XVII.
"Wat komt u
hier doen?"
Met deze barsch uitgesproken woorden verwelkomde Marwijk den binnentredenden
Johnson.
"Mijnheer Marwijk, zoolang u mij niet verklaart den brief gelezen
te hebben, dien ik u den 15en Juli 's morgens deed bezorgen, heeft u
het recht niet mij te beleedigen," antwoordde de andere kalm.
"Een brief op den 15en Juli, dat was de morgen van uw schandelijke
verwijdering. Ik ontving toen geen brief."
"Welnu, dan is die door een onbegrijpelijk toeval niet aan u bezorgd
en ik ben gedwongen u mondeling alles te zeggen, wat ik met zoo veel
moeite aan 't papier toevertrouwde."
"Mijnheer, u heeft mij bedrogen, mijn dochter misleid, den vrede
uit mijn huisgezin geroofd," barstte Marwijk uit.
"Zoo ik dit gedaan heb, dan was 't onwillens, maar waarin u als
vader toegestemd heeft, is niet te verontschuldigen. Om het huwelijk
van uw dochter te beletten, ben ik in één nacht van Zwitserland
hierheen gereisd. In de hollandsche couranten las ik haar ondertrouw;
zonder mij te bedenken ben ik onmiddellijk vertrokken en verzoek u mij
aan te hooren."
"Met welk recht komt ge u in mijn zaken mengen? Mijn dochter gaat
trouwen, maar dit raakt u 't allerminst."
"Er zijn zeker gewichtige redenen, die u dwingen, Agnes ten huwelijk
te geven aan dat creatuur; ik kom die redenen ontzenuwen, maar u hebt
grieven van ouder dagteekening tegen mij. Laat me die eerst uit den
weg ruimen, dan zal u alles weten, alles."
"Ik luister toe."
"Dien avond zag ik in - u zal later hooren waarom -, dat ik niet
langer naar de hand van uw dochter kon dingen, zonder u in kennis te
stellen met mijn geheele verleden. Den nacht bracht ik door met u te
schrijven; in den brief stond, dat ik een week in Brussel bleef, om
daar aan mijn opgegeven adres uw antwoord te ontvangen. Toen ik den
trein zag naderen, gaf ik den brief aan een van uw fabrieksarbeiders,
die tegen een drinkgeld mij beloofde hem te bezorgen. In Brussel wachtte
ik acht, veertien dagen. Er kwam niets; ik maakte er uit op, dat u alle
betrekking met mij wildet afbreken; ik onderwierp mij en besloot voorloopig
[53:]
niets meer van
mij te laten hooren. Dat u den brief niet ontvangen had, kwam niet in
mijn geest op."
"En 't is toch zoo; uw verdwijning kwam ons onbegrijpelijk voor,
maar als de zaak zich werkelijk op deze wijze heeft toegedragen, hebt
ge daaraan weinig of liever geen schuld. Ga zitten en vertel me wat
in dien brief stond!"
"Mijnheer Marwijk, heeft u niets meer te vorderen, van niemand
ter wereld? Heeft u nooit geld geleend aan een persoon, die nog altijd
verzuimde 't u terug te geven?"
"Ja, eens, maar 't is lang geleden, 't werd mij om zoo te zeggen
met het mes op de borst afgeperst. Doch wat heeft het met onze zaak
te maken?"
"U zal het geld terugkrijgen; daarmee kan u de fabriek koopen,
maar breek zoo spoedig mogelijk 't engagement van uw dochter af. Haar
aanstaande is. haar misschien onwaardiger dan hij, die u die oude schuld
betalen moet."
"U praat in raadsels, ik begrijp u niet. Of zouden mijn oogen me
zoo bedriegen, Johnson, is u misschien Bergman, die..."
"Ik ben 't, mijnheer Marwijk, ik, de eerlooze, die u eens bestal,
maar ik heb mijn woord gehouden. 't Is mijn levensdoel geweest u dat
geld terug te geven; ik heb er voor gewerkt, gezwoegd, totdat ik eindelijk
het kapitaal bijeengezameld had, waarmede ik u wilde betalen. Ondertusschen
was ik een ander mensch geworden; het werk heeft mij gelouterd, maar
toch is mijn naam bevlekt en tegenover u ben ik een dubbel eerlooze.
't Zwaarste was, dat ik na mijn vruchtelooze pogingen om u terug te
vinden, kennis met uw dochter maakte en haar liefkreeg. Mijn plicht
was 't ongetwijfeld geweest u intijds alles te bekennen, maar de ellendige
zwakheid, die u me eens verweten heeft, belette me weer te handelen
zooals ik moest. Aan mijn schoonvader wilde ik het liefst mijn schuld
betalen. Ik was zoo gelukkig in uw familiekring, ik vond er het tehuis
terug, dat ik steeds gemist had; u alles bekennen zou me, vreesde ik,
voor altijd ver van u en ver van haar hebben verjaagd. Toch was ik besloten
u alles te zeggen op dien morgen, toen ik u Agnes' hand kwam vragen,
maar u zeidet zelf, dat het verledene u niet deerde, daar het tegenwoordige
u genoeg was."
