VIII.
Een triestige herfstdag,
weinig zon, mistige lucht, nu en dan een miezerig regentje, dat de kale
boomen deed trillen, die al maar door hun bladeren rondstrooiden, zoodat
zij er hoe langer hoe armer begonnen uit te zien, terwijl de straat
wel een tapijt begon te lijken van droeve, dorre bladeren.
Uit het raampje van haar studeerkamer keek Idée Sonerius naar
buiten. Haar bureau-ministre stond tusschen de twee ramen der voorste
suitekamer. 't Was het eenige mooie meubelstuk in het vertrek. Geen
poging was gedaan om het er gezellig te maken; de vele boeken scholen
op eenvoudige wit houten rekken; een Minervabeeld kniesde in een der
hoeken, op den grond lag een goedkoop slecht gelegd zeiltje, op den
schoorsteenmantel tikte een wekker.
Een ordinair petroleumkacheltje scheen pas uitgegaan te zijn, de benauwde
walm hing ten minste in de lucht; 't was er onnatuurlijk warm en duf.
Idée zat te studeeren, zij had een verschoten katoenen peignoir
aan; het haar was nu opgestoken; zij wilde het niet meer in een vlecht
dragen.
[55:]
Zij scheen verdiept
in haar studie, maar eigenlijk wilde het niet gaan, hoe zij ook haar
best deed en telkens zwierven haar blikken naar buiten; onwillekeurig
dacht zij aan het onschuldige pretmaken der jongelui in de Kreeft.
Waar zouden zij nu allen zijn, van dat vroolijke troepje? Die lieve,
sympatbieke Laura, die dolle Maddie, de soms wat spinnige, maar anders
zoo goedige Bau en die jongens Ben, Jaap en . . . haar medestudent Ludo?
Zeker waren zij druk aan 't werk. Zouden zij ook zoo'n moeite hebben
er in te komen als zij?
Och! voor hen was het spelen leeren en het leeren spelen! Zij hadden
nog zooveel anders waarin zij belang stelden, hoe konden zij dat doen?
Zij was altijd maar vervuld van een ding. Vroeger, vóór
dat zij buiten waren geweest, had zij zoo heerlijk kunnen studeeren.
Er was niets saais voor haar bij, de droogste dingen boezemden haar
belang in; 't vorige jaar toen zij begon college te loopen, vooral,
wat was dat alles niet verrukkelijk geweest, wat verlangde zij dan thuis
te komen en alles met vader te bespreken en nu kon het haar niets meer
schelen. Vader moest haar de woorden uit den mond schroeven als ze thuis
kwam en zij wist toch hoe alles wat de Prof gezegd had hem interesseerde.
Zij geeuwde en weer dacht zij aan hetgeen Ludo beweerde:
"Je bederft je jeugd en je leven. De natuur wreekt zich vroeg of
laat."
Ach kom! Wat wist hij er van, die jolige pretmaker! 't Zou ook wel weer
terugkomen die belangstelling, het weer oefende zijn invloed op haar
uit, zij kon niet tegen dat sombere herfstweer, als het eens winter
werd, mooi helder winterweer.
"Dol! schaatsenrijden, - ik hoop maar dat wij na dien mooien echten
zomer weer een ouderwetschen winter krijgen," hoorde zij zeggen,
was 't door Laura,
[56:]
Bau of Mad? 't
Deed er niet toe, zij waren dol op schaatsenrijden als op fietsen en
tennissen en zij gaf er niets om, zij was niet jaloersch, neen volstrekt
niet. Zij had zoo veel vóor, ja zeker, en weer wendde zij de
oogen af van de glasruit en wierp ze in de boeken.
De dubbele deur werd zachtjes opengeschoven en Baboe kwam binnen, een
oud - tenminste oud uitziend - verschrompeld vrouwtje in veel te wijde
hollandsche kleeren, die tamelijk vettig leken. Zij droeg een kopje
koffie in de hand.
