IX.
Groote verwarring
in de kleine bovenwoning der familie Sonerius. Betje, het schellemeisje,
was niet gekomen, en Baboe was niet opgestaan omdat zij zware koorts
had en lag te klappertanden op haar matras, want zij was niet te bewegen
geweest ooit in een ledekant te gaan slapen, hoewel zij dekens en kleeren
bij hoopen over zich had gelegd.
Nu stonden vader en dochter radeloos; het weinige dat in 't huishouden
gebeurde, werd nog door Baboe gedaan, maar wie moest er nu aan?
De petroleumstellen walmden, de kachel moest aangemaakt worden, en er
waren geen kolen, Idée ging naar beneden, om brood en melk aan
te nemen - 't was juist bitter koud en de heer Sonerius, die erg rillerig
was, liep maar heen en weer om zich te warmen terwijl Idée het
hulpeloos stond aan te zien.
Zij had haar petroleumkacheltje in de huiskamer gezet, maar het ding
walmde zoo, dat de lucht er
[63:]
van verpest werd,
en zij genoodzaakt waren het weer uit te draaien.
Nu ging Idée op haar knieën voor de kachel zitten en haalde
er met haar fijne, magere handen de sintels uit.
"Is dat nu werk voor jou," pruttelde haar vader, "je
heele morgen gaat er mee heen, 't is tijdverlies, je kunt je tijd beter
gebruiken."
Maar ondertusschen ging hij voort in zijn roode handen te blazen, trok
zijn overjas aan en ijsbeerde door de kamer.
"Ik weet niet hoe men een kachel aanmaakt," zuchtte Idée
hulpeloos, "alleen heb ik wel eens gezien dat Baboe eerst er alles
uithaalde."
"Waar heeft ze de kolen geborgen? Ik zal ze halen."
"Ik weet het niet. Zal ik 't haar vragen? - Kan pa geen kachel
aanmaken?"
"Ik deed het nooit. Dat ze ook allebei van den vloer zijn. Die
bl. . . . duizendpoot en dan dat ouwe mensch!"
"Was ik maar niet zoo onhandig," klaagde ldée en keek
wanhopig naar den bak sintels en de kachellade als om hen te vragen
hoe ze 't wilden aanleggen om te gloeien.
"Weet je wat, ga naar Baboe en vraag hoe je het vuur aan moet krijgen."
Idée ging naar boven en kwam met een benauwd, bedroefd gezichtje
terug.
"Nu dan," vroeg de vader, "ben je wijzer?
"Ik geloof dat Baboe heel erg ziek is. Zij praat wartaal, roept
Wongso en Sarina en vraagt om kwee dodól [Indisch gebak.]. Zij
kon mij geen antwoord geven. Ach God! als Baboe eens stierf, wat beginnen
wij dan. Wil Pa geen dokter laten komen?"
[64:]
"Ja, als 't
moet; maar je weet, zulke Javanen zijn dadelijk zoo heel erg ziek en
dan weer beter."
"Ik wou dat u den dokter maar eens haalde en als u thuis komt,
zal ik zorgen dat de kachel brandt en er een kop warme koffie is."
Mijnheer Sonerius had er wel ooren naar; hij voelde grooten lust de
ongezellige boel te ontloopen.
"En dan ga ik bij de besteedster aan of die een meid voor ons heeft.
Want zoo gaat het niet langer. Je verliest veel te veel van je studiën
en . . .
"Ik kan het toch niet helpen, mijn handen staan zoo verkeerd."
Nauwelijks was haar vader heen of Idée ging de kolenbergplaats
zoeken en vond eindelijk onder in een kast wat cokes, een paar vuurmakers
en losse turven in een kist.
Zij nam alles maar in haar rokken en legde het vóór de
kachel neer; nu was de vraag hoe dat aan te krijgen.
Zij legde eerst de kolen in den pot en deed er de vuurmakers en de turf
op, stak ze aan en spoedig brandde een lustig vuurtje totdat - de vuurmakers
verbrand waren, toen werd de kachel weer zoo zwart en doodsch als te
voren.
Zij snikte het haast uit, zoo wanhopend vond zij het - allerlei gedachten
gingen haar door 't hoofd; zij had wel eens gehoord van petroleum of
naphta, die men over de turf goot, over brandende couranten en wat al
niet.
