IX.
't Was lente, een
heerlijke, frissche lentemorgen, zooals er meer bezongen en beschreven
zijn dan er werkelijk in tientallen van jaren voorkomen, een van die
zeldzaam schoone dagen, welke het meest gewone, meest alledaagsche landschap
omtooveren in een feeën tuin en het bosch in een paradijs. Zoo
dacht er ook de man over, die al uren lang half droomend, maar toch
met alle zinnen genietend, het heerlijke schouwspel had aanschouwd van
de ontwakende en de ontwaakte natuur.
Hij lag op een bemosten boomstam, aan 't begin van het bosch, dat nu;
eens zich verbreedend een vergezicht opende op een met bloemen bezaaid
grasperk, dan weer aaneengesloten het oog verkwikte door lichte groepen
van wilde appel- en kastanjeboomen, de eersten wit als de ruikers eener
reuzenbruid, de andere opgesierd als kerstboomen met hun rozeroode kandelaars.
Rondom zijn landelijke zitplaats een seringenbosch, wit en paars, dat
zijn geuren om zich heen verspreidde en vermengde met de eigenaardige
zoete lucht, die op een lentemorgen uit de boornen en het gras opstijgt.
Aan zijn voeten een naar beneden kronkelend pad, geheimzmnig en uitlokkend,
als een eereboog
[30:]
en tusschen het
teere groen der lInden, net zachte rood van de kastanjebloesems en den
meidoorn, het zilver der esschen, het warme granaat der beuken blauwde
de lentehemel, zacht en teeder als een morgendroom. En de zon, die groote
toovenares, deed haar stralen dartelen op het frissche loof, op de ontloken,
bloempjes, op het bonte gras, dat, zoo ontsnapt aan sneeuwen ijsboeien,
zich niet verbeelden kon, dat er iets anders in de schoone wereld mogelijk
was, dan zonneschijn en vogelenzang, dan bloemengeuren en dauwdruppels,
ten ergste een meiregen.
't Was er levendig in dat bosch; 't lied der liefde klonk uit elke struik,
eIken boomtop, uit nonderd verschillende kelen; in de verte roekoekte
een duiven paar, nu en dan steeg een leeuwerik zingend omhoog, om iets
dichter de zon te naderen, aan wie zij geluk en vreugd te danken had.
Kort is zulk een oogenblik, maar 't is de herinnering daaraan, die een
langen barren winter moedig doet doorstaan, omdat men weet, dat zulke
dagen kunnen volgen.
Alle zorgen, alle angsten, die in de eindelooze, voorbijgegane nachten
reusachtige verhoudingen aannamen, blijken niet bestand tegen de algemeene
vreugde, op zulk een morgen uit alles stralend. Het verdriet is vergeten,
de vrees verminderd, niets is meer onmogelijk nadat men de herleving
bijgewoond heeft van de verkleumde aarde, nadat men daar, waar slechts
dood en verstarring scnenen te heerschen, nu leven, jeugd en vreugde
ziet. Waar zulk een verandering plaats neeft als de overgang van winter
tot lente, daar heeft ook de mensch recht te hopen op geluk, blijdschap
en vrede.
Zoo dacht mr. Johnson, op zijn boomstam uitgestrekt; waarom zou hij
het verleden niet van zich afwerpen, waarom het steeds tusschen het
heden en het morgen een plaats gegund? Wat bekommerde zich die vroolijke
lente om den buitengewoon strengen winter, die nu eindelijk voorbij
was? Zij ging den zomer tegemoet, de vervulling der beloften, die zij
nu juichend deed, en bekommerde zich niet over 't geen daarna volgde.
En hij sleepte het gewicht van voorheen steeds met zich; ontbrak 't
hem aan moed en kracht om er voor goed mee af te rekenen?
Plotseling richtte, hij zich op; hij hoorde zoet gezang, dat alle muziek
van 't bosch overtrof, dat was geen vogelenstem, zoo zong zelfs de nachtegaal
niet.
Er schemerde iets tusschen de kamperfoelie- en hagedoorntakken, iets
blauws, iets vaags, 't kwam nader. Met een kloppend hart en schitterende
oogen richtte Johnson zich op; zij was 't, die hij sinds de eerste morgenschemering
wachtte, wier aandenken hem in dien geheel slapeloos doorgebrachten
nacnt had beziggehouden, wier zoete stem hem nog liefelijker toescheen
dan het gekweel der houtduif. Zij, die alleen heerschte over zijn besluiteloosheid,
die hem aandreef tot handelen, maar tevens weer
[31:]
hield omdat... omdat
het verleden hem telkens voor den geest trad.
