, ging dadelijk trappen op naar de
tweede verdieping haar kamer om haar goed te bergen. Daisy had veel
te vertellen aan haar Papa en liep regelrecht door naar de eetkamer
die op de 's winters als serre ingerichte veranda uitkwam.
Nog verblind van het felle licht van den helderen winter dag bleef zij
even in het halfdonker der kamer staan;
[210:]
zij zag niets maar
zij hoorde druk fluisteren, in de serre, die door groote palmen van
de kamer gescheiden was.
Reeds wilde zij vertrekken, misschien was freule Asseleyn daar met haar
aanstaande, een oogenblik later hoorde zij het geluid van kussen en
een gedempte stem die duidelijk zeide: "Mijn engel; mijn lieveling!"
Het bloed vloog Daisy naar de wangen, zij moest zich aan een stoel vasthouden
om niet in elkaar te zakken, dat was de stem van haar vader; even om
het hoekje van de tobbe waarin de palm stond, maakte de terracottakleurige
slip van Leonore's japon een vlek op den grond. Zij drukte haar gezicht
in het mofje om een gil te smoren, even wachtte zij nog, daar zag zij
duidelijk het hoofd van hare gouvernante vlak naast dat van haar vader.
Er was geen twijfel meer mogelijk; op dezelfde plaats, waar Leonore
zich zoo kort geleden door Otto had laten kussen, daar zat zij nu naast
van Mac Dunolly.
't Duurde een oogenblik vóór dat het kind tot zichzelf
kwam; plotseling voelde zij zich ijskoud, haar wangen waren blauwbleek,
zij sidderde over haar geheele lichaam, alles duizelde haar voor de
oog en of zij een hevigen slag tegen het hoofd had ontvangen. Zij schuifelde
wankelend naar de deur terug; de twee hadden haar niet gehoord, verdiept
als zij waren in hun liefdesduet. In de vestibule bleef zij als versteend
staan; zij hoorde stappen naderen, zij wist niet van welken kant en
op eens voelde zij behoefte om te vluchten ver van hier; machinaal ging
zij naar de voordeur, opende ze en stond buiten.
[211:]
De schemering viel
reeds, maar het was de schemering van een prachtigen winterdag, de roodgouden
weerschijn van de ondergegane zon lichtte nog over den halven hemel
en hield de invallende duisternis tegen, de sneeuw, die grond en boomen
bedekte, ving dat licht op en kaatste dat weer terug.
Het meisje stond op de stoep, nog altijd wezenloos van den ontvangen
slag; de huisdeur had zij achter zich toegetrokken, zij wilde haar vader
en gouvernante niet ontmoeten, zij zou hen niet kunnen aanzien, niet
kunnen aanhooren. In haar binnenste woelde weer de storm van haar onstuimige
natuur, welke zij in de laatste jaren had leeren bedwingen, maar die
een rustende vulkaan gelijk nog altijd smeulde, gereed tot uitbarsting.
"Weg, weg van hier of er gebeuren vreeselijke dingen!" Zoo
hamerde het in haar hoofd en zij liep de steenen treden af, onder aan
de trap bleef zij staan; maar waar wilde zij heen, als zij het huis
haars vaders verliet? Daar viel het haar in dat er een was, steeds gereed
haar te raden en te helpen, die bedroog haar niet, op hem kon zij bouwen
als op een rots; zij dacht er niet aan dat Willem Leonore's broer was,
zij stelde belang in hem en zij vertrouwde hem en toen vervulde haar
een onweerstaanbaar verlangen naar hem te vlucnten en die hier te laten,
hen niet te storen in hun geheimen.
Zij ging den voortuin uit en liep den weg op, zoo vlug zij kon; het
was of zij vleugels aan de voeten had.
Dof herinnerde zij zich, dat om dezen tijd een trein naar Ankeloo vertrok.
Willem ging daar altijd meê als hij naar huis terugkeerde; het
juiste uur wist zij
[212:]
niet maar het kwam
er niet op aan; zij wilde wachten aan het station tot er een trein daarheen
vertrok, want hier blijven in het huis kon zij niet.
Zij liep voort tot aan de Weteringschans en stapte daar in de tram die
naar het Rhijnspoor reed. Nu voelde zij zich weer kalm, onnatuurlijk
kalm; zij zag haar portemonnaie na, er waren eenige guldens in, niets
meer. Aan het loket vroeg zij een kaartje eerste-klas, het kwam haar
niet in den zin, dat men anders reizen kon.