Half huilend begon zij nu water te koken op een der stellen, stak weer
met een lucifer een vuurmaker aan en ging er bij zitten om het vuurtje
aan te blazen toen er gescheld werd.
Verschrikt voer zij in de hoogte - wat was dat nu weer? Een rekening
of negotie, of de groenteman, alles moest zij nu maar weten en bedenken
- geheel alleen!
[65:]
Zij zag er vreeselijk
uit, met haar wangen vuurrood door inspanning en opgewondenheid, bestrooid
met aschvlekken, haar handen zwart van kolen en sintels, haar kleeren
ingroezelig en heur haar heelemaal in de war - niemand zou een studente
vermoeden.
Zij trok de deur met het touw open; een heer duwde ze nog verder aan
en kwam toen den gang in.
"Zou dat de dokter reeds zijn?"
"Meisje, woont hier mijnheer Sonerius?"
"Ja - mijnheer. . ." en toen in plotseling herkennen, "Ludo
Doreveld!"
"Precies geraden, neem mij niet kwalijk Idée, ik had niet
gedacht dat jij het was."
Drie, vier sprongen en hij stond voor haar op het portaaltje.
"'t Is wat vroeg hé, maar ik kom toch wel gelegen. Ik dacht
dat je misschien naar het college moest en daarom kom ik maar dadelijk
op je kast. Onder studenten moet men niet zoo op de puntjes letten,
hé?"
Hij zag haar verbaasd aan en riep uit:
"Maar mijn hemel, wat scheelt je nu? Ben je keukenmeid geworden?"
"Och!" snikte zij, "u komt op zoo'n ongelukkig oogenblik.
Onze kleine meid is weggeloopen en Baboe is ziek. Dat schikt zich wel,
als 't vuur maar aan is wanneer vader thuis komt en ik een kopje koffie
voor hem klaar heb, maar ik zie er geen kans toe."
"Nu, huil maar niet, bewaar je tranen voor beter gelegenheid, b.v.
voor je eerste zakkerij of liever neen, eigenlijk heb je gelijk, dit
is meer 't huilen waard. 'n Mensch moet van alles verstand hebben."
Hij trok zijn overjas uit en wierp ze, daar er geen standaard te zien
was, over het traphekje.
"Permitteer je mij ook mijn jas uit te gooien?"
Zij knikte, niet begrijpend, waar bij heen wou.
De jas ging denzelfden weg, toen ook zijn man
[66:]
chetten, en nu in
zijn hemdsmouwen knielde hij voor de kachel neer.
"Maar lieve kind! Ze zit vol kolen."
"Ja, natuurlijk om aan te maken."
"Heeft Homeros of Saliustius je dat geleerd? Verbeeld je, de eerste
beginselen van het kachelaanmaken kent ze niet."
Hij morrelde met de pook er in en keerde het rooster om, zoodat de kolen
in de lade vielen en ging toen met verbazende handigheid aan het werk
om het vuur aan te maken. Idée stond er bij en keek aandachtig
naar al zijn bewegingen.
Een oogenblik later brandde een vroolijk vlammetje.
"Maar dat gaat weer uit."
"Dat zal je anders zien, juffrouw Eigenwijs! Zie zoo, nu een schepje
er op, niet te veel in ééns en strakjes weer één."
Nu begon zij te lachen.
"'t Is de verkeerde wereld, mijnheer de kachel aanmaken en 't meisje
toekijken."
"Een beeld van de toekomst misschien. Als ik voor niets meer deug,
dan word ik heerenknecht. Nu moeten wij voor de kotrle zorgen. Kan die
hier koken of heb je een andere gelegenheid?"
"Het petroleumstel!"
"Waarom neem je geen gas? Dat is veel zindelijker en minder omslachtig."
"Vader is bang voor gas."
"En niet voor petroleum? Waar is 't stel?"
Zij bracht hem in de keuken; hij keek het stel na, sneed de kousjes
af, maakte het wat schoon en probeerde toen hoe 't brandde.
"Nu, ik moet zeggen die keukenmeid van je heeft verstand van stellen.
Wanneer is 't het laatst schoon gemaakt?"
"Och, die arme Baboe, 't is haar ook zoo vreemd."
[67:]
"Een baboe,
is dat een Javaansch mensch die hier alles reddert?"
