X.
De woning, door
Marwijk en zijn gezin bewoond, werd door een boomgaard van de groote
fabriek gescheiden, die, evenals 't huis uit rooden baksteen gebouwd
was.
Nu schenen alle kersen-, appel-, peren- en perzikboomen groote ruikers
van witte en roode bloemen; de hyacinthen en tulpen stonden in vollen
bloei in het tuintje, dat zich rondom het huis bevond en meer tot genot
der oogen diende dan de groote moestuin, waaraan de boomgaard van een
zijde grensde en die door een meidoornhaag was ingesloten.
Gouden regen overschaduwde met zijn dikke, gele trossen een landelijke
bank, bij de ingangsdeur geplaatst. 't Waren dus alleen bloemen en bloesems,
die met hun goedkoopen tooi het
[34:]
eenvoudige huis
tot een verrukkelijk zomerverblijf maakten.
In de achterkamer, waarvan de twee deuren in den tuin uitliepen was
mevrouw Van Marwijk bezig het ontbijt aan kant te zetten, toen ze plots
haar dochter verschrikt en angstig zag binnenstormen.
"Mama, mama!" snikte zij en wierp zich om den hals der moeder,
"ach, mama!"
"Lief kind, wat is er toch? Ben je al naar het dorp geweest? Is
er iets gebeurd met de kinderen?"
"Neen, neen, niets! Meneer Johnson!"
En zij verborg; dien naam schier onhoorbaar uitsprekend, het hoofd op
haar moeders borst.
"Wat is er met hem, iets verschrikkelijks zeker? Kindlief, wat
doe je me schrikken? Wat is er met Johnson?"
En haperend en snikkend werd het aan moeders oor gefluisterd:
"Hij heeft mij... hij heeft mij gevraagd zijn vrouw te worden!"
Een glimlach vloog even over mevrouw Marwijk's lippen.
"Heb je dat goed verstaan, Agnes? Ik kan 't niet gelooven, hij
is zoo oud..."
"Zoo heel oud niet, mama, en daarbij, hij ziet er ouder uit dan
hij is, maar ach, mama! ik vind 't zoo akelig!"
"Lieve meid, je behoeft het niet akelig te vinden; als het waar
is, dat hij je ernstig je hand gevraagd heeft, dan kan je hem immers
weigeren. Waarom vindt je het dan zoo verschrikkelijk?"
"Ik weet het niet, ik weet het zelf niet, maar ik was zoo geschrikt,
dat ik hard moest wegloopen en u alles vertellen."
"Wegloopen had je niet moeten doen; je bent nog zoo jong, Agnes,
pas achttien jaar en dan al trouwen."
"Niet waar, mama, ik ben nog veel te jong, maar ach, als ik dat
aan meneer Johnson zeg, dan zal hij boos worden en verdrietig en dan
gaat hij weer terug in de eenzaamheid, want hij is alleen op de wereld.
Dat heeft hij me zelf gezegd; zou hij 't werkelijk meenen? Ik ben zoo'n
dom, onnoozel kind en hij îs een deftig man, die al zooveel van
de wereld heeft gezien "
Dit werd tusschen haar tranen heen gezegd, terwijl zij op de canapé
zat, het hoofd verborgen in de kleederen harer moeder, die glimlachend
naar haar dochter zag, wier groote smart een vreemdeling zeker aan elke
andere reden dan aan het ontvangen van een huwelijksaanzoek zou hebben
toegeschreven.
"Vertel me nu eens bedaard, alles wat er gebeurd is," sprak
mevrouw Marwijk, het bruine hoofdje zacht opheffend en haar tranen afdrogend,
"van 't begin af; waar heb je met meneer Johnson gesproken?"
Agnes vertelde oprecht alles, wat zij zich nog van haar avontuur herinnerde;
één ding alleen verzuimde zij te zeggen: Johnson 's bekentenis
van zijn plan tot zelfmoord.
[35:]
Was dit opzet?
"En wat moet ik nu doen, mama?" vroeg Agnes, nadat ze geeindigd
had.
"Wat zegt je hart, kindlief? Ik twijfel er niet aan, of meneer
Johnson zal, als hij 't ernstig meent, met je vader over de zaak spreken;
doet hij het niet, dan zal papa hem onder het oog brengen, dat hij ongepast
heeft gehandeld. We kennen hem sinds kort, we weten niets van zijn verleden,
maar voor zoover we hem leerden kennen, spreekt alles ten zijnen voordeele.
Doch dit is niet genoeg om hem 't lot van ons dierbaar kind toe te vertrouwen.
En jij zelf schijnt zijn voorstel niet aanlokkelijk te vinden."
Agnes zweeg en wendde 't hoofd af.
"Een vrouw, die getrouwd is, is toch veel gelukkiger dan een die
oude juffrouw blijft," zeide ze eindelijk zacht en schuchter.
"Dat hangt er van af, Agnes, vele vrouwen betreuren met heete tranen
het oogenblik, waarop zij hun huwelijk sloten."
"Maar u dan, mama?"
"O, ik! Hoe weinige vrouwen werden ook zoo gelukkig als ik 't steeds
ben geweest, en toch, welke zorgen hebben we niet gehad en hoevele wachten
ons nog!"
"Dat hoort er bij, mamaatje; zorgen moeten er zijn, maar als u
met papa er eens ronduit over gesproken heeft, dan lacht u weer en 't
schijnt of u het zoo niet meer voelt. Maar meneer Johnson is zoo heel
alleen..."
"Agnes! ik geloof dat je reeds van hem houdt..."
"Ja, mama, ik hield veel van hem, anders zou ik niet zoo bedroefd
zijn, omdat ik omdat ik... "
't Scheen moeilijk voor Agnes onder woorden te brengen, waarom zij zoo
bedroefd was; mevrouw Marwijk lachte.
"Je bent niet bedroefd, Agnes! Alleen maar wat geschrikt door die
onverwachte, gewichtige vraag. Ga nu maar naar boven en begin de wasch
uit te zoeken. Ik kom dadelijk bij je."
"Spreekt u er met papa over?"
"Vanavond eerst, als de kinderen naar bed zijn. Papa heeft al zorgen
genoeg. Zet je die zaak maar zooveel mogelijk uit het hoofd, kindjelief;
wie weet of je hem niet geheel verkeerd hebt verstaan."
Hieraan twijfelde Agnes wel niet; toch gehoorzaamde zij haar moeder,
begon de wasch uit te zoeken, maar of zij zich het gebeurdie uit het
hoofd zette?