XV.
Groote vreugde heerschte
er bij tante Cato, toen het gunstige antwoord op haar aanzoek kwam.
"Eindelijk dan is 't gelukt; ziezoo, nu moeten we onze maatregelen
maar nemen. Je begint een heel nieuw leven, Kees, en ik hoop, dat je
nu een ander mensch zult worden. Maak Agnes gelukkig, dat is 't eenige,
wat ik van je verlang."
"Natuurlijk, tante! Als ik maar weet, hoe ik dat moet aanleggen?"
"Wel, heb je van mijn leven? Zou je dat niet weten; jij, die al
zooveel van de wereld gezien hebt?"
"Juist daarom, tante, weet ik dat er evenveel erschillende vrouwen
karakters als hoofden bestaan. De eene maakt men gelukkig door met haar
uit te gaan, de andere door ze thuis te laten, een derde ziet gaarne
altijd den man tegenover haar zitten; de andere heeft hem liever een
beetje uithuizig. Nu, ik wil gaarne alles doen om het mijn lieve Agnes
naar den zin te maken, als ik maar weet hoe zij 't het liefste heeft."
"Dat moet je zelf onderzoeken, maar daar is tijd genoeg voor als
je eens getrouwd bent; in je engagementstijd is het beter, dat je niet
te veel met elkaar omgaat, want weet je, mijn arme Kees, jij valt bij
nadere kennismaking niet mee! Van je uiterlijk ziet men dadelijk het
leelijkste, maar om je karakter grondig te leeren kennen, heeft men
meer tijd noodig."
Kees trommelde tegen de ruiten en deed of hij 't compliment niet hoorde,
totdat hij eindelijk vroeg:
"Zeg, tante, ik moet toch een cadeau voor mijn aanstaande koopen;
't eerste wat men haar dient te geven is een ring, niet waar?"
"Zeker, en ik zal je dien uitkiezen; wat men tegenwoordig als
[49:]
goud en diamant
verkoopt is ellendig prulwerk; maar ik heb nog menig oud juweel, dat
van kostbare echtheid is."
Zij stond op, altijd vlug ter been voor haar ouderdom en haalde een
juweelkistje voor den dag, waarin sedert jaren menig kostbaar stuk in
't verborgen zijn glans uitstraalde.
Kees naderde en wierp begeerige blikken op de ouderwetsch gezette, maar
mooie diamanten van het zuiverste water.
Zij was in een goed humeur en legde hem uit, wanneer en van wie zij
elk stuk had ontvangen of geërfd. Na lang zoeken vestigde zij eindelijk
haar keuze op een ring, met een door paarlen omzetten diamant.
"Dit moet je uit mijn naam aan je meisje geven," zeide ze
en sloot de oogen, omdat het afscheid haar zoo hard viel.
"Maar, lieve tante, natuurlijk ben ik u zeer dankbaar, maar 't
is zoo ouderwetsch gemonteerd; 't zal Agnes' lieve vingers niet versieren.
Vindt u niet goed, dat ik het ding eerst laat verzetten, 't is een kleine
uitgaaf. Ik zal er mee naar den juwelier gaan, dat is veel beter, geloof
mij!"
"Dat moet jij weten, ik vind het zoo mooi genoeg; daar gaat weer
tijd mee heen en de ring moet het eerste geschenk zijn."
"O tante, dat kunnen ze tegenwoordig zoo gauw. 't Is het werk van
een oogenblik!"
En hij snelde weg, verkocht den ring voor een aardig sommetje en zond
Agnes een fantaisie-ring, die nog niet het derde kostte van 't geen
hem de verkoop van tante's kleinood had opgebracht.
Juist zooals tante wenschte, kwamen de verloofden slechts zeldzaam bij
elkaar; zij nam het groote besluit om bij de Marwijks te komen logeeren
en de fabriekszaak mondeling te behandelen.
Kees was om verschillende redenen er zeer op gesteld, dat er geen beletsel
kwam voor 't huwelijk, dat een levenskwestie voor hem geworden was,
en nam zich zorgvuldig in acht geen slechten indruk op de familie te
maken. 't Eenvoudigste vond hij, weinig te spreken, en daar Agnes evenmin
veel lust had met haar verloofde te redeneeren, gebeurde 't dikwijls,
dat zij lang naast elkander zaten zonder één woord te
zeggen.
De huwelijksdag was reeds betaald; Marwijk, die voor rekening :van de
crediteuren der failiete zaak voorloopig zijn betrekking behield, was
het met tante eens, dat, nu 't huwelijk toch besloten was, de bruiloft
zoo spoedig mogelijk moest plaats hebben.
Mevrouw Marwijk zag er altijd even zorgvol en treurig uit; zij kon haar
dochter zonder een zucht of een traan niet aanzien, maar het meisje
hield zich bewonderenswaardig.
Het bewustzijn haar familie te kunnen helpen, deed haar de
[50:]
toekomst kalm tegemoet
zien; haar broers echter wilden niets van den leelijken zwager weten
en zelfs Marietje liep weg, zoodra zij hem zag aankomen.
Twep of drie dagen na den ondertrouw ging Agnes met haar zusjes en twee
broers door 't bosch wandelen. Onwillekeurig kwam zij aan het punt,
waar Johnson haar op dien morgen in den weg was getreden.
