VII.
Men had Idée
dadelijk gemist en haar gezocht, maar zij was nergens te vinden en toen
het troepje recht voldaan over den mooien middag in het hôtel
terugkwam, hoorden zij van den kellner dat mijnheer en juffrouw Sonerius
reeds sinds lang gegeten hadden en naar hun kamers waren gegaan.
"Wat scheelt haar toch? Hebben wij haar geen eer genoeg gedaan,"
vroegen de meisjes elkander af.
"Wij kunnen het toch niet helpen dat zij niet dansen kan."
"Nu," zei Ben, "ik zat naast haar aan tafel, ik bedoel
op het gras, onder het eten en ze zei geen stom woord. Zoo'n buurdame
kan je houden, al is ze duizendmaal zoo geleerd als Anna Maria Schürmann."
[49:]
"Maar ze eet
toch geen spinnekoppen."
"Heel veel anders ook niet. 't Is me een saai type."
De verwondering steeg echter ten top, toen het den volgenden morgen
verluidde dat vader en dochter reeds daags daarna zouden vertrekken;
zij hadden gerekend nog een week te blijven, maar wegens dringende zaken,
had mijnheer gezegd, moesten zij dadelijk heengaan.
"Ludo!" riep Maddie hem toe, zoodra zij weer elkander waren,
"je verliest je weddingschap. Idée vlucht ons vóór
dat zij heelemaal bekeerd is."
"Wat, gaat ze weg? Is er iets gebeurd? Heeft iemand haar iets onaangenaams
gezegd of aangedaan?"
"Neen niemand, of jij moest het zijn," lachte Baudin, "door
jou onverschilligheid. "Je had het te druk met Adèle en
keek niet naar haar om. Jij bent de eenige hier, die met haar gelijk
staat; wij zijn zoover beneden haar, de WelEdelGeboren Juffrouw Student."
"Foei, wat ben je weer lief!" zei Jaap, en Lu keek voor zijn
doen heel ernstig.
"Dan heb ik mijn eigen glazen ingeslagen; nijdigaards zeggen gewoonlijk
de waarheid."
"Ik nijdig?"
"Kom Bau! Laten wij de weinige dagen dat wij samen zijn, niet bederven
met kibbelen," en Lau troonde haar vriendin mee den tuin in.
Ludo stak zijn sigaar op en slenterde op en neer langs de veranda; de
heer Sonerius zat geheel alle alleen voor zijn tafeltje te schrijven,
en toen Ludo even aan zijn sportpetje trok bij wijze van groet, deed
hij of hij het niet zag.
"Waar zou zij zitten," dacht Ludo. "Ze hebben toch reeds
ontbeten, zou zij aan 't pakken zijn?"
Hij liep nu maar eens het bosch in; 't was nu volle zomer, einde Augustus,
maar toch verrieden zekere roesttinten aan de boomen en iets vochtigs
in de morgenatmosfeer reeds het naderen van den herfst.
[50:]
Terwijl hij over
de dorre bladeren ging, versperden hem telkens zilveren draden den weg;
onwillekeurig drentelde hij naar den vijver, en zag reeds in de verte
op de steenen bank een grijs figuurtje zitten met een hoop boeken naast
haar, maar ldée las niet.
Met het hoofd steunende in de handen keek zij voor zich uit naar een
mooie goudesch, in de schuine zonnestralen glinsterend als een gulden
boom en glanzend afstekend tegen den donkergroenen achtergrond van het
bosch.
"Idée," riep hij.
Zij schrikte op en hij kreeg een behuild gezichtje te zien toen zij
onbedacht het hoofd omkeerde.
Verward en verlegen wischte zij zich de oogen af.
Hij deed of hij 't niet zag en ging tegenover haar in het gras zitten.
"Wat was je gister gauw verdwenen," zei hij.
"'t Verkoopen was toch gedaan," antwoordde zij dof.
"Nu ja, de plicht was afgeloopen, maar het plezier begon - en wij
hebben plezier gehad, dat verzeker ik je."
"Voor mij is dat geen plezier."
"Kom, Amice! Dat meen je niet! Waarom zou dat geen plezier voor
je zijn? Omdat je student bent. Ik ben 't toch ook en. . . . en . .
. . "
"Ja, u zoekt niets dan plezier, dat weet ik wel."
"Bon! Nu praat u van u en u geeft mij een standje."
"Ik maak u geen standje. Ieder moet weten wat hij doet."
"En nu gaat u weer naar Utrecht en u begint heel druk te vossen."
"Ja, de boeken zijn de beste vrienden."
"Die bedriegen niet! Zoo heet het ten minste."
"Ondertusschen kunnen ze ons pyramidaal vervelen en onzen besten
tijd bederven."
"Daar is bij u geen gevaar voor!"
[51:]
"Jongen, jongen!
Ze kan scherp zijn ook," dacht Ludo en toen hardop: "U heeft
gelijk. Ik verkwist mijn tijd en het geld van mijn vader! Zoodra de
familie vertrokken is, sluit ik mij op, laat de gordijnen zakken om
door het grootsteedsche leven van ons nest niet gestoord te worden en
ga mij verdiepen in mijn werk, dat heeft uw voorbeeld mij geleerd!"
"Och kom!"
"Gelooft u 't niet? Ik verzeker 't u. Wat zoo'n zwak meisje als
u kan, moet zoo'n kerel als ik toch ook wel kunnen. Ik wil mijn examen
doen, nog vóór dat u 't doet."
"Werkelijk?"
Zij keek iets vriendelijker.
