XI.
Een uur later, terwijl de heer Marwijk voor het geopende raam van zijn kantoor diep. over zijn boeken gebogen zat, werd er aan zijn deur getikt en Johnson trad binnen.
[36:]
"Ha, my dear!"
sprak de boekhouder, hem zijn vrije linkerhand toestekend, "hoe
gaat het? Wat, toilet gemaakt, naar ik zie, waar moet het heen?"
"Ik heb een wandeling gedaan in den heerlijken lentemorgen, die
me nu eerst mijn vaderland doet waardeeren."
"Gelukkig mensch, die vrij door bosch en veld kunt dwalen; wanneer
zal ik 't ook eens kunnen doen? Wanneer komt voor mij de rentenierstijd
aan? Maar daarvoor heeft u zich toch niet in gala gestoken?"
"Neen, om u te spreken!"
"Om mij te spreken, verbeeld je, nu spreek op," hij schoof
zijn boeken ter zij, stak de pen achter het oor en zette zich in gemakkelijke
houding, "ik ben recht nieuwsgierig!"
"Ik houd niet van omwegen en zeg 't dus rondweg; ik heb met uw
dochter een gesprek gehad, dat haar zeer ontstemd schijnt te hebben,
waardoor ik vrees dat het onderwerp wel niet meer zal ter sprake komen,
maar toch acht ik het mijn plicht u daarvan in kennis te stellen."
"Mijn hemel, hoe plechtig! Je hebt haar toch niet ten huwelijk
gevraagd?"
"Toch wel, dat heb ik, dwaze, gedaan!"
"Kom, dat meent u niet! Agnes is nog zoo'n kind."
"Voor mij is ze vrouw genoeg. Zij is weggevlogen, toen ik 't woord
uitsprak. Arm kind, Ik heb haar en haar duiven verschrikt. Vindt u 't
ook onzinnig, meneer Marwijk? Maar u neemt het mij toch immers niet
kwalijk?"
"Kwalijk nemen integendeel, ik vind uw voorstel zoo vereerend,
te vereerend, dan dat ik er maar dadelijk geloof aan kan hechten. Agnes
is weggeloopen, zegt u. Juist iets voor haar, maar ik begrijp 't niet
hoe u aan haar denken kunt. U hebt zooveel gezien en zij is nog zoo'n
onschuldig klein ding."
"Dat is 't juist, wat ik in haar waardeer, wat ik in haar gevonden
heb, een bekoorlijkheid, die de schitterende gaven van anderen overtreft.
Maar ik ben te oud, te ernstig voor haar; mijn vraag was een dwaasheid.
Spreken we er niet meer over, Marwijk!'"
"Wel zeker, spreken we er juist van! U wil dus met haar trouwen
en u hier in Holland vestigen?"
"Mijn plan was naar Amerika te gaan, daar mijn zaken te regelen
en dan te trouwen maar helaas! 't Was een droom, een al te zoete droom.
U kent me zoo weinig!"
"Maak u bekend; als uw verleden me zoo goed bevalt als het tegenwoordige,
dan heb ik niets tegen uw plannen. Dat u ouder is dan Agnes, vind ik
geen beletsel; integendeel, u zal verstand en beleid moeten hebben voor
twee en ik geloof, dat zij veeleer neiging heeft zich aan een sterkere
te hechten dan zelfstandig naast iemand, die zoowat haar gelijke is,
te gaan. Vertel me uw
[37:]
geschiedenis en
als daar niets in is, waarvoor u zich te schamen heeft, welaan, dan
geef ik mijn toestemming."
Johnson hield de oogen naar buiten gericht langs Marwijks onderzoekenden
blik heen.
"Wat kan 't wezen," sprak hij droomerig, "dat u in mijn
geschiedenis belang kan inboezemen? Ik heb geen familie meer, die zich
om mij bekommert; 't doet er dus niet toe, van waar ik afstam. Hollander
van geboorte, zocht ik nog zeer jong Amerika op. Ik heb daar met de
bitterste armoede gestreden, totdat ik mij door eigen kracht omhoog
werkte en met Gods zegen een rijk man werd. Dat ik mijn rijkdom eerlijk
verdiende, kan ik u bewijzen," en hij haalde een portefeuille voor
den dag. "Laat dat, we zullen 't wel later zien, maar Johnson is
toch' uw naam niet."
"Jansen of Janszoon is er de Hollandsche vertaling van."
"En hebt ge dan geen geboorte-akte of de huwelijks-akte van uw
ouders?"
"Die liet ik in Amerika; ik had niet gedacht ze noodig te hebben
in Holland. Wil u mijn overige stukken zien?"
Marwijk nam den bundel papieren aan en liep ze met een oogwenk door.
Ze spraken allen zeer ten gunste van Johnson;'t waren passen, benoemingen
tot eereposten, aanbevelingsbrieven, akten van koop en verkoop.
"Dat klinkt alles als een klok. Wat komt het er ook eigenlijk er
op aan, wat je vroeger in Holland geweest bent? Ik begrijp 't wel, veel
bijzonders was 't niet, maar ik heb slechts met je te maken, zooals
je nu zijt en ik heb 't je reeds gezegd: over de vier maanden verkeer
ik dagelijks met je en je bevalt mij onder alle opzichten. Kom dus vanavond
bij ons, dan zullen we zien, wat de kleine meid en moeder de vrouw er
van denken. Die hebben 't meest te zeggen in 't spel!"