De beambte gaf haar een kaartje en vroeg een prijs bijna eens zoo veel
als het geld dat zij bij zich had. Daisy schrikte, voor het eerst kwam
de strenge realiteit haar aan den arm schudden.
"Maar ik heb zoo veel geld niet," antwoordde zij verlegen.
De employé zag het mooie meisje in het elegante rijke wintertoilet
achterdochtig aan.
"Dat kan ik niet helpen," antwoordde hij barsch en borg het
kaartje weer weg.
"Wat moet ik dan doen?" vroeg zij radeloos, "ik moet
van avond in Ankeloo zijn."
"Reist u dan derde," zeide de man spottend.
"Kan dat?" vroeg zij blijde en legde haar kleinen schat voor
het loket neer.
Hij streek het geld op, gaf haar een wit kaartje en nog een paar kwartjes
en dubbeltjes terug; op het perron vroeg Daisy aan een conducteur, wanneer
de trein vertrok.
"U moet zich haasten, daar staat hij al. Welke klasse, dame? Eerste,
tweede?"
"Neen, derde," antwoordde Daisy zonder eenige ver
[213:]
legenheid, maar
toen zij in een opgepakten wagon zat tusschen vrouwen met groote pakken
en manden en schreeuwerige kinderen, en mannen in blauwe kielen met
petten op, die slechte tabak rookten, op banken van vuil geel geschilderd
hout, met een vloer vol onbeschrijfelijke morsigheid onder de voeten,
toen voelde zij zich hier niet op haar plaats en voor het eerst van
haar leven begreep zij het verschil tusschen klassen, rangen en standen
op gevoelige manier.
Zij zat benauwd, haar oogen traanden van de tabaksltucht, de menschen
zagen haar nieuwsgierig een weinig wantrouwend aan, zij ook voelden
dat zij onder hen niet t'huis behoorde; eenige maakten een praatje,
zij antwoordde er niet op; toen begonnen zij over haar te praten en
grof te schertsen. Zij beet zich op de lippen om niet in tranen uit
te barsten; ieder oogenblik dacht zij dat het een droom was en zij wakker
zou worden in haar eigen bedje; waar dan bedacht zij zich weer. Neen,
zij vluchtte weg uit haar eigen huis.
Met het gezicht in de mof gedoken, rillend van koude en zenuwachtigheid,
op het tipje der bank zittend, liet Daisy hen praten en lachen en deed
of zij hen niet verstond.
Betere partij had zij niet kunnen kiezen, langzamerhand werden zij het
moe over haar te spotten en toen raakte de wagon ook leeger naarmate
de trein verder ging.
Buiten was het stikdonker, de mooie winterdag ging onder in een avond
vol sneeuw. Daarbuiten warrelde die sneeuw in eindelooze kringen en
viel altijd maar door op lagen van dons. Wit, wit, wit, alles wit daar
om haar heen; de trein had moeite voort te komen; hij
[214:]
zwoegde maar verder,
hijgend, zuchtend kermend en het werd later en later, een half uur,
een uur over den tijd.
Daisy zat te rillen in den kouden, tochtigen wagon, haar voeten waren
ijsklompen gelijk; zij had kunnen schreien van de pijn, zij trappelde
er mede om er beweging in te krijgen maar 't hielp niets, haar vingers
tintelden wanneer zij ze maar eventjes buiten de mof hield.
Niemand zat bij haar dan een fatsoenlijk maar zeer sober gekleede vrouw
met een klein kindje, dat erbarmelijk huilde en door de moeder vergeefs
gesust werd.
"Waarom huilt het zoo?" vroeg Daisy medelijdend.
"'t Heeft het zoo koud en 't is hongerig!" antwoordde de moeder
zuchtend.
"Maar u heeft geen warmen doek. Ik ben er goed ingestopt en ik
heb 't toch koud."
De moeder wikkelde het in haar eigen omslagdoek en antwoordde niets,
maar de droevige uitdrukking van haar oogen zei genoeg..
Daisy zag haar portemonnaie na; er was nog zoo bitter weinig in, maar
dit weinigje schraapte zij bij elkander en stopte het de vrouw in de
hand.
"Wil u, wil u!" vroeg zij blozend, "een doekje voor het
kindje koopen om het er in te doen als u weer reist? 't Is niet veel
maar ik zelf heb niets meer bij mij vandaag."
De vrouw zag het deftige meisje, dat niet hoorde in de derde klasse
en haar platte portemonnaie voor haar geheel ledigde, dankbaar aan en
zeide:
"God zal u loonen! en u geven wat u het liefste wenscht."
