[196:] XV.
Leonore gedroeg
zich onberispelijk waardig bij den dood en de begrafenis van den vader,
dien zij noch geacht noch bemind had en wien zij voor niets dankbaar
was dan voor den mooien naam, welken hij haar gegeven had.
Zij was daags na het telegram onmiddellijk naar Ankeloo vertrokken.
Daisy, hoe gaarne ook, had niet durven vragen mee te gaan; zij begreep
instinctmatig, dat haar plaats niet was in deze farnilie-réunie,
welke aan verdriet en rouw gewijd heette te zijn en hoewel haar hart
met geweld trok naar Willem, dien zij ook gaarne in deze treurige dagen
nabij wilde wezen, bepaalde zij er zich alleen toe hem dagelijks te
schrijven
Leonore bleef niet langer in Ankeloo dan strikt noodzakelijk was; zij
sprak en zag Otto veel in deze dagen en haar aanmoedigende houding jegens
hem verloochende zich geen oogenblik.
[197:]
Verdriet huichelde
zij niet; haar vader had zooveel geleden; zijn leven was zoo treurig
geweest; waarom zou zij hem de rust van het graf benijden?
Dat Willem zielsbedroefd was noemde zij: "nerveusheid van een invalide"
maar hij had zich in den laatsten tijd vooral innig aan het oude kind
gehecht, dat nog zwakker, nog hulpbehoevender was dan hij; zoolang zijn
vader leefde en hij hem gezelschap kon houden, bezat hij ten minste
nog iets dat naar een levensdoel zweemde; toen was er nog altijd reden
om iets te hopen of te vreezen, nu was alles gedaan!
Leonore's vrij koel aanbod om naar Amsterdam te komen, sloeg hij af;
ach neen! hij wilde er eerst overheen komen in zijn eenzaamheid, later
misschien, later!
En Leonore liet zich door Otto naar den trein brengen; hij legde haar
tasch en parapluie in het netwerk van den wagon en maakte van dat oogenblik
gebruik haar vaarwel te kussen.
"Dag lieveling, dag engel!" fluisterde hij haar toe, "Ik
mag je immers schrijven?"
"Neen," zeide zij gejaagd, "dat is tegen de afspraak,
maar jij doet ook alles tegen de afspraak. Kom, ga nu gauw heen."
"Och kind! 't Zal mij zoo'n troost zijn!"
"Ik dank je! Ik wil die wijsneus van een meid niet in mijn zaken
laten."
"Maar - waar is dat voor noodig. . ."
"Gauw! Stap nu uit! Daar komt de conducteur!"
Nog een laatsten handdruk, waarvan Leonore nog lang de pijn voelde en
hij sprong weer op het perron,
[198:]
vanwaar hij zoo
lang mogelijk den vertrekkende trein naaoogde.
Leonore's eerste werk, toen zij weer terug was, gold natuurlijk den
rouw; zij had nog nooit gerouwd en wilde het nu zoo elegant en modern
mogelijk doen.
Daisy ontving haar vriendelijk, bijna hartelijk; sedert zij achter het
geheim van Leonore's verloving was gekomen, vond zij haar gouvernante
buitengewoon interessant; ook de dood haars vaders veranderde haar geheel
in Daisy's oogen.
Liefde en smart hulden haar in een soort van aantrekkelijk waas; 't
is waar dat zelfs de scherpste blik merken kon dat iets aan Leonore's
onverstoorbare kalmte afbreuk deed.
Juist dit bewonderde Daisy zoo aan haar gouvernante. Zijzelf kon niets
voelen, niet de geringste pijn, niet de kleinste vreugde of ieder moest
het zien, ieder het hooren en freule Asseleyn sloot die beide groote
sensaties, welke Daisy, sedert zij had leeren denken en voelen met een
soort van geheimzinnigen eerbied beschouwdet in haar hart zonder dat
de buitenwereld kon vermoeden, welk een ontzagwekkenden last zij in
haar borst droeg.
Vandaar dat zij dan ook Leonore in deze dagen behandelde met zeker ontzag;
zij vond haar geheel veranderd omdat zij wist dat Leonore liefhad en
leed en dacht er niet om dat het haar eigen gevoelens waren, die dezen
stralenkrans weefden om het hoofd van ééne, die van liefde
en smart niets kende dan den naam.
