X.
Dien avond ging
Ludo naar huis; hij werd zooals hij dacht, met lange gezichten en ernstige
woorden ontvangen.
't Deed hem bepaald leed om zijn vader, die er moe en kommervol uitzag
en onder het eten weer uitgehaald werd, maar zijn stiefmoeder prikkelde
hem altijd met haar gezicht van huilenden engel. Zij sprak geen woord
doch keek telkens medelijdend naar haar kinderen alsof zij zeggen wilde:
[74:]
"Arme schapen!
Wat komen jullie te kort omdat jelui oudste broer het geld zoo weggooit."
Maar hoe hij zich ook inwendig ergerde, hij hield zich goed. Anders
had hij altijd bij de minste toespeling op zijn veel pret maken en weinig
studeeren een scherp antwoord klaar en redeneerde dan zoo ratelend dat
niemand er een woordje tusschen kon zeggen en ieder dus 't er maar voor
houden moest dat hij 't toonbeeld was van alle zonen en broers, maar
nu sprak hij niets tegen, scheen niets te hooren van hetgeen er gezegd
werd en toen zijn vader bij een zieke geroepen, ondanks de koude, het
warme vertrek moest verlaten, ging hij een eind met hem mede.
"Vader," zeide hij, en 't kostte zijn trotsche borst moeite
de woorden te zeggen; - "'t spijt me vreeselijk dat het zoo geloopen
is."
"Ja jongen, mij nog meer, ik had er zoo zeker op gerekend, dat
het nu eindelijk gaan zou."
"Ik niet!" bekende hij oprecht en zijn vader hoorde verwonderd
voor 't eerst die oprechte bekentenis, - "ik had 't moeten verwachten,
want ik heb mijn tijd schandelijk verkwist . . ."
"En je wist toch hoeveel er voor mij aan gelegen is, dat je gauw
klaar komt."
"Ja vader, maar ik ben een ellendige zwakkeling. U moet maar weer
geduld met mij hebben, ik heb nu vast besloten 't anders op te nemen."
"Hoe dikwijls heb je dat besloten?"
"Nog nooit zoo vast als nu en daarom vraag ik u of ik voortaan
in. Utrecht mag studeeren. In Amsterdam komt er niets van. Ik ben daar
omringd door mijn vrienden en heb te veel afleiding, nu zal ik 't heel
anders beginnen."
"Ik zal er over denken, ik was straks reeds van plan je de studie
te laten opgeven en iets anders voor je te zoeken."
[75:]
"O neen, neen!
Ik beloof u dat ik heel anders zal gaan doen in alle opzichten."
"Nu dan, ik zal er over nadenken."
Ludo had geen lust naar huis terug te keeren, want als iets hem van
zijn goede voornemens kon afbrengen, beweerde hij, was het 't zuinige
gezicht van zijn moeder. Eigenlijk was het zijn eigen kwaad geweten
dat hij op het gelaat der overigens zoo goede en zorgzame vrouw ontdekte.
Nergens las hij zoo duidelijk in de bladen van zijn geestelijk rekenboek
dan daarop en dat was de reden, waarom 't hem zoo ergerde.
Hij ging naar 't eenvoudige huisje van zijn tante, juffrouw Kleiberg,
die in den laatsten tijd erg sukkelend was en werd in de huiskamer gelaten.
Hier, anders keurig netjes, zag het er nu tamelijk ongeredderd uit alsof
't schoonmaak was.
Zijn nichtje Josephine was bezig met het afnemen en afstoffen der schilderijen.
"He," riep hij, "wat gebeurt hier? Schoonmaak in 't begin
van den winter."
"Weet je het dan niet," vroeg Jo, "heb je het zoo druk
gehad met je examen?"
"Hm ja, je hoeft mij nu geen hatelijkheden meer te zeggen, ik heb
er genoeg over gehoord, vertel me liever wat ik weten moest."
"Ik begrijp niet dat Oom of Tante het jou niet verteld of geschreven
hebben dat er zoo'n verandering met ons op til is of je hebt het zeker
vergeten."
"Wat denk je dan? Ik stel zoo veel belangstelling in jullie, dat
ik zoo iets belangrijks niet zou vergeten hebben als ik er van gehoord
had."
"Belangstelling van jongelui."
"Houd je steken voor je en zeg maar wat er op til is."
"Tante wordt hoe langer, hoe meer hulpbehoevend en nu heeft ze
besloten naar een Damesgesticht te
[76:]
gaan, waar zij
meteen verpleging vindt en minder zal behoeven te betalen dan hier in
eigen huishouden met ons tweeën."
"Gebeurt het al spoedig?"
