[223:] XVII.
"Geloof je
het nu?" vroeg Willem aan Otto, die voor hem zat, het hoofd in
de handen en een brief voor hem op tafel. Hij bleef zwijgen, geen woord
kon hem over de lippen komen, zoo bedwelmde hem de pas ontvangen slag.
"Het zijn haar letters, 't is haar hand," ging Willem voort,
"je kent ze genoeg. Kom vriend! maak je er eindelijk van los. Je
ziet, zij speelt met je. Zij heeft geen hart, geen gevoel. 't Is Prada,
niets dan Prada!"
"Ach God! Moet het dan weer van voren af beginnen alles en alles,
" zuchtte Otto, "ik was er reeds bijna over heen, doch ik
weet niet, wat voor duivel mij ingaf ,eens naar Amsterdam te gaan en
haar te bezoeken."
"En toen deed zij je weer het touw om den hals en jij onnoozele
liet dat toe."
"O, zij was zoo lief, zoo. . ." verder kwam hij niet, en barstte
in een wanhopig snikken uit.
[224:]
"Daar heb
je het nu!" Willem ergerde zich bepaald, "dat gaat aan tafel
zitten huilen als een kind, om een meid, die niet waard is zijn schoenen
te poetsen."
Maar Otto hoorde hem niet; de lang ingehouden smart baande zich een
weg en hij kon den stroom niet tegenhouden. Daisy kwam juist binnen,
zij ook zag er bleek en lusteloos uit en toen zij Otto daar in zijn
droefheid zag, wilde zij bescheiden heengaan.
"Daisy geef hem een glas water," fluisterde Willem haar toe,
"die arme kerel! Jij bent toch van de familie.'"
Het meisje haastte zich hem het glas te brengen, haar eigen oogen stonden
vol tranen, en toen zich over hem buigend zeide zij met haar eenvoudig,
lief accent:
"Arme mijnheer Otto! Niet zoo bedroefd zijn, drinkt u eens wat!"
Hij drukte haar hand in de zijne en legde die toen in een behoefte aan
troost en verlichting op zijn voorhoofd, dat gloeide als vuur.
"Ach Daisy! Daisy! Wij verliezen beiden wat ons het liefste is."
"Wees u maar blij!" ging het meisje voort, "u is gelukkiger
dan mijn arme Papa!"
Willem keek het groepje philosophisch aan en dacht in zichzelf:
"Wie zou nu zeggen, dat die twee die daar zoo aangaan en mekaar
troosten hun verdriet te danken hebben aan mijn zuster? En ik moet het
aanzien en aanhooren en kan er niets aan doen!"
Hij nam den brief weer op; het waren eenige regels van Leonore; zij
meldde eenvoudig haar engagement
[225:]
met den heer Mac
Dunolly, dat zeer spoedig door haar huwelijk gevolgd zou worden. Zij
had nu haar intrek genomen bij haar vriendin uit wier huis zij in alle
stilte en eenvoud wilde trouwen. Onmiddellijk na het huwelijk vertrokken
beiden naar Indië.
Op Willem's grooten brief geen woord, alleen in het post-scriptum stond:
"John zal je nader schrijven over zijn dochter. Hij is zeer verontwaardjgd
over haar escapade en ik heb de grootste moeite hem te kalmeeren. Natuurlijk
hebben wij groote angsten om haar uitgestaan. Voorloopig wil John dat
zij bij je blijft."
Deze brief had een groote scène ten gevolge.
Willem had de grootste moeite gehad het kind weer meester te worden,
zij jammerde om haar vader, dien zij nu verloren had, verklaarde niet
mee te willen naar Indië, alles op haar gewonen heftigen toon,
vergezeld van de wildste uitingen. Eindelijk bracht Willem haar plotseling
tot bedaren door de vraag:
"Maak je nu al dat geweld, omdat ik je oom word?"
Daar had zij niet aan gedacht; zij zag hem verbaasd aan en toen wierp
zij zich plotseling hartstochtelijk snikkend om zijn hals en riep:
"Oom, lieve oom! Maar dan mag ik bij u blijven en ik laat ze alleen
gaan naar Indië en ik verlaat u niet."
"Zoo, begrijp je dat voordeeltje eindelijk, en ga nu naar je kamer
en je komt niet terug voor je heel kalm en verstandig bent."
En nauwelijks was hij met haar klaar of daar kwam Otto en Willem kreeg
met hem weer bijna evenveel te doen.
[226:]
"Alles om
die Prada!"