Zij werd bij den dag vlijtiger en oplettender; de som harer kennis bedroeg
veel meer dan men verwachten kon nadat zij zoo kort maar met leeren
was begonnen.
[199:]
Nu zij haar gouvernante
met andere gevoelen dan onverschilligheid en zelfs een soort van verborgen
afkeer beschouwde, scheen het of 't leeren van zelf ging.
Leonore stond er verbaasd over en bewonderde in de eerste plaats natuurlijk
zichzelf, die zulke prachtige resultaten had verkregen bij haar pupil.
"En wanneer komt uw broer nu logeeren?" waagde Daisy eens
te vragen.
"Iets later! De herfst is een verkeerd seizoen voor hem,"
antwoordde Leonore, die hoe langer hoe minder op Willem's bezoeken gesteld
was, daar zij hem nu niet meer noodig had en zij vreesde dat de invloed
welken zij langzamerhand op Daisy begon te winnen door zijn aanwezigheid
verloren zou gaan.
Het was ondertusschen half November geworden en op een middag kwamen
meesteres en leerling, na een wandeling door het Vondel park, t'huis.
Zij zagen er beiden frisch en opgewekt uit. Leonore stond de rouw zooals
zij dien opvatte, niet te zwaar, niet te licht, bijzonder goed. Daisy
scheen reeds volwassen in haar donkerblauw met bont afgezet costuum,
met korte pelerine en elegant Napoleonhoedje, zij was bijna zoo lang
als Leonore.
Vertrouwelijk had zij haar den arm gegeven en zoo stapten zij door het
hek van de villa, zonder te vermoeden dat twee belangstellende oogen
haar uit eender ramen reeds van verre zagen aankomen.
"Wat heerlijk weer, zoo echt zonnig en toch frisch!" riep
Daisy's heldere stem door de vestibule. Zij keerde zich naar een der
deuren, eensklaps gaf zij een gil
[200:]
, deed een stap
achteruit en zou van schrik in elkander gezakt zijn als een flinke hand
haar niet opgehouden had.
"Daisy, mijn lieveling! Mijn schat! Wat ben je groot en mooi geworden!"
En zij lag in de armen van haar vader, het gelaat verborgen tegen zijn
borst, van vreugde tegelijk snikkend en lachend.
Leonore altijd even meesteres van zichzelf, ging naar de andere kamer
om de ontmoeting tusschen vader en dochter niet te storen.
"Wat heeft u me laten schrikken, stoute Pa!" zeide het meisje
toen zij een weinig tot zichzelf kwam. "Er niets van te schrijven,
dat u zou komen! O, wat een verrassing, wat een verrassing!"
"Ik wou je overvallen en daarom schreef ik niets. Zoo erg verlangde
ik naar mijn Daisy en toen dacht ik: Kom, passage is gauw genomen, wat
zit ik langer hier te talmen. Ik moet weten hoe mijn meisje er uitziet.
En ik heb je al lang gezien zonder dat je het wist."
"Dat ik het niet voelde!"
"En ik kon mijn oogen niet gelooven! Juffrouw Van Duin zei me:
"Daar komen de dames aan!" maar ik had je anders nooit herkend.
Zoo'n knappe, flinke meid, en wat praat je goed Hollandsch!"
Daisy zag hem glinsterend van vreugde aan, toen wierp zij zich nog eens
om zijn hals en fluisterde:
"O Papa, Papa! Ik ben zoo blij dat ik zoo veranderd ben; ik ben
nu veel gelukkiger en nu hoeft u mij nooit meer te slaan. Ik voel dat
ik het niet meer noodig heb."
[201:]
"Je slaan,
mijn mooi, lief meisje! Hoe heb ik het ooit kunnen doen!"
"Ja, toen was 't noodig,'bekende zij met allerliefste oprechtheid,
"den eersten tijd nadat ik weg was, ging het bar met Daisy. Zij
deugde voor niets maar toen - toen is 't geheel en al veranderd."
"Ja, wij kunnen de freule niet genoeg dankbaar zijn en dat ben
je toch ook wel Daisy? Geen geld kan de verandering betalen, die zij
in jou heeft gebracht."