Zij knikte van ja.
Terwijl het water kookte, ruimde hij de beide kamers zooveel mogelijk
op, veegde het stof, waar het 't dikste lag, af en begon toen koffie
te zetten.
Idée zag hem bewonderend aan.
"Dat u alles ook zoo kent!"
"Beter dan studeeren. Ik geloof ook dat het voor ons beider geluk
beter zou zijn als het omgekeerd was, ik meisje, jij jongen!"
"Of van beide de helft."
"Dan kwamen er twee normale menschen!"
"Maar u kan goed leeren."
"Hoe weet je dat?"
"Och! Ik geloof het maar zoo, ik kan me niet voorstellen dat u
dom zou zijn. Bij u thuis spraken ze altijd met zoo'n bewondering van
den broer, den student."
"Ja, dat is 't ware, die bluf van familie. Jij hebt geen familie
en dus ook geen bluf; nu zijn ze thuis ingelicht over hun knappen zoon-med.-stud."
"'t Is toch jammer, jammer!"
"Weet je wat jammer is Idée, dat jij zoo jezelf bederft.
Je hebt een lief gezichtje, mooie handjes en kijk nu eens in de spiegel
- o jé, is er geen? - hoe je er uitziet."
Zij liep verlegen weg, een oogenblik later kwam zij terug, schoon gewasschen,
net gekapt, in haar beste blouse en rok, die wel erg zomersch waren,
maar haar toch goed stonden.
Ondertuschen had Ludo de koffiekan en de kopjes zelf uit de kast genomen
en alles zoo netjes mogelijk op tafel geschikt; hij was juist hiermee
klaar, en had zijn jas weer aangetrokken, toen de heer Sonerius terugkeerde.
Zijn gezicht scheen eens zoo lang geworden, toen
[68:]
hij binnenkomend
in de nu reeds aangenaam warme kamer, zijn dochter in gezelschap zag
van een jongmensch, die achter het koffieblad de honneurs waarnam.
"Mijnheer, ik heb de eer niet. . . ."
"Mag ik dan uw herinnering opfrisschen? Ludo Doreveld - weet wel
uit de Kreeft. Ik wou uw dochter een collegiale visite maken en vond
haar een beetje in moeielijkheden - en toen heb ik mij de vrijheid veroorloofd
haar wat te helpen."
Idée had haar vader haar ontmoeting verteld met Ludo en de oude
heer had toen dadelijk een verhandeling gehouden over het verband tusschen
slecht studeeren en minder goed afloopende examens, die Idée
met instemming aanhoorde.
"Wat zegt u van het knechtje, dat uw dochter zich heeft aangeschaft?
Deed hij niet goed zijn werk?"
De heer Sonerius lachte of liever meesmuilde even; maar Ludo vroeg of
hij suiker en melk in zijn koffie beliefde en schonk toen in, terwijl
Idée werkeloos toeziende, hem liet begaan.
't Kopje koffie deed hun echter beiden goed en onder dien indruk verhelderde
het humeur van den vader en bij vertelde dat de dokter dadelijk zou
komen, maar de besteedster kon hem geen meid bezorgen, omdat niemand
komen wilde, zoodra zij 't adres hoorden van Sonerius.
"Er moet toch raad geschaft worden," zeide hij met de handen
in 't haar. "Dat alles niet zoo geregeld toegaat hier in huis is
tot daar aan toe. Spoedig went men er zich aan, maar dat mijn dochter
niet rustig studeeren kan, dit is 't ergste. De bedden moeten nog opgemaakt
en ik zal Baboe een kopje koffie brengen; zij is zoo koud, dat knapt
haar misschien op."
"Koffie zal zij niet believen. Warme citroen-limonade is beter.
Heeft u haar warme kruiken in 't bed gegeven?"
[69:]
"Neen. . .
. moet dat?"
"Dat is 't eerste als zij koortsig is."
"Maar ik heb geen kruiken en hoe moet ik dat doen?"
"Zullen wij even kijken in de keuken?"
't Kijken in de keuken bracht vele ongeregtigheden aan den dag. Baboe
was blijkbaar van 't idee: als men de rommel maar niet ziet en stopte
dus alle kastjes vol met allerlei afval en afgedankte dingen. Een akelige,
duffe lucht kwam uit de open deurtjes. De gootsteen zag er ook even
onfrisch uit. Idée wist van niets de plaats, eindelijk vond Ludo
een paar leege soyakruiken.