Daisy voelde zich intusschen aangetrokken tot Otto, hij bezat in haar
oogen al het aantrekkelijke, wat Leonore verloren had; hoe kon die freule
hem zoo bedriegen? Zij wilde het haar vader schrijven, alleen Willem's
verbod hield haar tegen of meer nog de vrees zijn zuster te verraden.
"Maar als Papa ongelukkig wordt?" zuchtte zij telkens:
"Wees niet bang, Daisy, Leonore zal wel zorgen dat je Pa een goed
leven bij haar krijgt."
De dagen gingen intusschen om en Mac Dunolly schreef maar niet; met
veel moeite haalde Willem Daisy over een onderworpen briefje aan haar
vader te schrijven en hem vergiffenis te vragen voor haar vlucht.
Hij drong er echter niet op aan het kind een onderwerping te laten huichelen
tegenover de aanstaande stiefmoeder, welke zij toch niet gevoelde.
Juist een post later verscheen een annonce van beider ondertrouwen in
antwoord op Daisy's brief kwam er een allerliefst episteltje van Leonore
aan haar "Darling Daisy". 't Speet haar erg, Papa was nog
zoo boos en wilde niets van haar weten. Hij kon het maar niet vergeten,
dat zij hem zoo veel angst had bezorgd; zij had hem verzocht Daisy mee
te nemen naar Indië maar hij weigerde nog steeds. Wat hij besliste
over haar wist zij nog niet, maar zeker was het dat zij haar invloed
op haar bruidegom zou gebruiken om een gunstig besluit voor haar uit
te lokken.
"Ik heb
geen vader meer!" snikte Daisy toen zij den brief gelezen had.
[227:]
Willem nam hem
nu ter hand; een ding stond bij hem vast. Prada's invloed op den ouden
heer was almachtig. Zij had ook hem verblind, zooals zij Otto verblindde.
In de gegeven omstandigheden kon hij niets beters doen dan met haar
goede vrienden blijven ten wille van het arme kind; hij schreef haar
dus in zeer gematigde termen om haar te raden Daisy op een pensionnaat
te doen; zij was nog zoo jong, pas zestien jaren; twee of drie jaar
op den kostschool zouden haar goed doen. Tegen dien tijd zou zij zich
wel in zoo verre geschikt hebben in den toestand, om zonder wrok en
ergernis Leonore als haar moeder te erkennen. Ten slotte speelde hij
zijn laatste troef uit en waarschuwde zijn zuster, niet te hard over
het kind te denken, want het had een al te diepe impressie op haar jong
onschuldig gemoed gemaakt, twee keer zoo kort achter elkander haar gouvernante
te zien geliefkoosd door een anderen man. In hoeverre deze indruk geschikt
was haar eerbied voor de aanstaande moeder te verhoogen, liet hij aan
haar oordeel over.
Dit hielp! Reeds zeer spoedig kwam het berieht, dat Mac Dunolly Willem's
plan uitstekend vond, hij moest maar een kostschool aanwijzen en hij
zou een volmacht ontvangen om als Daisy's voogd op te treden; maar zijn
kind terugzien, dat wilde hij in geen geval, daarvoor had zij hem te
diep beleedigd.
"Alweer een slimme streek!" dacht Willem, "zij gaat met
hem naar Indië en neemt geen afscheid, noch van mij, noch van het
kind, noch van Otto. Alles wat minder netjes is in de behandeling wordt
daardoor uitgewischt en vergeten. Ik bewonder mijn zuster."
[228:]
Daisy hoorde met
een verwonderlijk kalm gezicht alles aan; zij streefde niet tegen het
kostschoolplan, zoodra zij hoorde dat het van Willem kwam.
"Als u het voor mij goedvindt, is 't zeker ook het beste!"
zeide zij.
Ook dat zij haar vader niet meer zou zien, liet haar onverschillig;
't was beter, zeide zij, hem niet te zien want:
"Ik schaam mij zoo en misschien zou ik te veel zeggen. Als Papa
gelukkig wordt met haar, dan is 't het voornaamste."
Mac Dunolly en Leonore trouwden zonder iemand der familie daarbij uit
te noodigen en zij schenen te vertrekken naar Indië, zonder dat
Daisy een enkel lettertje van haar vader ontving; de villa was opgeruimd,
het huisraad naar de verkooping gezonden, de huishoudster en de andere
dienstboden met vol loon ontslagen, alles binnen één maand.
Leonore had wonderen van energie verricht om haar doeI te bereiken.
Willem schreef nog eens en nu aan zijn nieuwen zwager om hem te verzoeken
zich niet zoo onverzoenlijk te toonen tegenover Daisy; hij stond voor
haar in dat zij allen eerbied zou bewijzen aan Leonore, maar er kwam
niets dan weer een brief van haar met de verzekering dat al haar pogingen
om het hart van haar man tot vergevingsgezindheid te neigen vruchteloos
bleven.