"Ja, dat heb ik gezegd, ik herinner 't mij."
"Ik stelde mijn bekentenis dus uit van dag tot dag; maar, toen
ik Kees Oostveld hier ontmoette, kwam zijn gelaat mij bekend, voor;
we gingen samen heen. Onderweg begon hij mij te vragen, of ik er niet
op gesteld was zijn stilzwijgen te koopen; nu begreep ik, dat hij een
van mijn medepassagiers op mijn reis naar Amerika was geweest, een verloopen
kerel, wiens taal en gedrag mij toen reeas walgden. In New-York raakte
hij bij een vechtpartij in een speelhol een stuk van zijn neus kwijt;
hij bracht in de gevangenis maanden en maanden door, wist eindelijk
in Europa terug te komen en daar zijn tante te bedriegen."
[54:]
"En dien man
zou ik mijn kind toevertrouwen? Maar de bewijzen van uw woorden!"
"Ondervraag hem zelf; ik begon hem zijn zondenregister voor te
houden; aan gene zijde van den oceaan, ik kan 't met fierheid zeggen,
was mijn leven smetteloos; van 't geen ik in mijn ongelukkige jeugd
in 't vaderland misdeed, zal ik de verantwoording dragen. "Wat
ik ga doen," sprak ik, "gaat jou niet aan! Je kunt van mij
zeggen wat je wilt; morgen toch zal de familie Marwijk alles weten,
wat op jou en mij betrekking heeft." Zoo scheidden we; ik schreef
den geheelen nacht, 't verdere is u bekend, maar Oostveld's zwijgen
ook over mijn verleden zegt genoeg; hij durft met aan 't verleden tornen.
Na uw onverklaarbaar zwijgen wilde ik vóór mijn vertrek
naar Amerika u nog eens spreken en afbetalen; nu echter Agnes' koppeling
met dien man van geldzaken afhangt, mag ik niet langer dralen. In deze
portefeuille ligt mijn fortuin; neem het, want ik heb 't gewonnen met
het u afgeperste geld; dus hoort het u toe."
"En uzelf?"
"O, ik heb nog genoeg om naar Amerika terug te keeren en daar te
werken om mijn leed te vergeten."
Een zachte stap deed zich achter beide mannen hooren; zij zagen om:
Mevrouw Marwijk stond voor hen. Haar oogen waren vol tranen, maar een
glimlach speelde om haar lippen; zij strekte de hand naar Johnson uit
en sprak met van aandoening trillende stem:
"Mijnheer Bergman, ik dank u, dat u nog bijtijds gekomen is om
ons kind te redden."
"O, mevrouw," riep hij uit, zonder de hem toegestoken hand
aan te nemen, "u is te goed."
"Ik heb alles gehoord," vervolgde zij, "van Agnes vernam
ik, dat zij u. in 't bosch gesproken had en dat u nu bij Marwijk waart;
ik wilde bij uw gesprek wezen, omdat ik begreep, dat haar geluk daarvan
zou afhangen; ik herkende alleen uw stem en vreesde u te storen, daarom
bleef ik in de naaste kamer en hoorde uw bekentenis. Hij heeft alles
goed gemaakt, niet waar, Bernard? En ons kind zal dien ellendeling immers
niet trouwen?"
"Maar de brief, de brief; dat moet ik eerst ophelderen. Weet je
nog, hoe de arbeider er ten naastebij uitzag?"
"Een rosse."
"Zoo, Schrader, ik zal hem uithooren."
Marwijk ging heen en kwam na eenige oogenblikken terug.
"De domoor; hij bekent den brief aan de tuindeur te hebben afgegeven
aan den heer met zijn kleinen neus, den vrijer van juffrouw Agnes. Dus
heeft de schurk dien brief verduisterd."
"Na hem eerst gelezen te hebben. 't Was fijn uitgedacht; ik kon
hem niet meer schaden, zoolang ik geen bericht van u ontving; dus maar
gezwegen, zoowel over mij als over hem zelf. En nu heb ik afgedaan.
In deze portefeuille ligt in engelsch bank
[55:]
papier en effecten
een kapitaal, dat u onafhankelijk maakt van mevrouw Boden en in staat
stelt het huwelijk zoo spoedig mogelijk af te breken. Ik heb mijn schuld
betaald! Het ga u wel!"
"Neen,
Bergman, blijf! Op onze beurt hebben we een schuld van dankbaarheid
jegens u; later zullen we zien, hoe we die 't best afdoen. Ons eerste
werk moet zijn ons arm kind vrij te maken"
"Ja, Bernard, doe dat, en hoe spoediger hoe beter!"