Daisy aarzelde een ondeelbaar oogenblik, maar zij was tegenwoordig veel
gunstiger gestemd jegens Leonore dan vroeger en zij voelde ook dat zij
jegens haar veel misdaan had en daarom erkende zij oprecht:
"Ja, 't is goed, dat u freule Leonore voor mij heeft uitgekozen,
wanneer ik een andere gouvernante had gehad, dan was Daisy nog altijd
een wilde meid bleven."
"Maar waar is zij nu, die juffrouw of de freule; als zij dat hier
in Holland noemen?"
Met zijn arm om het middel van zijn dochter geslagen, ging hij naar
de aangrenzende kamer; daar stond Leonore werkelijk voor de tafel en
hoorde van juffrouw Van Duin hoe vreeselijk deze geschrikt was, toen
er een rijtuig voor de deur had stilgestaan, waaruit mijnheer Mac Dunolly
gestapt was.
"Freule Asseleyn," sprak hij met uitgestoken hand haar naderend,
"ik weet niet hoe ik u genoeg danken zal. U heeft de taak, welke
ik u heb toevertrouwd boven verwachting vervuld. Ik ben trotsch op mijn
dochter en - op u!"
[202:]
Leonore lachte
en vroeg:
"Is u niet wat voorbarig mijnheer Mac Dunolly. U ziet nog niets
van Daisy dan het uiterlijke. Wie weet hoe het innerlijke u zal tegenvallen."
"Neen dat kan niet. Die harmonie, welke mij bij uzelf reeds dadelijk
zoo aantrok heeft u mijn kind medegedeeld. Zij is een engel geworden
in plaats van den duivel, dien ik u achterliet."
"O Papa, u kent mij nog niet!" riep Daisy en Leonore zeide
schalks verwijtend:
"Mijnheer! U maakt haar trotsch en bederft in een oogenblik wat
ik met zooveel moeite in jaren heb tot stand gebracht. Daisy is een
goed kind, dat is waar en zoodra zij tot het besef kwam dat het tot
haar best was als zij zich liet onderwijzen en opvoeden is zij geheel
veranderd."
Aan tafel heerschte een vroolijke, opgewekte geest. Daisy was één
en al geluk en daarom ook zoo lieftallig en voorkomend als maar mogelijk
was.
Evenals drie jaar geleden zat zij nu naast Leonore en Mac Dunolly kon
zich niet moede zien aan de beide mooie gezichtjes, welke hij met zulke
geheel verschillende gevoelens opnam.
En dan mat hij den afstand die drie jaar geleden zijn dochtertje scheidde
van haar toekomstige gouvernante; hoe had de freule toch die kloof kunnen
dempen?
Hij bewonderde haar bijna als een toovenares.
"En dan zonder slaan, zonder opsluiten, zonder gewelddadige middelen,"
dacht hij telkens. Hij had een echt gevoel van t'huis te zijn in deze
smaakvolle om
[203:]
geving tusscnen
die beide bevallige vrouwen, welke zijn gezin schenen te vormen; hij
begon oud te worden, op zijn gemak en zijn vaste gewoonten gesteld te
raken; daar in Indië in het groote, ledige huis voelde hij zich
eenzaam. Het Indië van tegenwoordig was niet meer dat van zijn
jeugd en rijper jaren; de menschen ontgroeiden hem of hij ontgroeide
hun. Niets interesseeroe hem daar meer, bij kreeg bepaald heimwee naar
zijn kind en naar zijn Hollandsch huis, en toen dat heimwee hem te sterk
werd, bedacht hij zich niet lang en vertrok met de eerstvolgende boot
naar Holland.
Toen Leonore dien avond in haar kamer kwam, ging zij in haar lievelingsfauteuiltje
zitten en begon eerst haar gedachten te verzamelen en toen na te denken.
Die onverwachte komst van haar meester, zooals zij in haar gedachten
Daisy's vader noemde, had haar overvallen, verbijsterd; zij moest er
zich in thuisvinden. Veel eerder dan zij verwacht had, was de groote
verandering in haar leven gekomen; hij had zijn komst voor het volgende
voorjaar aangekondigd. Leonore rekende op de van zulke gebeurtenissen
onafscheidelijke uitstellen en hoopte dan hem niet weer te zien vóór
het midden van den zomer en daar stond hij nu onverwachts in huis; nu
was zij eigenlijk niets meer; zij stond gelijk met juffrouw Van Duin,
de eerste der bedienden, zij freule Asseleyn van Assenede.