"Nah! Sini Koppie! [Verkorting van nona. Hier is de koffie juffrouw.]
"Dank je baboe!" zei Idée blijde voor de afwisseling
hoe gering ook, zooals allen, die niet bij hun werk zijn. Zij dronk
de koffie, die werkelijk goed was, bij kleine teugjes en Baboe begon
in half Hollandsch en half Maleisch te vertellen van de ongerechtigheden
van haar kleine hulp, die geregeld om de 14 dagen verwisselde, want
in dit wonderlijke huishouden deden Vader en Baboe eigenlijk alles.
Idée mocht zich met niets bemoeien; de kleine meid deed boodschappen,
trok de deur open, kocht groenten en vruchten op bevel van mijnheer,
die alles bestierde en beredderde en het maar zoo eenvoudig en weinig
samengesteld mogelijk inrichtte.
Hij gaf toch niet om eten beweerde hij en Idée ook niet. Baboe
kookte rijst, maakte wat sambal en was den koning te rijk als zij er
wat gedroogde visch bij kon eten. Vader en dochter waren groote voorstanders
van het vegetarisme of liever van de natuurlevenswijze en bepaalden
zich tot brood, rijst en vruchten; op raad van den dokter, die Idée
had behandeld voor een snee in de hand, dronk zij er wat melk bij en
at eieren - hoewel met tegenzin.
Toch kon zij soms met trek denken aan de lekkere
[57:]
middagtafel in
de Kreeft en aan de smakelijke schoteltjes bij de lunch. Ook Papa had
er toen met smaak van gegeten, hoewel hij anders steeds beweerde dat
hij om zijn gezondheid niets dan brood en vruchten at; het dieet in
het hotel had hun kwaad gedaan, meende hij.
Half verstrooid luisterde Idée naar de ondeugende streken van
Betje, die Baboe niet verstond en haar telkens uitlachte; het goeie
mensch huilde half en rilde telkens onder haar veel te dunne kleeren.
"Ja Baboe, ik kan er niets aan doen. Je moet dat Pa vragen,"
zuchtte Idée, "ik heb andere dingen aan 't hoofd."
Dat wist Baboe wel, haar Nona was heel anders dan andere Nona's, en
daarom had zij haar niet kunnen verlaten, want niemand kon voor Idée
zorgen als Baboe, maar dat het zorgen zoo moeilijk viel in dit koude,
akelige land, had zij niet kunnen denken.
Den vorigen winter waren zij in pension geweest bij een Indische dame,
die Baboe goed aan het werk zette, maar toen had zij ten minste geen
zorgen en verantwoordelijkheid gehad. In 't voorjaar was echter het
pension failliet gegaan en toen had Toewan besloten een eigen huisbouden
op te zetten, dat nu tamelijk wel in 't honderd begon te loopen. Baboe
voelde zich ouder en zwakker worden. Zij was nog geen vijftig, maar
zag er uit of zij over de zeventig moest zijn en zij had het altijd
koud en verlangde naar haar kinderen ver in de Molukken, maar Nona mocht
zij niet verlaten, haar kinderen zouden zich wel redden, maar Nona niet,
in dit land, dat haar even vreemd was.
De deur beneden werd open gesloten.
"Daar is Pa," zeide Idée.
Baboe schuifelde op haar veel te groote vilten pantoffels spoedig weg.
Toewan was onverbiddelijk als het gold zijn dochter in haar studiën
te storen.
Idée begroef zich weer in haar grieksche grammaire
[58:]
en keek alleen
even op toen haar vader binnenkwam om te zeggen:
"Dag Vadertje!"
"Hoe is 't kind? Om hoe laat moet je naar 't college?"
"Om twee uur."
"Zoo,'t is nu halfeen! Wij moeten eten. Waar is Baboe - heeft zij
de boel nog niet klaar? Ik heb wat tomaten meegebracht, die zijn zoo
lekker op het brood met een beetje zout en peper."
"Die hadden zij in de Kreeft ook gefarceerd en in de jus van het
vleesch."