[215:]
Een oogenblik later
werd eindelijk Ankeloo geroepen.
Zij stapte uit en keek radeloos om zich heen. Er was haast niemand op
het eenzame perron, zij ging naar buiten, het zag er desolaat uit. Sneeuw,
weer niets dan sneeuw, sneeuw van boven, sneeuw van onderen, sneeuw
van alle kanten, die sneeuw verblindde haar, deed haar duizelen maar
er was niets aan te doen, zij moest vooruit en zij ging onverschrokken
door den sneeuwstorm; die haar als met gloeiende naalden door het gelaat
striemde. Haar voeten zakten in de sneeuw, elke stap kostte haar moeite,
haar schoenen werden zwaar als lood. En die sneeuw viel steeds dikker
en zwaarder neer, als wilde zij haar geheel bedelven; reeds voelde zij
oogen, ooren en mond daarmede gevuld. Het ademhalen ging zoo moeilijk;
de omnibus reed dien avond niet, maar al reed hij ook, zij had toch
geen geld meer om haar vracht te betalen. Onwillekeurig keerden haar
gedachten terug naar huis; wat zag het er gezellig warm uit in dat salonnetje,
of zij reed in de coupé naar de opera beschut als een kostbaar
diamantje in een étui. Nee, zij had het nooit kunnen denken,
dat het zoo hard en zoo koud was daarbuiten onder den strakken winterhemel.
De weg van het station naar Willem's huis was niet verder dan een kwartier,
maar zij deed er wel een half uur over; 't was of er geen eind aan kwam.
Eindelijk
[216:]
stond zij voor
de deur en hield de hand reeds aan den knop der bel maar daar bedacht
zij zich:
"Als mijnheer eens sliep! Wat zou hij schrikken! Ja en toch als
hij wist dat ik hier verlaten en alleen stond in de sneeuw, zou hij
't mij niet vergeven wanneer ik om zijnentwille er langer bleef dan
noodig was."
En zij schelde! Willem zat nog in de huiskamer; hij was zelfs niet alleen.
Otto had zich door die sneeuwjacht niet laten afschrikken om hem een
half uurtje gezelschap te houden. Willem was na den dood van zijn vader
zoo stil en tobberig, heel anders dan vroeger en het gesprek tusschen
beiden wilde maar niet vlotten. Otto was vol van Leonore en kon het
niet velen dat Willem nooit op opgewonden toon van zijn zuster sprak.
Kwaad zeide hij nooit van haar, maar hij kon niet veinzen en het viel
hem tegen in Otto dat hij zich nu weer door haar liet omstrikken.
Beiden keken bij het hooren dier schel verbaasd op.
"Wie kan dat zijn? Voor de post is het reeds te laat."
"Ik zal eens kijken," zeide Otto en ging naar de voordeur,
waarvan hij de klink oplichtte. Voor hem stond een gedaante zoo wit,
als een sneeuwpop, die zonder een woord te zeggen den gang inwipte;
daar schudde zij de sneeuwvlokken van zich af, streek ze uit haar oogen
en gezicht en staarde toen als wezenloos Otto aan.
"Wie is u als ik vragen mag?" vroeg Otto.
"O mijnheer Waelbeke," en toen vervulde schaamte haar als
had zij zelf iets kwaads gedaan tegen hem, "ik ben het, Daisy uit
Amsterdam."
[217:]
Hij greep haar
verschrikt aan.
"Maar kind! Hoe kom je hier? Is er iets met . . . met freule Leonore?"
"Neen, ten minste - neen er is niets, maar ik moet mijnheer Willem
spreken."
"En kom je daarvoor hier, zoo heel alleen in het donker."
Zij knikte van ja en stiet toen de zijdeur open en zonder zich verder
te bedenken, klampte zij zich snikkend en kermend vast aan Willem, die
in zijns vaders leuningstoel zat en verborg sidderend als een gewond
vogeltje haar hoofd aan zijn borst.
"Daisy, lieve Daisy! Wat scheelt je toch?"
"Laat mij hier blijven! Zend mij niet weg! Ik wil daar niet meer
terugkomen!"
"Wat is er gebeurd?"
"Straks - straks - als hij weg is!"
Otto was binnengekomen en zag die ontmoeting, hij zag hoe het arme kind
beefde en trilde over haar geheele lichaam en hoe Willem haar koesterend
in zijn armen sloot.