Toen was 't lente; zingend en onbezorgd, door haar duiven vergezeld,
ging zij het leven tegemoet en zag niets dan zonneschijn en vreugde;
maar nu begon de herfst, er lag een gele gloed over de bosschen, het
gras kraakte van de afgevallen bladeren. Hoe vroeg 't ook was, daalde
de zon reeds ten ondergang, maar tooverde vandaag geen heerlijke lichteffecten
in 't loof, want zij had zich nog niet vertoond; er hing een zware,
dikke lucht, iets moedeloos in de natuur, als trad ze onwillig en treurig
den winterslaap in.
Agnes voelde met een wreed genot, dat dit het beeld van haar, leven
was; toen lente en zonneschijn, nu herfst en wolken, maar wat was het
tegenwoordige leven in vergelijking met den treurigen winter, die haar
wachtte, naast een man, voor wien zij niets dan afkeer voelde? "Lieve
God," zoo bad ze in haar eenvoudigheid, "roep me toch spoedig
na mijn huwelijk bij u, zoodra mijn ouders en de kinderen bezorgd zijn.
Laat me toch niet te lang met hem leven, want ik houd niets van hem,
niets."
"Zullen we niet wat touwtje springen, Agnes?" vroeg Marietje.
"Stil, groote menschen spelen niet meer met kinderen," spotte
een der jongens. "Agnes gaat trouwen, en als ze dan spelen wil,
dan doet ze het met haar lieven man."
"Ajakkes, daar wil ik niet mee spelen, die heeft een veel te leelijken
neus," meende Marietje, "ik houd niets van hem."
"Ik had veel liever gehad, dat Agnes met meneer Johnson was getrouwd,"
verklaarde het tweede jongetje, "die gaf ons mooie cadeaux en hij
was zoo goed."
"Daar is hij! Kijk, daar is hij!"
Agnes sprong op; als naar een geestverschijning staarde zij den man
aan, die plots in reisgewaad voor haar stond; bleeker en verwarder nog
dan zij, rustte zijn oog op het groepje, dat in 't gras gezeten was.
"Meneer Johnson, Agnes gaat trouwen, waar is u al dien tijd geweest?
Agnes haar vrijer heeft zoo'n kleinen neus. Heeft u wat voor mij meegebracht?"
Zoo ging 't in koor, terwijl de kinderen aan zijn kleederen hingen.
Met zacht geweld verwijderde hij hen, tikte de eene tegen de wangen,
streek een andere langs het haar en bleef toen voor Agnes staan; 't
viel haar op, dat hij er ontdaan uitzag, op zijn trekken lagen sporen
van een smartelijk lijden.
"Agnes," sprak hij, "ik kom nog niet te laat. Goddank!"
[51:]
"Waarom heeft
u mij bedrogen," barstte zij uit, "u heeft mij ongelukkig
gemaakt; nu is er niets meer aan te doen. Vandaag over 14 dagen ben
ik getrouwd."
"Neen, bij God, dat zal niet gebeuren, in der eeuwigheid niet;
dat huwelijk wordt alleen om geld gesloten. Ik zal 't beletten."
"Daar heeft u geen recht meer toe! O Bertie, waarom heb je zoo
gehandeld?"
"Agnes", en een wereld van smart klonk in dien kreet, "noem
mij zoo niet, voor de eerste en laatste maal; je maakt mijn lot te zwaar,
te bitter, je weet niet wat ik geleden heb en nog bitter lijd. Je bent
voor mij verloren, 't zij zoo, maar dien ellendeling toebehooren, dat
nimmer!"
"Waarom is u dan heengegaan zonder een woord, zonder...."
"Zonder een woord? Maar, Agnes, dat is niet zoo. Heeft uw vader
u dan niets gezegd van mijn brief?"
"Welken brief?"
"Dien ik hem geschreven heb in den nacht vóór mijn
vertrek, waarin ik hem alles mededeelde en mijn lot aan zijn en uw oordeel
onderwierp?"
"Papa heeft geen brief ontvangen, dat weet ik zeker."
"En ik wachtte op antwoord in onbeschrijfelijke spanning, maar
er kwam niets; toen begreep ik, welk vonnis over mij geveld was. Ik
heb me zwijgend onderworpen."
"We hebben na dien avond toen u met met Kees naar huis, is gegaan,
niets meer van u gehoord."
"Weet je dit zeker?"
"Zeker."
"Je vader hield waarschijnlijk den inhoud van mijn brief voor je
verborgen."
"O, neen! neen!I Hij is zoo verbitterd op u juist over dat onverklaarbare
stilzwijgen."
"Ja, als hij mijn brief gelezen had, zou hij je niet opgeofferd
hebben aan dien schurk. "
"Ik ben niet opgeofferd. 't Is mijn vrije wil."
"'t Zal niet gebeuren, herhaal ik je; al hadt je voor het altaar
gestaan, Agnes, dan nog had ik die monsterachtige vereeniging belet.
Is je vader thuis?"
"Ja, op zijn kantoor!"
"Welnu, ik ga naar hem toe!"
"En je wilt...."
"Mij rechtvaardigen van de lage beschuldiging, als zou ik je verlaten
hebben, maar dan ook alles bekennen en 't huwelijk doen afspringen.
"Ach, Bertie, doe dat niet! Tante zou ons onterven, 't is de ellende
voor ons allen; laat mij aan mijn lot over! God zal genadig zijnen mij
niet te lang laten lijden."
"Laat dat aan mij over! Je allen zult gelukkig zijn, en ik... ik
moet .mijn lot ondergaan, maar je zult niet in verbittering,
[52:]
alleen in medelijden
aan mij denken, Agnes, en dat is reeds veel! Vaarwel, misschien - voor
altijd!"
Hij was weg en liet Agnes in de grootste verwarring en onrust achter.