Bij die herinnering kwam het water haar aan de lippen; zij voelde zich
zoo flauw en wee.
"Ja, daar aten zij zoo onhygienisch mogelijk." Idée
zweeg.
"Vond je ook niet?"
"Jawel Pa!"
Hij hoorde haar stem zonder eenige geestdrift dit antwoord geven; hij
zag haar half bezorgd, half boos aan.
"Mankeert je wat?"
"O neen niets, waarom dan?"
"Je kijkt zoo sip. Je bent de oude niet meer: ik denk dat die ellendige
kost van de Kreeft je kwaad heeft gedaan. Je bent heel veranderd. Ik
voel mij tegenwoordig zoo frisch nu ik weer mijn gewoon regiem volg,
maar bij jou werkt het anders nog na."
"Ja dat denk ik ook!" zij sloeg haar boeken dicht.
"Schei je er nu al mee uit."
"Och ja! 't geeft toch niets meer, ik moet mij kleeden en als wij
nog eten."
"Daar gaat geen anderhalf uur mee heen.
Idée ging naar boven, in haar kamertje, waarin niets stond dan
haar bed, waschtafeltje en kleerkast.
Zij begon zich te kappen en terwijl zij in het slechte spiegeltje keek,
viel 't haar op hoe zij er moe uitzag, bleek en vervallen.
[59:]
"Hongerig!"
dacht zij, "misschien heb ik ook honger, den vorigen winter hadden
wij ten minste behoorlijk, gewoon eten, maar als vader er mee tevreden
is, voor mij is 't de moeite niet. Baboe kan er toch niet mee terecht,
de stumper, en wat zegt 't spreekwoord ook: Plenus venter, non studet
libenter. [Volle maag studeert niet graag.] Ja, dat is ook zoo! Kom,
ik moet mij tegen die loomheid verzetten."
Zij kwam beneden in een reformjapon, die zij klaar en al gekocht had
en die haar slecht paste, maar zij leek er toch langer mede.
"Het kuiken" hadden de studenten haar het vorige jaar genoemd;
nu viel zij ten minste niet meer zoo op door haar kinderachtig voorkomen.
De huiskamer zag er ook al niet gezelliger uit met haar vitragegordijnen,
weener stoelen en ronde tafel; zij kwam uit op een kleine serre, waarin
Baboe meestal zat te naaien en te stoppen. Vlak er achter zag men de
woningen der buren door de smalle tuintjes van elkaar gescheiden. Baboe
had om het onbescheidene gluren te voorkomen, er hier en daar sarongs
voor gehangen, hetgeen aan den overkant den lachen spotlust over dat
malle indische huishouden niet weinig vermeerderde.
Baboe zette op tafel een beugelflesch met melk neer, een stuk roggebrood,
de tomaten en andere vruchten, een geklopt ei in een glas; er lag een
wit zeil op tafel, dat bleef er maar altijd op, bij wijze van laken.
De heer Sonerius stond in de voorkamer, verdiept in een dictatea-cahier
van Idée.
"Zeg kind!" zeide hij toen zij binnenkwam, "je hebt hier
een leelijke fout gemaakt. Ik weet niet, misschien vergis ik mij, maar
me dunkt jou werk is niet meer zoo af, zoo gaaf als vroeger. Er zit
geen sentiment in."
[60:]
Zij keek hem bedroefd
aan, toen begonnen haar lippen te trillen en de oogen glinsterend te
worden van tranen.
"Ik kan het niet helpen," snikte zij. "Beknort u mij
maar."
Verschrikt wierp vader het cahier neer, trok haar naar zich toe en sprak
liefkoozend:
"Maar Idée, hoe heb ik 't nu met je? Word je kinderachtig,
mijn dapper, geleerd meisje? Ik beknor je niet, ik zeg maar alleen,
het komt mij voor dat je niet opgewekt bent, dat je . . . dat je --
Zeg kan je misschien niet meekomen."