"Otto," verzocht hij, "wil je Geertje roepen en haar
zeggen dat zij iets warms voor juffrouw Mac Dunolly klaar maakt. Het
kind is geheel verkleumd en pook de kachel op."
De beide mannen zagen elkander verbaasd en verward aan. Geen van hen
begreep iets van het zonderlinge bezoek.
"Zend u mij niet weg? Laat u mij hier blijven?" vroeg zij
angstig haar oogen naar hem opheffend.
"Natuurlijk blijf je hier van nacht! Geertje zal het bed van mijn
zuster voor je opmaken."
[218:]
"En morgen
en altijd mag ik hier blijven en zal u het hun niet zeggen dat ik hier
ben?"
Haar stemmetje klonk zoo schichtig en beangst, dat zelfs Otto medelijden
met haar kreeg; andere onrust vervulde hem ook.
"Wat kon het toch zijn dat haar deed vluchten!"
Willem gaf hem een wenk, en hoe ongaarne ook, Otto nam zijn bonte muts
op en zeide:
"Tot morgen, dan kom ik eens hooren, of ik je met iets helpen kan."
"Ja doe dat! Adieu! Tot morgen!"
Daisy groette hem niet; zij lag nog altijd op de knieën voor Willem,
haar gelaat verborgen op zijn schoot; alleen de schokken van haar tenger
lichaam verrieden hoe haar zenuwen leden.
"Sta nu op lieveling!" verzocht Willem, "en ga daar zitten.
Geertje brengt je iets warms! Dat zal je goed doen."
Daisy gehoorzaamde en zat juist op de aangewezen plaats toen de meidhuishoudster
binnen kwam, haar medelijdend de natte laarsjes uittrok, een stoof bracht
en toen een kop warme thee met een sneetje brood.
Die verkwikkingen deden Daisy goed, maar toen Willem haar vriendelijk
toeknikte en vroeg:
"Gaat het nu wat beter, ja?" begon zij weer te snikken en
het hoofd in de handen te verbergen.
"Wat is er toch, kindjelief?" drong Willem aan, "ben
je weer ondeugend geweest? Of heb je onaangenaamheden gehad met Leonore?"
Eindelijk kwam het er uit bij stukken als gewron
[219:]
gen uit haar keel,
wat zij van middag gezien had, en wat haar had doen vluchten naar hem
als naar haar eenigen beschermer.
"En nu laat u mij niet meer weggaan, nu blijf ik voortaan maar
bij u, want ik wil haar niet hebben tot Mama!"
"O die Prada! Twee koorden had zij op haar boog, Otto en die oude,
rijke heer! Vreeselijk voor mijn armen, bedrogen Otto!"
"Maar kind!" zeide hij hardop en zich dwingend tot bedaardheid,
"vind je dat dan zóó erg? Je vader meent je geen
beter moeder te kunnen geven dan je gouvernante. Hij denkt zeker, dat
je heel veel van haar houdt."
"En - en een paar maanden geleden zat zij daar te vrijen met mijnheer
Waelbeke. Een mooie gouvernante, die moet mij goede manieren leeren,
en deugd en braafheid! 't Is schande, zij liegt en bedriegt mijn armen
Papa zoo als zij dien armen mijnheer Otto heeft bedrogen!"
Willem beet zich op de lippen; hij schaamde zich over zijn zuster en
hij had diep medelijden met het kind dat bij hem zijn nood kwam klagen
en dat hij helaas! zoo weinig kon helpen.
"En daarom kom ik nu hier om u te vragen wat ik doen moet - moet
ik Papa zeggen, van mijnheer Otto?"
"Neen," zeide Willem beslist, "dat gaat je niets aan.
Ik zal morgen telegrapheeren en mijn zuster schrijven."
"Neen, neen," kreet zij weer angstig, "niet schrijven,
niet zeggen, dat ik hier ben."
"Maar Daisy, hoe kan je zoo onverstandig zijn! Be
[220:]
grijp je dan niet
welke doodsangsten je vader van avond en van nacht doorstaat, als hij
je niet vindt en niet denken kan, waar je gebleven bent? Ik wed, dat
de heele Amsterdamsche politie van nacht op de been is om Daisy te zoeken."
"Maar ik wil niet terug als Pa met haar trouwt."
"Dat moet Daisy wel! Zij is haar vader gehoorzaamheid verplicht,
als Papa het goed vindt haar een tweede moeder te geven. . . ."
"AIs het juffrouw Van Duin nog was," snikte het kind, "dan
zou het niets zijn maar juist zij! Een lieve moeder. Is dat mijn voorbeeld?