Op den morgen van hun vertrek werd het Daisy in huis te benauwd; zij
ging de straat op voorbij "Arethuse" naar het bosch. Het was
een warme Februaridag; de zon scheen zoo helder en vroolijk, de weide,
nam een
[229:]
groen waas aan
en de struiken bedekte reeds een groen dons, aan de boomtakken zwollen
de knoppen en overal ofjpenden zich de sneeuwklokjes. Er ging door de
heele natuur een adem vol jonge frischheiden levenslust; maar Daisy
liep zonder om te zien voort; haar hartje kromp ineen van droefheid
en pijnlijk verlangen; zij dwaalde door de heide en eindelijk, aan den
zoom van het bosch, wierp zij zich op den grond neer en, met de armen
over de knieen geslagen, bleef zij troosteloos met strakke oogen voor
zich uit staren.
Zij zat juist op de plek waar Otto en Leonore eens een afscheid hadden
genomen, dat zij ten minste voor eeuwig had gehouden en dat toch door
zulk een korte,vruchtelooze toenadering was gevolgd, maar dit wist Daisy
natuurlijk niet.
"Daisy," hoorde zij zacht achter haar. Zij keek om en zag
Otto voor haar staan, die evenals zij zich uit het huis gedreven voelde
en onwillekeurig weer deze plek vol herinneringen opzocht. Hij ook zag
er slecht en lijdend uit; de gedachte aan Leonore's trouweloosheid liet
hem geen rust. Den ring had hij nog niet kunnen afleggen want deze zou
hem nu voortaan herinneren aan haar verraad; eerst was hij van plan
geweest hem terug te zenden, maar dit kon een onedele wraakneming worden
en hij liet het dus zonder moeite.
Daisy stond op en gaf hem de hand, haar oogen zagen diep treurig in
de zijne, haar lief gezichtje stond doodsbleek, haar weerbarstige krulletjes
sprongen van onder uit haar bever toque, langs haar oortjes en hals;
zij zag er zoo lief uit dat zelfs Otto in al zijn verdriet er oogen
voor had.
[230:]
Zij voelden zich
beiden zoo eenzaam daar boven op de heide. Otto kon niet denken dat
hij zich treuriger gevoeld had op dien herfstavond toen Leonore hem
zijn ring had teruggegeven, maar toen ging de zon onder en de herfst
kleurde het bosch in stervenden glans, en nu begon de lentedag in volle
glorie. Het contrast was nu pijnlijker dan toen de harmonie, en Daisy
voelde zich geheel als wees; haar smart was te groot dan dat zij er
om schreien kon; voor haar lag de wereld somber, leeg, dreigend.
"Wij zijn beiden ongeIukkig, Daisy!" zeide hij en drukte haar
hand. Daar vonkelden haar oogen.
"O ja, maar ik verlies mijn lieven, goeden vader en u - u mag dankbaar
zijn omdat u haar niet krijgt, die -,- Prada!"
"En 't is toch vreeselijk Daisy, zoo bedrogen te worden."
"Maar dat vergeet men en later dankt men Onzen Lieven Heer omdat
Hij ons voor zoo'n ongeluk bewaard heeft."
"Daisy, wat wordt je wijs nu je geen gouvernante meer hebt."
Het kind schudde trotsch haar hoofdje:
"O, die gouvernante heeft mij zooveel geleerd!" zeide zij
bitter.
"Ook die bitterheid," zuchtte Otto, "arm, arm kind!"
Zwijgend gingen zij den heide af en Otto zeide toen half hardop, half
tot zichzelf sprekend:
"Dit is mijn lijdensweg!"
Daisy zag hem aan, met zooveel medelijden in de oogen, dat haar eigen
verdriet er door weggedrongen werd;
[232:]
zij voelde, kleine
vrouw als zij was, de behoefte,hem te troosten.
"Misschien wordt het nog eens uw geluksweg. U kan nog zoo veel
meisjes en vrouwen krijgen als u wil, maar ik heb maar een vader!"
Dat klonk zoo troosteloos en zij liep zoo gedrukt door haar last, dat
Otto eensklaps schaamte begon te voelen over zijn leed; wat hij betreurde
was immers juist zij, die dit arme kind zoo bitter deed lijden.
"Het zal haar geen zegen aanbrengen Daisy," antwoordde hij,
"dat zij over onze vertrapte harten haar geluk bereikt."
