XIII.
Er gingen eenige
dagen om, toen één, twee, drie weken en van Johnson nog
geen spoor; Kees Oosterveld was weer vertrokken, overtuigd dat hij een
uitstekenden indruk had achtergelaten, ofschoon Agnes hem al heel weinig
aandacht schonk. 't Arme kind was geheel in de war door het geheimzinnig
vertrek van den vriend, die zij in haar hart reeds als haar verloofde
beschouwde.
Haar vader was verontwaardigd, haar moeder niet minder, en deze kon
't niet laten Marwijk te verzekeren, dat zij nooit veel vertrouwen in
Johnson had gesteld ofschoon zij hem persoonlijk gaarne lijden mocht.
Agnes deed haar werk als vroeger, zat geen oogenblik stil, maar de vroolijke
glimlach was van haar lippen verdwenen; men
[43:]
hoorde haar niet
meer zingen en zag haar niet langer dartelen in bosch en tuin.
De hoomen werden donkergroen, de zonnestralen verzengden de bloemen
en ook uit Agnes' hart was de lente verdwenen. Met slecht verborgen
ergernis zagen haar ouders het aan, hoe 't onschuldige kind gedachten
koesterde en smarten gevoelde, welke haar nog jaren lang vreemd moesten
blijven; maar de oorzaak van hun verbittering en van Agnes' verdriet
was en bleef verdwenen; niets bracht eenig licht.
In het logement had hij afgerekend, zijn koffer had hij naar het station
doen brengen en dat was alles.
Agnes herinnerde zich niets buitengewoons in zijn houding van den vorigen
avond; hij had haar als naar gewoonte hartelijk de hand gedrukt en in
den loop van den avond toegefluisterd, dat hij toch spoedig een beslissend
antwoord hoopte te ontvangen, waarop zij blozend en glimlachend 't hoofd
had afgewend.
Spoedig echter beletten andere zorgen Marwijk uitsluitend aan de teleurstelling
van zijn dochter te denken.
De patroon staakte zijn betalingen vroeger dan hij gevreesd had en zoo
was hij, evenals de talrijke werklieden, buiten betrekking.
Lang te voren had hij den slag vooruit gezien, maar uit een overdreven
eergevoel wilde hij niet voor het laatste oogenblik naar een anderen
post omkijken, daar dit misschien aanleiding kon geven tot vermoedens,
die den val van 't huis slechts konden verhaasten; nu was onverwacht
de slag gevallen en hij bevond zich met zijn groot, onverzorgd huisgezin
in een allertreurigsten toestand.
Twee of drie dagen later, terwijl men zwijgend en bekommerd aan het
middagmaal zat, ontving Marwijk een brief, dien hij zijn vrouw overreikte
met de woorden:
"Lees jij dien maar, hij is van tante!"
Mevrouw las eerst hardop, om aan den zwijgenden kinderen eenige afleiding
te verschaffen, maar na de eerste woorden bedacht zij zich en overzag
stil den inhoud.
"Geachte Neef," zoo stond er, "niettegenstaande er nooit
eenige hartelijke gemeenschap tusschen ulieden mijwaarts bestaat heeft,
zoo kom ik bij het toenemen mijner jaren toch bij UED.
"den stap doen, waarvan ik de vervulling hoop van een mijner waardste
wenschen.
"Dezelve bestaat n.l. daarin, dat ik van UEd. en ega de hand kom
vragen uwer oudste dochter, Agnes genaamd, voor mijn neef en zoo het
God belieft, universeelen erfgenaam, den heer Cornelis Gijsbertus Oostveld.
Aangezienhet voor mijn rust en kalmte een groote voldoening zou wezen
de overtuiging naar een
"betere wereld mee te nemen, dat mijn naam op een waardige wijze
voortaan in dit tranendal zal worden gedragen, is het mijn wensch, dit
huwelijk zoo spoedig mogelijk te doen plaats hebben.
[44:]
"Het is mij
ook ter kennis gekomen, dat de fabriek, waaraan UEd. een betrekking
bekleedt, fout is gegaan; zoo UEd., waaraan ik niet twijfel, mijn voorstel
aanneemt, is het mijn plan dezelve voor genoemden neef Cornelis te koopen;
onder UEd.'s leiding zal hij de zelve wel naar behooren kunnen "besturen.
"Uit een bevestigend antwoord zal ik opmaken, dat UEd.'s genegenheid
en eerbied mijwaarts werkelijk bestaan; in het tegenovergestelde geval
zal ik tot mijn leedwezen inzien, dat ik mij bedrogen heb en ook dientengevolge
weten te handelen.
Uw antwoord of komst tegemoet ziende,
Uw behuwdtante,
Cato Boden,
geb. Oostveld."
"Welnu, wat
denk je er van?" vroeg Marwijk, zoodra hij met zijn vrouw alleen
was.
"'t Is te dwaas om er over te spreken; we kunnen ons kind niet
opofferen."
"En tante's erfenis dan en de vooruitzichten, die zij ons opent,
wanneer de jongelui getrouwd zijn en de fabriek, om zoo te zeggen, ons
toebehoort?"
"Maar Bernard, je wilt toch onze Agnes niet overgeven aan dien
man?"