Een die zich vandaag door den eene, en morgen door een ander - - Och
neen! Ik vergeet het altijd, 't is uw zuster!"
"Dat doet- er niets toe, dat verandert niets aan de zaak. Kom Daisy,
ga nu slapen kind!"
Het meisje gehoorzaamde; niet lang daarna rustte zij uit van haar wonderlijken
dag in een kalmen slaap, maar Willem sloot geen oog; hij wist niet hoe
in die verwarring te tasten. Dat er sprake was van een huwelijk stond
bij hem boven allen twijfel. Prada was al te berekenend en te slim om
zich door een man als Mac Dunolly te laten liefkoozen, wanneer hij niet
haar aanstaande echtgenoot was. Haar deugd liet hij buiten rekening,
want deze behoorde bij haar ook tot haar kansen. De stiefmoeder van
Daisy te worden had haar steeds voor den geest gezweefd. Waarom had
zij echter weer den verbroken band met Otto aangeknoopt?
Eindelijk toen hij in bed geen rust kon vinden, schreef hij een langen
ernstigen brief aan zijn zuster, waarin
[221:]
hij haar alles
herhaalde wat hij van Daisy gehoord had. Raad kon hij haar niet geven,
maa hoe hij over haar gedrag dacht, behoefde hij niet te vragen. Zelf
moest zij nu maar weten hoe met Otto en haar anderen pretendent klaar
te komen.
Deze brief ging weg tegelijk met een telegram aan Mac Dunolly; Willem
had gelijk gehad, de ongerustheid op de villa was onbeschrijfelijk.
Niemand had Daisy gezien, de juffrouw had haar het laatst in de vestibule
verlaten, vroolijk, levendig, gezond. Toen zij aan tafel niet verscheen,
zocht men haar in, het geheele huis, in den tuin, het park; de sneeuwjacht
belemmerde het verdere zoeken. De commissarissen van politie werden
gewaarschuwd, de slimste rechercheurs zond men er op af. Mac Dunolly
liep als een razende door het huis. Leonore alleen behield haar bedaardheid,
nam alle mogelijke maatregelen en -- dacht er het hare van.
Het vermoeden dat Daisy iets gezien had van haar teeder gesprek met
Mac Dunolly liet haar niet los; wat kon nu waarschijnlijker zijn dan
dat het heftige kind naar een der vijvers was gegaan om zich te verdrinken?
Nu was alles wel bevroren maar wie weet of zij niet ergens een bijt
wist en daaronder verdwenen was.
De nacht scheen eindeloos; het regende boodschappen van en naar het
bureau van politie; zonderling, aan Ankeloo dacht niemand. Misschien
Leonore terloops maar zij sprak er toch niet van.
Eindelijk des morgens viel Mac Dunolly uitgeput van het razen en jammeren
op de canapé in zwaren slaap.
Leonore boog zich over hem, streek zacht langs zijn
[222:]
ruige wenkbrauwen
en drukte toen een kus op zijn voorhoofd. Wezenloos sloeg hij de oogen
op:
"John," zeide zij met stralende oogen, "Alles is opgehelderd!
Daisy is terecht!"
"Waar is zij die kwaje meid?" bulderde hij.
"Dood eenvoudig in Ankeloo bij Willem."
"Wat zijn dat voor kuren?" Alle onrust en doodsangst losten
zich op in toorn. "Hoe komt zij daar, wat doet zij daar?"
Hij rukte Leonore het telegram, dat zoo pas was aangekomen uit de hand
en las:
"Daisy gisteravond gearriveerd. Alles wel. Brief volgt.
WILLEM."
"Wat scheelt die drommelsche meid dan toch? Hoe komt zij er op?
Begrijp jij het Leonore?"
Leonore zweeg met de oogen naar beneden gericht.
"Begrijp jij 't?" krijschte hij haar fijne pols tot brekens
toe in de zijne knijpend.
"Ik raad het, John", en toen als beschaamd fluisterde zij:
"Daisy heeft gezien dat wij gistermiddag - ons zoo dwaas aanstelden
in de serre en daarom is zij heengegaan."
"Om alles aan je broer te vertellen? Zou zij dat durven? Ben ik
haar vader niet? Ben ik niet vrij om te doen wat ik verkies? Jij bent
mijn aanstaande vrouw en haar moeder. Ik zal haar den angst betaald
zetten, die ze ons deed lijden en haar leeren mij te gehoorzamen en
jou te respeceeren.