"Met 1 November."
"En waar blijf jij dan?
Zij zuchtte diep.
"Waar arme meisjes zonder diploma of zonder artistieke opleiding
blijven, ik zoek een betrekking en in afwachting daarvan ga ik logeeren
bij familie - koffertjesleven, je weet wel. Zoodra ze mij moe zijn,
pak ik mijn koffer weer en ga een ander verheugen met mijn komst en
mijn koffer."
"Maar dat is heel ongelukkig!"
"Ja, en neen! Toen ik jong was, heb ik. mij niet hoeven in te spannen
met leeren, wat ik toch niet kon, ik heb geen examen-ellende doorleefd.
. ."
"Gelukkig mensch!"
"Maar nu is 't achterop, nu kan ik mij voor niets uitgeven dan
voor kinderjuffrouw, huishoudster of. . ."
"Huishoudster. . ."
"Nu ja, wat zou dat?"
"Dan heb ik misschien iets voor jou?"
"Jij een betrekking voor mij hebben?"
"En een heele goeie ook. Bij een weduwnaar. . ."
"Dat had ik liever niet, maar ik mag niet kieskeurig zijn, 't ergste
van alles is dat eeuwig logeeren."
"Ik vat het wel, dat is niets voor jou, zoo'n existentie."
"Neen, ik werk en zorg graag. Nu wie is 't dan en hoe kom je er
aan?"
"Je kent hem wel. Van den zomer heeft hij met zijn dochter gelogeerd
in de Kreeft.
"Toch niet dat studentje met 'r vader. Hoe heeten ze ook? Zulke
wonderlijke namen!"
"Juist, Sonerius!"
"Zoekt die een huishoudster, een juffrouw?"
[77:]
"Ik heb 't
hem ten minste duidelijk gemaakt dat hij er een moest zoeken."
En toen vertelde hij, welken rol van engel in den nood hij gespeeld
had bij Idée en haar vader.
Josephine lachte hartelijk.
"Neen maar! zoo'n boeltje te redderen is ook niet alles, hoor!"
"Als ik 't toch kon! Ze zijn beiden aardsdom in de gewoonste dingen.
Werkelijk, je doet er hun een weldaad mee en jij zult het er goed hebben,
als je zorgt dat het er gezellig wordt."
"Maar hij maakte op mij den indruk van vreeselijk eigenwijs te
zijn."
"Tante was toch ook eigenwijs en die heb je wel klein gekregen."
"Kom, dat denk je maar. Ik heb meer van Tante geleerd dan zij van
mij!"
"Nou, die kennis hoeft niet zoo heel groot te zijn, want 't is
me daar een primitief huishouden, zoo iets zigeunerachtigs weet je;
dus met hoogere huishoudkunde hoef je daar niet aan te komen."
"Als ik er maar geschikt voor ben! Misschien ben ik nog wel te
precies. . ."
"Ja, als je alle sleutels nog gaat schuren en de vensters behangt
met vijf lappen en het tapijt bedekt met allerlei kleedjes, maar je
moet denken, daar zie je resultaten als je wat uitvoert en hier was
't altijd maar schooner maken dan schoon."
"En nu, ach! wat is 't nu een boeltje! Hebben wij daarvoor zoo
gewerkt en gestoft om alles nu over te moeten laten aan anderen."
En er kwamen tranen in Josephine's oogen.
"Laat je groote talenten ten goede komen aan dat armoedige - want
al hadden zij geld genoeg, ik noem het een armoedig - huishouden en
je doet er bepaald een goed werk mee."
"'t Is de vraag of zij mij hebben willen; als die
[78:]
Baboe weer opknapt,
dan ga ik er niet heen. Daar kan ik niet tegen in werken."
"Nu, zoodra ik in Utrecht kom, ga ik er naar toe en zal ik zien
hoe de zaken staan. . ."
"En of ze mij hebben willen."
"Natuurlijk, maar daar twijfel ik niet aan."
"Op de recommandatie van den reddenden engel - dat zou ik denken.
- Ik zal je maar niet lang aanhouden, Tante slaapt en ik heb 't verbazend
druk en ongezellig is 't hier ook."
"Ja, ik heb het er wel eens gezelliger gezien. Bonsoir! Je hoort
wel van mij, Jos!"
"Toch wel een goede jongen die Ludo," dacht Josephine, terwijl
zij de glazen uit de kast nam, zorgvuldig afveegde en in papieren pakte,
"nu ja, dat of ergens anders. 't Komt er niet op aan; onder vreemden
zal toch voortaan mijn plaats zijn, dan is 't nog maar beter geen genadebrood
te eten."