"That will do! Nu maar een groote ketel water opgezet en dan zullen
wij verder zien."
Hij keerde naar de huiskamer terug en zei toen tot den ouden heer:
"Ik moet u eigenlijk mijn excuus maken mijnheer Sonerius, dat ik
hier zoo den baas speel in uw buis, maar uw dochter stond zoo radeloos,
dat ik niets anders kon doen dan haar een beetje helpen."
"U is wel vriendelijk en ik - wij apprecieeren het zeer - want
ziet u, mijn dochter is wat exclusief opgevoed. Zij gaat op in haar
studie en daarom heeft zij voor gewone vrouwelijke bezigheden geen tijd.
Een mensch kan geen twee heeren dienen - dat weet u ook wel!"
Ludo voelde den steek.
"Zoo'n oude wijsneus," dacht hij en toen hardop:
"Ja, dat weet ik bij ondervinding, maar ik verzeker u als mijn
succès in de studie niet schitterend is, komt het niet precies
door mijn huishoudelijke bezigheden. Kookt het water reeds? Mag ik als
aanstaande dokter misschien even naar de zieke zien?"
"O ja, heel graag," riep Idée, nog vóór
Papa iets zeggen kon en een oogenblik later gingen zij beiden elk met
een kruik in den arm naar boven, waar de zieke in een afgesloten zolderkamertje
op een matras lag.
[70:]
Ludo voelde haar
pols, luisterde naar haar hoesten, stopte haar warmer in de dekens en
ging hoofdschuddend heen.
"Vindt u haar niet goed?"
"Alles behalve, ik zou zeggen dat het een begin van longontsteking
was. Arm schepsel! in dit vreemde, koude land hoort ze niet."
"En dat deed ze om mij," riep Idée uit. "Zou u
denken dat zij . . . dat zij ging sterven?"
"Als zij niet met zorg verpleegd wordt . .. ."
"O God! dan is 't mijn schuld!"
Zij kwamen beneden en Ludo vertelde nu ook aan den heer Sonerius zijn
bevinding, maar deze luisterde er met een ongeloovig lachje naar, als
wilde hij zeggen:
"Wat weet zoo'n gedropen student er van?" en toen schouderophalend:
"We zullen wachten tot de dokter komt en hooren wat hij zegt."
"Daar boven kan ze niet blijven, 't is een ziekte die zorg eischt."
"En ik kan haar niet helpen," barstte Idée los, "dat
goeie, beste mensch, die van jongs af voor mij heeft gezorgd, die haar
land, haar familie voor mij verliet, ik kan niets voor haar doen. Niets,
ach God! wat ben ik toch een ongelukkig schepsel, geen jongen en geen
meisje, wat zouden Laura en Baudine anders zijn. . ."
En wanhopend wierp zij zich met het hoofd op tafel, terwijl haar tengere
lichaam schokte van de snikken.
"Maar Idée, kind, hoe heb ik 't met je? Schaam je toch!
Wij zullen immers alles doen om Baboe beter te maken, niemand verlangt
het van jou dat je haar oppast.
"'t Is toch mijn werk en ook voor u zorgen en 't u gezellig maken,
dat is mijn plicht."
"Ik heb 't nooit van je verlangd. Je weet, ik ben niet veeleischend,
't ergste vind ik dat je niet studeeren kunt."
[71:]
"Ik haat mijn
studies" riep zij heftig uit, "ik wou dat ik nooit een boek
ingezien had - Bah, misselijk al die geleerdheid!"
Ludo stond een weinig verlegen te kijken naar haar uitbarsting van drift;
hij wist niet wat te doen, 't liefst zou hij stil zijn heengegaan, maar
hij had een goed hart vol medelijden met deze hulpelooze,onbehouwen
menschen.
"Zij is overspannen," zeide de heer Sonerius, "zij meent
het niet. Studie is anders haar leven."
"Die overspanning zal haar storen juist in haar studie," antwoordde
Ludo en trof de juiste snaar. "'t Kan zoo niet voortgaan, u moet
er verandering in brengen, 't huishouden anders regelen. Die oude javaansche
vrouw, al wordt zij ook beter, kan geen hollandsch huishouden besturen.