Zij trippelde voort, zwevend als op de maat van haar gezang; op de linkerhand
zat een sneeuwwitte duif, terwijl een tweede rustig op den rechterschouder
zetelde, nietttegenstaande zij den arm opgeheven hield om met een grooten
ruiker veldbloemen een derde aan te zetten in nog wijder kringen rondom
haar hoofd te fladderen.
Zij droeg een eenvoudig blauw katoenen kleedje; maar beschenen door
de zon, tusschen de weerkaatsing van het glinsterende groen, scheen
het wel van de bloemenstof, waaruit de draperieën der woudnimfen
geweven werden. De breede stroohoed verdween onder zijn weelderigen
krans van vergeet-mij-nieten en viooltjes; de dikke vlechten prijkten
met bouquetten. Overal had zij bloemen gestoken en geslingerd, zelfs
om de witte borstjes van haar duiven. Zingend en spelend kwam zij uit
den hollen weg; vervuld met haar duifjes zag zij niet, hoe plots een
zwarte schaduw over haar weg viel, totdat ze er dicht voor stond.
Een fijne blos kleurde even haar wangen, terwijl ze stil bleef staan
en met een vriendelijken glimlach zeide:
"Mijnheer Johnson, wat is u vroeg in het bosch!"
"Vroeger, veel vroeger dan u!"
"O ja, ik ben vandaag niet heel vroeg, maar ik heb al veel gedaan;
ik heb 't ontbijt gereed gezet, ik heb de kinderen gekleed voor de school,
ik heb de bloemen begoten en nu ga ik naar 't dorp een paar boodschappen
doen, en zie eens, welk gezelschap ik bij me heb!"
"Machtige beschermers!" lachte hij en dacht: "Kan de
onschuld beter vergezeld zijn?"
"'t Is een kleine omweg en ik houd zoo veel van het bosch. Begrijpt
u nu, hoe ongelukkig ik mij voelde in de groote stad?"
"Ja, nu ik uw kring heb leeren kennen en dien kan vergelijken met
uw gezelschap daarginds."
"Waarvan u slechts een kent, den dragelijkste; mijn neef heeft
u nooit gezien - maar ik moet gaan, ik heb tijd genoeg verloren door
het bloemen plukken."
"Mag ik U vergezellen?"
"Zeker! Zie eens, hoe mijn duifjes zelfs niet voor u schrikken.
Dat doet me plezier! Ha, Blanche zet zich op mijn vinger, dat heeft
ze vanmorgen nog niet eerder gedaan."
Bewonderend en toch met een soort van eerbied zag de forsche man naar
't bevallige kind, dat vroolijk naast hem ging; hij, die zooveel had
gezien en doorstaan, voelde zich schroomvallig tegenover het meisje.
Hij vreesde op haar engelreine onschuld een schaduw te werpen, hoe gering
ook, en toch, hij moest spreken; van haar woord hing zijn toekomst af,
dat kind droeg immers in haar teere vingers zijn geluk.
[32:]
"Agnes,"
begon hij en zijn stem beefde als die van een zestienjarigen knaap,
die voor 't eerst het meisje aanspreekt, door hem sinds lang uit de
verte bewonderd. "Agnes, ben je gelukkig?"
Glimlachend zag ze hem aan, vóór zij antwoordde:
"Waarom zou ik dat niet zijn, met zulke goede ouders en zulke ondeugende
broers en 't lieve Marietje, en toch..." een wolk gleed even over
haar stralend gelaat, "ik zou veel gelukkiger zijn, als u de fabriek
had gekocht!"
"Hangt daarvan Agnes' volkomen geluk af? Ik heb er moeite genoeg
voor gedaan, maar de patroons van uw vader zijn van plan veranderd,
hun handelwijze is zonderling "
"Niet waar, dat zegt mama ook! Papa wil er niets van weten, maar
als de fabriek verkeerd gaat, wat moet er dan van ons worden?"
"Ik ben er nog, Agnes!"