Groote lust bezielde haar om reeds morgen haar trekking neer te leggen
en naar Ankeloo terug te keeren maar wat dan?
Die lange, vervelende winter stond voor de deur.
[204:]
Hoe zou zij dien
doormaken, dan was juist de campagne op Otto's fabriek aan den gang
en zij kon hem dan slechts vluchtig zien; zij had alles zoo mooi berekend;
wanneer nu Mac Dunolly den volgenden zomer was teruggekomen, dan had
zij tot de herfst kunnen blijven.
Onmiddellijk daarna was zij van plan geweest haar verloving bekend te
maken, misschien had zij dan als "logée" nog eenigen
tijd bij Daisy kunnen blijven, in elk geval had zij den winter nog om
voor haar uitzet en inrichting te zorgen en tegen de lente zou Otto
wellicht in staat zijn om te trouwen, maar nu was er in het gunstigste
geval een jaar, waarmede zij niet wist wat te beginnen. 't Zou haar
geen moeite kosten, dat wist zij wel, om Otto over te halen, reeds vroeger
te trouwen maar dit viel ook buiten haar rekening.
Leonore had zich reeds een aardig spaarpotje gemaakt in de twee jaar
dat zij Daisy's gouvernante was, maar dit was nog lang niet het kapitaaltje,
waarmede zij zich voorgesteld had haar betrekking te verlaten. Nu voor
dezen winter had zij zich voorgenomen heel veel op zij te leggen; zij
had er aardig slag van zichzelf te bevoordeelen, zonder eenige, oneerlijkheid
te plegen maar toch zonder dat er in de boeken, welke zij zoo nauwkeurig
aanhield, iets daarvan bleek. Stellig had zij gerekend tegen de komst
van Mac Dunolly een heel eind ver te zijn en nu was ook aan deze hoop
de bodem ingeslagen.
Wanneer zij in de volgende maanden bij Willem haar intrek nam, dan zou
het haar natuurlijk ook veel geld kosten; nu haar vader dood was, had
Willem niets
[205:]
dan zijn pensioen
om van te leven, door de lange ziekte van den Baron was hij zeer achteruitgeraakt,
overal waar zij ook heen zag niets dan gêne en teleurstelling.
Wat was het leven toch vervelend; juist in den laatsten tijd was zij
begonnen er zich wat meer op haar gemak in, te vinden en nu kwam er
weer zoo'n onvoorziene gebeurtenis aan alles een andere wending leven.
Zou zij dan veroordeeld zijn altijd weer toe te geven, in te schikken,
haar karakter en neigingen geweld aan te doen? Nu had zij er zich eenmaal
in geschikt, met Otto een leven van slechts betrekkelijke weelde tegemoet
te gaan. Het stond nog wat op den achtergrond, het kon, als pis-aller
dienen; in elk geval, het was iets om met pleizier aan te denken, dat
zij toch nog in "Arethuse" zou komen wonen, daar eigen meesteres
wezen en vooral, dat bekende zij zichzelf wel niet, hoe zij het ook
als een der voornaamste raderen van haar toekomstig geluk rekende: zij
voelde voor Otto ongetwijfeld het meeste van alle menschen van de wereld.
Hij bewonderde en vereerde haar zeer hoog, en aan die bewondering en
vereering had zij behoefte; zij had ze droevig gemist toen de dringende
noodzakelijkheid haar gedwongen had met hem te breken; nu zij met hem
weer op goeden voet stond, scheen het of het leven, veel interessanter
en voller geworden was.
Leonore had behoefte aan adoratie; nu Daisy in den laatsten tijd zooveel
voorkomender tegen haar was en zelfs met ontzag naar haar opkeek, mocht
zij haar veel liever lijden dan vroeger. Haar koel karakter kon slechts
[206:]
rekenen, voor het
welslagen van haar toekoestige plannen.
