XII.
Een paar maanden
waren verloopen, sedert dien gedenkwaardigen dag in Agnes' kort leven,
en langzamerhand was zij beginnen te lachen over de dwaze wijze, waarop
ze zich dien morgen had aangesteld en Johnson lachte mee; zij begreep
niet meer, wat haar eigenlijk zoo verschrikt had.
Soms kwamen de tranen haar in de oogen, maar dit was wanneer hij over
zijn aanstaand vertrek naar Amerika sprak, waarvan het tijdstip reeds
vastgesteld was.
Marwijk zag met blijdschap haar toenemende genegenheid voor Johnson,
want de zaken namen hoe langer hoe meer een dreigendaanzien, en de crisis
kon niet lang meer uitblijven. Mevrouw werkte het huwelijksplan niet
tegen, maar geheel overtuigd was ze er nog niet van, dat zij Agnes'
lot zonder vrees aan den vreemdeling kon toevertrouwen. Zoo stonden
de zaken toen er een telegram van tante kwam: "Agnes dadelijk overkomen!"
Nadat het meisje den vorigen winter op raad van Johnson naar huis was
teruggeroepen "omdat mama haar noodig had," liet tante niets
van zich hooren, dus was dit telegram een ware gebeurtenis.
"Ik ben niet graag bij tante," zei Agnes, "ze is niet
kwaad, soms is zij zelfs zeer goed, maar men kan er niet op vertrouwen;
't is of men over broos ijs gaat, zoo moet men met haar omgaan, ieder
oogenblik kan zij veranderen."
"Zal ik weer mijn oude kamers huren?" vroeg Johnson lachend.
Agnes' oogen schitterden, maar mevrouw Marwijk sprak ernstig:
"Dat is dwaasheid! Ik zal Agnes naar Amsterdam brengen en zien
wat tante wil."
Ondertusschen zat tante voor haar lessenaar met haar geliefde neef naast
haar en telde op:
"Voor een nieuw pak f 90. "
"Voor een nieuwen hoed f 6.
"Een paar handschoenen f 1.75.
"Dat alles bijeengeteld maakt bij de f 100 en nog ben je niet geslaagd.
Overal geven ze je blauwtjes, je moet getrouwd zijn voor dat ik mijn
hoofd nederleg."
"Maar, tante, ik zou niets liever, u ziet het zelf, niemand wil
mij hebben."
[41:]
"Aan de kleeren
ligt het niet, die zijn duur genoeg, maar ze staan je, of je ze gestolen
of cadeau gekregen hebt. Onbegrijpelijk, je gezicht is al zoo leelijk,
maar je figuur is ook ellendig. De kleeren hangen je aan 't lijf op
een schandelijke manier. Ik heb Agnes verzocht hier te komen logeeren;
ik heb je gezegd, lid van Artis te worden, dan gaan we samen naar de
concerten, maak je nu een beetje beminnelijk, opdat zij ook je niet
behandelt 'als de anderen."
"Is Agnes nu aan de beurt?"
"Daar heb ik altijd aan gedacht, als de anderen mislukten. 't Kind
is wat onnoozel en je zult haar van alle kanten kunnen bedriegen, maar
ik vraag je, welk flink, rijk meisje wil anderseen kerel tot man hebben
met zoo'n neus?"
"En als ik met Agnes trouw, ben ik dan zeker, dat... dat... u mij
uw genegenheid niet zult onttrekken?"
"Mijn erfenis bedoel je! Laat dat aan mij over. Je ziet, ik ben
nog flink en gezond en denk niet aan sterven. Ik wil mijn naam voortgeplant
zien en daarom moet ik je getrouwd achterlaten. Mijn geld..."
"Maar, lieve tante, ik spreek van uw genegenheid alleen en niet
van uw geld."
"Zwijg, ik weet heel goed, waarvoor je al mijn complimenten en
nukken verdraagt, alleen omdat mijn effecten je uit de verte toelachen,
veel liever dan 't liefste meisje, dat je ooit een blauwtje gaf. Maar
daar is nu geen sprake van. Agnes en haar mama komen hier logeeren;
ze zullen niet lang blijven, want je kunt je toch niet lang fatsoenlijk
houden. We zullen maar geen lid worden van Artis; als je getrouwd bent;
kan je het nog lang genoeg zijn en ik heb reeds te veel aan je toilet
ten koste gelegd. We zullen maar eens naar een theetuin gaan; dat komt
op 't zelfde neer, die buitenmenschen zijn niet erg verwend."
Mevrouw Marwijk en Agnes bleven een week; tante was uiterst vriendelijk,
ze was nooit zoo welwillend geweest. Kees deed zijn best om zich goed
voor te doen. Tante scheen niet ontevreden over hem, al moest ze zich
dikwijls aan zijn grofheden ergeren; hij vond Agnes heel anders dan
dezen winter, lang zoo'n onnoozel kind niet meer.
Noch moeder, noch dochter spraken een woord over Johnson, en toen ze
vertrokken, waren ze juist lang genoeg bij elkander geweest om van beide
kanten aangename herinneringen van 't samenzijn te bewaren.
Ze waren echter nog geen veertien dagen thuis of Kees Oostveld kwam
belet vragen, daar hij toevallig die kanten uit moest, om de lieve familie
van zijn dierbare tante een kort bezoek te brengen.
"Pas op, Johnson, er zijn kapers aan de kust!" lachte Marwijk.
"Als die neef Agnes maar niet beter bevalt.."
Agnes hief verontwaardigd haar oogen naar haar vader en
[42:]
toen naar haar
vriend op. Hoe kon men Kees en Johnson in één adem noemen?
"Ik ben zeer nieuwsgierig kennis te maken met den beroemden neef
der mij bekende tante," zeide hij.
Kees liet zich niet lang wachten; zijn pak droeg weliswaar reeds eenige
vlekken, toen hij in 't huis der Marwijks verscheen, maar overigens
deed hij zijn tante geen oneer aan; hij was vastbesloten nu geen afwijzing
meer te ondergaan.
Terwijl hij in den familiekring zat, kwam Johnson binnen; even zagen
beide mannen elkander aan en 't scheen of zij hun gedachten verre naar
het verledene lieten terugkeeren om daar een oude herinnering te vinden,
doch of het al dan niet de eerste maal was, dat ze elkander zagen, 't
bleek noch uit hun woorden, noch uit hun houding.
Beiden bleven het avondeten gebruiken en Kees merkte spoedig dat de
andere hem bij Agnes vóór was geweest en dat Johnson door
allen als een lid der familie beschouwd werd, terwijl hij slechts geduld
werd ten wille van tante.
Om tien uur stonden de gasten op en namen afscheid, want Kees logeerde
evenals Johnson in het eenige dorpslogement.
"Je hebt dus gezelschap aan elkaar en ik zal je den weg niet behoeven
te wijzen," sprak Marwijk, beiden de hand reikend, en zag hen na,
terwijf zij zich door den tuin verwijderden.
Den volgenden morgen kwam Oostveld tegen elf uur de dames Marwijk een
bezoek brengen. Johnson verscheen echter niet; men wachtte den geheelen
dag, Agnes werd bleek en onrustig; haar broer ging naar 't hotel hooren,
of hij ziek was geworden, maar kreeg tot antwoord, dat hij 's morgens
vroeg vertrokken was, zonder te vermelden waarheen.
Kees verzekerde stellig, dat hij hem gisteravond aan de deur van het
logement het laatst, had gezien.