"O ja, best! Ach, 't is niets! 't Zal het weer zijn," en zij
wreef nijdig haar oogen af.
Gek, zij kreeg dat tegenwoordig telkens, zoo'n trek om eens flink uit
te huilen, maar zij wilde er niet aan toegeven. Zij was geen klein meisje
meer, reeds zeventien, stel je vóór en dan zonder te weten
waarom, te grienen.
Zij liet zich de fout aanwijzen, redeneerde er over met haar vader,
verbeterde ze en toen ze opkeken, was het hoog tijd te lunchen en heen
te gaan.
"Brengt u mij weg?" vroeg zij nadat zij haar matelot op de
dikke lokken had geprikt en haar grijsgelen langen mantel had aangetrokken.
"Neen, ik heb brieven te schrijven en ik moet die kleine meid onder
handen nemen. Zij blijft een uur uit voor een boodschap."
Zonder veel opgewektheid ging ldée met haar boeken en haar cahiers
onder den arm langs de straten.
Zij kwam voorbij een groot mode-magazijn en onwillekeurig bleef zij
staan: wat stond dat toch aardig zoo'n tailor-made-costuum van donker
blauw met amandelgroen opgemaakt laken, of dat bruine met de vergulde
knoopen! Hoe zou haar zoo iets staan? Zondag had zij een medica gezien,
keurig gekleed met grooten hoed vol veeren en in fijn grijs wandeltoilet.
[61:]
Die had zeker een
moeder, die voor haar zorgde haar kleedde en kapte, zij kon niet aan
twee dingen tegelijk denken, haar studie en haar toilet. Zij dacht er
sterk over haar lange haren af te knippen, wat zou dat makkelijk zijn
en dan drukte de wrong zoo niet op de bersens.
Zij liep door te soezen.
"Hé, juffrouw Sonerius!"
Zij schrikte en keek om.
"Lu. . " mijnheer Doreveld!"
Hij zag er wat vermoeid uit, in zijn oogen vond zij iets vreemds; hij
had een ander student bij zich, die echter wat op zij bleef staan.
"U hier!"
"Ja, ik ben voor de variatie eens weer gestraald."
"Och heer!"
Zij keek hem met zoo'n uitdrukking van schrik aan, dat hij onwillekeurig
lachen moest.
"Vind je 't zoo erg, Idée?"
"Ja heel - heel erg!"
"Ik vind het ook beroerd, ellendig, vooral om de oude lui. - Mijn
arme vader had er vást op gerekend; mijn moeder zal zulke benauwde
gezichten trekken en met het hoofd scbudden alsof zij zeggen wou: Goddank!
dat het geen zoon van mij overkomt."
En hij deed haar na, maar Idée nam het niet lachend op, zooals
hij blijkbaar wenschte. Integendeel zij keek hoog ernstig.
"Ben je er boos om?"
"Neen, verdrietig," antwoordde zij, "maar neemt u mij
niet kwalijk. Ik moet naar 't college. Gaat u naar huis terug?"
"Ja. . . dat wil zeggen, als ik er over heen ben, als ik mij getroost
heb."
Idée wierp een schuinen blik op zijn kameraad, die er tamelijk
ongunstig uitzag en zei niets dan:
"U moet u daar laten troosten, niet hier!"
[62:]
Hij haalde de schouders
op.
"Mag ik bij je komen Idée, wat troost halen en misschien
moed?"
"Ik begrijp niet. . ."
"Waar woon je?"
Idée gaf haar adres op; hij groette en zocht zijn vriend weer
op; zij ging naar 't college, maar herinnerde zich niet ooit zoo verstrooid
te zijn geweest.
"Die arme Dokter en Baudine, wat zullen zij verdrietig zijn. Hoe
is 't mogelijk dat hij gestraald is, maar eigenlijk geen wonder, hij
heeft onder de vacantie niets gestudeerd en mij wou hij er ook afhouden,
Vadertje had gelijk als altijd."