Dit is gewoon onmogelijk. U gaat er allen onder door."
"Ja, maar wat moet ik beginnen?"
"In pension gaan. . . ."
"O neen, dat nooit, daar wordt piano gespeeld en gepraat en gelachen,
dat geeft mijn dochter te veel afleiding."
"Dan moet u een flinke hollandsche huishoudster nemen, die er voor
zorgt dat u een behagelijk interieur krijgt."
"Maar dat moet een heel vertrouwd persoon zijn en waar vind ik
die?"
"Daar zal wel aan te komen zijn. Kom juffrouw Idée maak
je niet zoo van streek! Alles komt wel goed!"
"Kind, denk je wel om je college?"
"Och vadertje! Laat me thuis blijven. Ik heb toch geen rust, ik
denk alleen aan Baboe."
De aderen op zijn voorhoofd zwollen op; hij kon geen tegenspraak dulden.
"Dat is kinderachtig. Baboe ligt nu warm en straks komt de dokter.
Maak je maar klaar. Dat geeft af
[72:]
leiding. Kom, wees
nu een verstandig meisje en ga langzamerhand heen."
"En uw eten dan?"
"O dat is niets. Er is toch brood in de kast. Ik heb 't zelf aangenomen.
Belief je niets?"
Zij schudde energiek het hoofd.
"Ik heb geen trek. Och vader, mag ik niet thuis blijven?"
"Neen, je moet gaan. Later zou je mij mijn toegevendheid met recht
verwijten."
Zij ging naar de kamer den zakdoek tegen de oogen gedrukt, over haar
heele lichaam trillend van met geweld onderdrukte snikjes.
Ludo voelde dat het huilen hem ook nader stond dan het lachen. Hij had
vreeselijk met het meisje te doen en onwillekeurig vergeleek hij zijn
eigen onbezorgd lichtzinnig leven met het hare. Hij deed alles wat hij
wilde, gaf maar geld uit zonder te vragen hoeveel moeite het zijn vader
kostte het te verdienen, hoevele opofferingen zijn moeder en de andere
kinderen zich moesten opleggen om het evenwicht te bewaren en hij schold
zich zelf voor een flauwe, verweekelijkte lafaard.
"Zij is in geen stemming," waagde hij te zeggen.
"Vraag ik u iets, jong mensch? Me dunkt dat u de laatste moest
zijn om aanmerkingen te maken op de wijze van studeeren, die ik voor
mijn dochter het beste oordeel. Wie vraagt er naar stemming? Ik geloof
dat als de meeste studenten op stemming om te studeeren moesten wachten,
er nooit een aan de studie ging."
"U heeft gelijk mijnheer en 't gaat mij ook niet aan. - Ik heb
de eer u te groeten en... en" 't kwam er met moeite uit, "als
u mij misschien noodig mocht hebben - zoo heeft u hier mijn adres,"
en hij legde een kaartje neer.
"Ik dank u wel voor de verleende hulp," zeide de
[73:]
oude heer erg uit
de hoogte hem de toppen van zijn ijskoude vingers reikend, maar Idée
hoorde hem afscheid nemen en toen kwam zij uit de andere kamer aangeloopen
en gaf hem hartelijk de hand.
"Ik ben u zoo dankbaar mijnheer Doreveld - zoo dankbaar, u is als
een engel in den nood gekomen. Wanneer u er niet geweest was .. ."
"Dan had je 't wel op een andere manier klaar gespeeld, hoor! Zie
je, vrouwelijke bezigheden kan ieder man desnoods doen; maar de studie
dat is 't 'm, dat is het ééne noodige!"
Hij trok zijn overjas aan, zette zijn hoed schuin op het hoofd, riep
langerekt:
"Da . . . a . . . a . . . g!" - en holde de trap af.
"Nu krijgt ze zeker nog een standje voor haar onbehoorlijk gedrag,
die arme meid! Verbeeld je als mijn ouwe-heer - pardon! mijn vader en
mijn hooggeachte moeder, de helft zeiden van wat dit kind moest hooren,
wat zou ik opgevlogen zijn om te betoogen dat ik gelijk had en dat niemand
anders het wist dan ik en ik alleen. - En zij laat den boel, den boel
en gaat nog college loopen. - Nou zulk materiaal moeten de proffen hebben."