"O, u is zoo goed, meneer Johnson; en dat zeggen we allen; ik ben
zoo blij, dat u toch hier is komen wonen, niettegenstaande het koopen
van de fabriek is afgesprongen. Papa zegt ook, dat u zoo'n flink, degelijk
mensch is; met zoo'n patroon zou de fabriek heel andere zaken doen dan
nu."
Zij zag er nu uit als een zeer verstandig vrouwtje; maar dadelijk weer
stond ze stil, riep haar duiven, die onrustig begonnen te worden, terwijl
Johnson eenige stappen verder haar wachtte.
"Dat ik hier kwam wonen, Agnes, pleit zeker voor den aangenamen,
huiselijken kring, dien ik hier vond. Wil je mij je arm geven, Agnes,
dan kunnen we gemakkelijker praten."
Zonder aarzelen legde het meisje de zwaar met bloemen beladen hand op
zijn arm, waarvan zij 't beven niet eens opmerkte; hij nam haar den
ruiker af en ging zacht voort:
"Ik ben dien kring geheel ontwend, Agnes, en toch, een tehuis is
het zoetste, wat de goede God ons in deze soms zoo wreede en koude wereld
kan geven. Ik heb 't gemist van jongs af, door mijn schuld, ik beken
't; eerst bij u aan huis heb ik alle zoetheid ervan leeren kennen! Je
hebt dezen winter ondervonden, wat het is, alleen te zijn, maar je waart
niet geheel alleen, je hadt je ouders nog en de anderen, al waren ze
ook verre, maar ik heb niemand op de geheele, groote wereld, Agnes!"
Er blonk een traan in haar oog, dat zij naar hem ophief.
"Doen wij u dat soms niet vergeten?"
"Ja, en daarom kan ik niet van dit plekje scheiden; ik vrees zoo
de eenzaamheid, de verlatenheid. Laat me je nog iets zeggen, Agnes;
weet je waarom ik je op dien Kerstdag bedankte voor je Kerstlied? Omdat
je mij toen, zonder het te weten, gered hebt van zelfmoord."
"O foei," haar hand sidderde en met een uitdrukking vol schrik
en medelijden zag zij hem aan, "zelfmoord!"
"Ja, ik had in mijn hand reeds een revolver om aan alles een einde
te maken, toen je stem, Agnes, mij herinnerde,
[33:]
dat de dood eer
het begin dan het einde is van leven, dat we een Vader in den hemel
hebben en een Verlosser, die ons redden kan - en wil en slechts voor
de wanhoop geen vergiffenis heeft. Toen liet ik mijn hand vallen en
ik herkreeg weer moed en hoop."
"Dan was het een goddelijke ingeving zeker, die me deed zingen.
Ik was alleen thuis, want tante wilde niet dat ik leven maakte, zooals
zij 't noemt; ik moest een herinnering hebben aan huis, en zong 't lied,
dat mama mij eens leerde."
"Je hebt mij gered, Agnes, je bent mijn beschermengel! Zonder jou
is de toekomst voor mij gelijk aan een somberen herfstmorgen, met jou
is 't lente, altijd lente, zelfs op den kortsten winterdag!"
Zij bleef zwijgen.
"Ik ben niet altijd goed geweest, Agnes, ik had veel gedaan, waarvoor
ik blozen moet, maar je zult dat vergeven, want mijn geheel volgend
leven zal ik besteden om aan u en de uwen goed te maken, wat ik misdreef,
wanneer je wilt Agnes wanneer je wilt."
"Wat zou ik willen?" vroeg zij zacht en nadenkend.
Sinds lang waren de duiven vooruitgevlogen; haar dartele vroolijkheid
had plaats gemaakt voor een zekere stille droomerij, die haar misschien
nog bekoorlijker maakte.
Hij had moeite de woorden uit te brengen, waarmede hij antwoordde:
"Mijn vrouw worden, mijn lieve vrouw."
"Ik? Uw vrouw! 0 foei, hoe kunt u zoo tegen mij praten, meneer
Johnson, dat had ik van u niet verwacht, o neen, neen!"
Zij trok haar hand terug en nog vóór dat hij tot bezinning
kwam, was zij in 't bosch verdwenen.
De duiven vlogen haar na en hij stond alleen met haar woudbloemen in
de hand, als eenige herinnering aan de kleine fee, die hem zoo plotseling
verlaten had.