Weer zag zij hem aan met haar mooie blauwe oogen, die, als vergeetmijnietjes
in de schaduw, bloeiden in haar donker gelaat, en zeide ernstig:
"Ik heb van morgen zoo gebeden dat God hun mag zegenen en zeer
gelukkig maken. Dan denkt Papa misschien nog eens aan zijn arme Daisy.
. ."'
Haar stem stierf weg in een snik; met haar in elkander geslagen handjes
scheen zij het beeld van diepe, stomme smart; zoo geheel anders dan
de koele, berekenende vrouw, die hier op dien herfstavond naast hem
had gewandeld.
"Hield je zooveel van je vader, Daisy?" vroeg hij.
Zij knikte van ja.
"Men houdt immers altijd van zijn vader, dat moet men immers? Zijn
er kinderen, die niet van hun ouders houden? Ik geloof Prada niet."
Zij noemde haar stiefmoeder nooit anders meer.
"Prada hield alleen van haarzelf;" zuchtte Otto. Hij
[232:]
bracht haar naar
de stad; voor de deur zagen zij reeds in de verte Geertje naar haar
uitkijken.
"Juffrouw," riep zij haar toe, "mijnheer heeft u overal
gezocht. Daar is een telegram gekomen."
Als door een veer bewogen, vloog Daisy het huis in.
"Oom, oom!" riep zij, ""wat staat er in het telegram?"
"Bedaard kind! bedaard! Lees maar! Als je van middag om twee uur
in G. bent, dan kan je - je vader in het voorbijgaan groeten."
Daisy las en herlas de paar regels op het telegram en kreeg een kleur
van verrassing.
"Mag ik oom?" vroeg zij dringend.
"Natuurlijk, kind, je moet," antwoordde Willem.
"Geertje zal je brengen!"
Otto hoorde het, hij kwam juist binnen.
"Dan moet ze met den trein van twaalf zooveel weg, en 't is nu
half twaalf. Zij heeft haar tijd wel noodig. Maar mag ik haar geleiden?"
"Otto hoe verzin je het?"
"Ik zal haar niet spreken, niet groeten zelfs. Ik wil alleen Daisy
gezelschap houden."
"Nu, ik vertrouw haar liever aan jou dan aan Geertje die nu niet
precies bereisd -is, maar je haalt toch geen dwaze coup uit, hoop ik."
"Vertrouw er op!"
G. was een kruispunt, waar de trein vijf minuten lang stilhield; Otto
en Daisy stonden op het perron toen de trein aan kwam razen.
"Daar is papa, papa!" liep zij uitgelaten en nog vóór
Otto haar tegen kon houden was zij op de loopplank
[233:]
gesprongen voor
het raampje, waaruit Mac Dunolly's pokdalig gezicht stak.
Vader en dochter hieden elkander vast omklemd.
Op den achtergrond zag Otto een slank figuur; het portier werd geopend
en nu sprong Mac Dunolly op het perron met zijn dochter en de jonge
mevrouw verscheen voor de deuropening; zij had een keurig reistoilet
aan van mosgroen laken met cape en grooten hoed en zag er uit, stralend
als de lentemorgen.
De vader legde Daisy's hand in de hare en aarzelend gehoorzaamde het
meisje, maar van omhelzing en kus geen spoor. "Instappen!"
riep de conducteur. "Instappen," en Mac Dunolly, die, nu weer
geheel voor zijn dochter gewonnen was, drong haar aan mede in te stappen,
maar energiek schudde Daisy het hoofd. Nog eens sloeg zij de armen om
haar vaders hals, nog eens drukte zij haar frissche lippen op zijn bruine
wangen; hij knelde haar vast tegen zijn borst.
"Vergeeft u mij, pa?" fluisterde zij snikkend.
"Ja kind, ja! Kom, ga mee met ons!"
"Instappen, instappen!"
En de conducteur rukte hen haast van elkander, dwong Mac Dunolly weer
in den wagon te stappen, wierp het portier dicht en Otto snelde naar
Daisy, die alleen en verlaten daar stond. Haar stiefmoeder leunde door
het raam en wuifde haar nog toe; eensklaps werd zij doodsbleek en hield
met wenken op.
Zij zag haar stiefdochter met den zakdoek voor het gelaat gedrukt en
naast haar deelnemend den arm om haar heen geslagen, herkende zij Otto,
die het
[234:]
niet eens de moeite
waard scheen te achten haar na te staren.
Zij bleef hen aanzien tot de trein hen aan haar oog onttrok en toen
herinnerde zij zich dat haar man naast haar schreide als een kind, nu
hij zijn dochtertje voor goed verlaten had.