Zij wilde het huis van haar leven bouwen op hechte grondslagen; zij
werd zes en twintig jaar; het was hoog tijd dat haar leven nu begon,
maar het was of er tooverij in het spel was, telkens wanneer zij in
het verschiet de lijnen zag, die dat bouwwerk moesten af teekenen, wanneer
zij er zich mede vertrouwd maakte en er schik in begon te krijgen dan
doezelden zij weer weg en het bleek dat zij slechts een lichtbeeld,
een Fata morgana waren geweest.
Zij werd er haast moedeloos onder; maar dat wilde, dat mocht zij niet
zijn, tot geen prijs. Wanneer zij er aan wanhoopte, wie zou het voor
haar afwerken? Zij stond immers alleen op de wereld.
Nu zag zij rond! Och, och! Wat was deze omgeving haar lief, ja zelfs
onontbeerlijk geworden. Die mooie meubels, dat zachte tapijt, die warme
gordijnen, wat een heerlijk nestje, hoe voelde zij zich hier altijd
t'huis als zij er 's avonds terugkwam, haar peignoir aantrok, op haar
gemak ging zitten lezen of schrijven. Dat er nu een einde aan moest
komen!
"Hoe jammer, hoe jammer!" zuchtte zij evenals op dien avond
toen zij haar eerste luchtkasteel had zien vervliegen. "Was Mac
Dunolly Otto maar!"
Nu moest zij er toch om glimlachen; wat een ver
[207:]
schil, die grove
Indo-Engelschman en haar mooie, knappe Otto. Zulk een wensch was toch
voor 't minst nutteloos, ja zelfs belachelijk! En zij had geen tijd
tot; nuttelooze wenschen en berekeningen! Er moest besloten en gehandeld
worden.
Toen dacht zij aan de plagerijen van Willem: die dochter was maar een
voorwendsel voor Prada; de vader, daar kwam zij eigenlijk voor; maar
daar kon zij niet meer aan denken, nu zij weer begonnen was Otto hoop
te geven en dan, hij was haar niet meegevallen, zij vond hem ouder geworden
en leelijker; hij had zoo iets parvenuachtigs over zich, Zij huiverde
bij de gedachte hem te trouwen.
"La Belle et la Bête," zou er een nieuwe illustratie
door krijgen, maar hier werkelijk meesteres te worden, dit alles te
bezitten en dan - dan - ja, men moest met alle consequentiën rekenen
als men zijn toekomst wilde opbouwen, Hij was veel ouder dan zij, hij
scheen opdrachtig, wie weet hoe spoedig, en dan - en dan, ja, dan zou
die wensch van zooeven niet meer belachelijk zijn, dan kon Otto hier
zijn plaats innemen. Otto hield zoo veel van haar, hij zou nooit een
andere vrouw trouwen, hij zou op haar wachten, jaren en jaren lang.
Maar men trouwde toch niet met het doel om weduwe te worden. Waarom
niet?
Men moest oprecht zijn tegen zichzelf. Waarvoor zou zij zichzelf bedriegen?
Ja, als zij dit dubbel doel kon bereiken, dan zou zij beide dingen bezitten,
welke haar het begeerenswaardigste op de wereld toeschenen:
"Rijkdom met Otto!"
[208:]
Uren bleef zij
zitten, haar plannen makend en hoe langer hoe meer werd het haar duidelijk,
de beste oplossing zou wezen: Mac Dunolly's vrouw te worden, maar hoe
hem er toe te brengen dat hij haar zou vragen, neen, smeeken hem te
trouwen?
Het gewone huismiddeltje dat keukenmeiden van langjarigen diensttijd
met zooveel succes weten te gebruiken om haar gastronomischen meesters
de duimschroeven aan te zetten, vond zij beneden haar. Zij wilde niet
tot hem gaan en hem zeggen:
"Mijnheer,
de menschen spreken er over dat ik hier bij u blijf. Voor mijn eer en
reputatie ben ik verplicht heen te gaan," waarop dan de huwelijksaanvraag
dient te volgen.
Zij walgde van zoo'n onnoozel burgerlijk praatje. Zij moest iets anders
doen, iets passenders, iets genialers; maar wat, wat?
Eindelijk bedacht zij zich dat zij niets kon beslissen vóórdat
zij iets naders wist van Mac Dunolly's plannen; misschien keerde hij
reeds per volgende boot terug en dan was er niets veranderd aan haar
leven.
Voorloopig moest zij dit te weten komen en dan kon zij eerst verder
handelen.