"Ja zeker! U maakt mij verlegen. Bij mij is het noodzakelijk dat
ik spoedig klaar kom. Mijn vader, die zoo sterk niet meer is, wacht
er op om mij zijn praktijk over te doen; ik moet in den kortst mogelijken
tijd dokter zijn en ik ben reeds meer dan een jaar ten achter, en u
- eenig kind, meisje bovendien, offert alles op aan uw vak."
"O ik. . . ."
" U doet het uit liefhebberij of. . . ."
"Nu of. . . ."
"Uit kinderliefde, een van tweeën en beide motieven zijn even
achtenswaardig en navolgenswaardig, zoo als ik u hoop te toonen."
Idée liet het hoofdje diep hangen en zeide toen halfluid:
"Ik weet niet of uw opinie van mij niet veel te goed is - want
- ik weet zelf niet, waarom ik zoo ernstig werk."
"En niets anders wil dan werken, hoor eens Idée, laat mij
je een collegialen raad geven. Ik neem jou raad zoo goed op, dat ik
op mijn beurt ook wat levenswijsheid aan je brengen mag. Werken is zalig,
maar door altijd te werken bederft men zich zelf en
[52:]
vergeet men mensch
te zijn. En dat is toch het voornaamste. Anders komen wij de wereld
toch niet door.- Je moet uitspanning nemen; nu hoef je niet zooals ik
en de meeste lieve jongens, die de studenten zijn, het werk in een hoek
te duwen en alleen voor de pret te leven, maar een beetje moet je gunnen
aan de jeugd. Vooral in de vacantie is 't plicht zich te ontspannen
zooals in den werktijd om te studeeren en jij schijnt gewetenswroeging
te voelen over elk aasje plezier dat jij je gunt."
"Neen," antwoordde zij benepen, "dat is 't toch niet."
"Is 't dan omdat je vader het niet goed vindt?"
"Ik heb altijd geleerd: wat vader niet goed vindt, dat is ook niet
goed - maar toch! Vader houdt zooveel van mij, hij zou mij stellig wel
plezier gunnen, als hij overtuigd was dat het werkelijk plezier voor
mij zou zijn."
En is 't dat niet?"
Zij schudde het hoofd met een bedroefd, hulpeloos gezichtje, dat pijn
deed om te zien.
"Soms dacht ik van wel, maar gisteren heb ik 't zoo duidelijk gevoeld,
dat is het niet; ik vond het niets prettig. Ik moest mij dwingen tot
belangstelling in het plezier van de anderen - ik vond het inspannender
dan de droogste studie."
"Dus je bent dankbaar dat je weer naar hartelust door kunt studeeren,
zonder door zulke flauwe pretmakerijen gestoord te worden?"
Tranen sprongen haar in de oogen.
"Neen, ook niet! Ik kan met angst terugdenken aan die lange winteravonden
alleen tusschen de boeken. Ik zal altijd het lachen en joedelen hooren
van Laura en Maddie en Bau, ik zal ze altijd voor mij zien met hun vroolijke
gezichten en hun vlugge bewegingen en - misschien zal ik spijt hebben,
dat ik zoo niet kan zijn als zij."
"Maar Idée, huil je daar nu om?"
[53:]
Zij knikte van
ja en beet op haar zakdoek om niet weer in luid snikken uit te barsten.
Nu was Ludo ook ernstig geworden, ernstiger zeker dan hij het in lang
was geweest; hij had diep medelijden met het meisje dat zich zelf niet
begreep en door hare onnatuurlijke opvoeding zich ongelukkig voelde.
"Je moest de wei in, heelemaal de wei in," was alles wat hij
kon zeggen, toen sprong hij op.
"Wat ben ik toch hlij dat ik zoo'n tobber niet ben. Je moet dan
maar zien dat jij het de baas wordt. 't Zal wel gaan, al kost het soms
moeite en pijn. Geef me een hand! Ik zal mijn best doen te studeeren
en jij moet je best doen te leeren leven, en dan - dan pas zal je profiteeren
van je studie. Ik wist wel wat ik deed als ik je vader was en het zeggen
mocht."
"Nu wat dan?"
"Ik zond je naar een vroolijke, gezellige huishoudschool of liever,
ik deed je in den kost in een prettig huishouden als de Van Wegels bijvoorbeeld.
Ik zou je verbieden drie jaar lang een boek in te zien en in al dien
tijd moest je leeren een echt meisje te worden."
"Ben ik 't niet?"
"Neen, je bent alles half. Ik zou je laten koken en kousen stoppen
en kopjes wasschen, en meubels afstoffen - of kan je dat niet?"
"Neen," antwoordde zij beschaamd.
"En als je dat alles goed kende, mocht je Cicero lezen en Plato
genieten bij wijze van uitspanning."
Zij lachte door haar tranen heen.
"Je zult een goede dokter worden."
"Maar ik heb niets over je te zeggen. Mijn advies wordt niet gevraagd.
Als ik je niet meer zie, dan ga het je goed! Dag!"
Hij schudde haar hartelijk de hand en ging heen naar het tennisveld,
waar de anderen druk aan 't spelen waren.
[54:]
"Ik heb mijn weddingschap verloren," bekende hij oprecht, "er is met Idée niets aan te vangen. Als ze weg zijn, ga ik tracteeren. Let goed op, 't is de eerste, maar zeker ook de laatste keer. Kom jongens! Nu eens een vroolijk stukje gezongen!" en allen hieven aan:
Lang zal hij leven in gloria!
Langzaam ging Idée met haar boeken onder den arm het huis binnen, terwijl de anderen om Ludo dansen en uit volle borst zongen.