"Wat heb je tegen hem? Dat hij leelijk is; wat heeft men aan een
mooi gezicht? Die schurk was een knappe vent en dat heeft hem niet belet
ons allen schandelijk te bedriegen."
"Verwijt me dat niet, je weet dat ik evenmin voor Johnson was als
voor neef Kees!"
"Maar wat wil je dan voor je dochter? Een arme drommel, zooals
haar vader was? Je ziet duidelijk de gevolgen van die zoogenaamde huwelijken
uit liefde. Ellende en teleurstellingen, jaren later nog altijd den
treurigen nasleep er van! Nu zijn we weer broodeloos; heb jij, voorbeeldige
sjouwster van beroep, zooveel geluk beleefd aan je dwaas huwelijk, dat
je je dochter 't zelfde lot wilt bereiden?"
"Bernard, je bent verbitterd, daarom vergeef ik je gaarne wat er
krenkend voor mij in je woorden ligt. Ik zou nu na twintig jaren nog
evenzoo handelen als op den dag van ons huwelijk, jij misschien niet!
Van alle ongelukken, die ons getroffen hebben, vind ik dit het zwaarste."
"Nu, die sentimentaliteiten komen hier niet te pas; jij hebt ze
Agnes ingeprent, dat kind treurt meer om den ellendeling, die haar bedroog,
dan om de ramp, die haar ouders getroffen heeft. Zij verbeeldt zich
waarlijk genegenheid of liefde, of hoe heet dat ding ook in de romans,
te voelen voor een ellendigen kerel die haar vader kon zijn."
[45:]
"Kees Oostveld
is ook niet veel jonger en van zijn verleden weten wij even weinig."
"Tante staat er borg voor; hij is geen Adonis, maar als men arm
is en daarenboven min of meer gecompromitteerd door het gedrag van een
quasi-verloofde, heeft men het recht niet al te nauw te kijken en te
moeilijk te zijn in zijn keus. 't Kind heeft het lot van ons heele huisgezin
in handen."
"Stil, zeg dat niet, daar is ze! In Gods naam laat zij het niet
hooren!"
Agnes kwam werkelijk binnen, bleek als een doek, maar ferm en met opgerichten
hoofde. '
"Ik heb 't gehoord, papa," zeide zij, "mag ik weten,
waarover u spreekt?"
Marwijk was een weinig verlegen; de verbittering, die hij tegenover
zijn vrouw had lucht gegeven, verdween op 't gezicht van Agnes' diep
treurig gezichtje. "
"Kom hier, Agnes," sprak hij, "ik moet een ernstig woordje
met je spreken, lees dezen brief, overdenk den inhoud, maar vergeet
wat ik daar straks zei. Wanneer je ons aller welvaart koopen moest door
je ongeluk, dan reken ik het voor veel te duur gekocht."
"Mag ik mij bedenken, pa? Tot morgen?"
"Wel zeker, kind, bedenk je, zoolang je wilt en wat je ook besluit,
't is ons goed."
Zij verliet het vertrek met den brief in de hand; haar moeder was in
tranen uitgebarsten.
"Nu, Mien," sprak Bernard, wien zijn oploopendheid reeds berouwde,
"maak je nu maar zoo overstuur niet. Zij is oud en, helaas! in
de laatste weken wijs genoeg geworden om te weten, hoe zij in dit geval
handelen moet. Laat haar zich vrij bedenken en geef mij een zoen, tot
een bewijs, dat je mij die harde woorden vergeven hebt. 't Is om wanhopend
te worden, hoe 't ongeluk sommigen vervolgt; jaren en jaren -lang heb
ik hard gewerkt en nu zijn we weer even ver als toen we begonnen; behalve
dat de tijden duurder zijn en ons huishouden veel grooter."
"Maar laten, we 't kind niets raden, Bernard; 't is verschrikkelijk
haar verbonden te zien aan zoo'n man!"
"Ik vind hem zoo verschrikkelijk niet. Zijn neus kon mooier wezen
en zijn houding wat heerachtiger, maar overigens is hij bescheiden en
onberispelijk van gedrag. Anders zou tante zich zijner niet aantrekken.
Ik heb zoo'n heel slechten indruk niet van hem ontvangen."
"Omdat je toen verbitterd waart op Johnson, en hij met je samen
op hem schold en al je grieven geduldig aanhoorde, maar Agnes heeft
een afkeer van dien man, dat heeft ze mij dikwijls genoeg gezegd."
"Nu, laat ze hem niet nemen! Dat is doodeenvoudig; dan wordt de
fabriek door een ander gekocht en de erfenis gaat ons
[46:]
voorbij. Agnes
heeft wonderlijke sympathieën en antipathieën; zoo veel slechter
dan die avonturier is neef Oostveld niet en zij droomt nog maar van
den andere."
"Beken tenminste, Bernard, dat zij aan haar opkomende sympathie
niet zou hebben toegegeven, wanneer ze minder duidelijk bemerkt had,
hoe haar vader dezelfde meening over Johnson had als zij."
"Natuurlijk heb ik alles weer gedaan," en met deze woorden
ging hij naar buiten en trok de deur knorrig dicht.