VI.
Wie een dag of tien
later in de Kreeft kwam, zou verwonderd hebben opgezien, zoo groot was
de verandering onder de logé's.
Ludo was zeker op weg zijn weddingschap te winnen; hij had het zoo ver
gebracht dat hij Idée fiets leerde rijden. Zij kon onder zijn
leiding reeds aardig meedoen met tennis-spelen en alleen in de morgenuren
zag men haar nog studeeren met haar vader.
Dikwijls genoeg bij heel mooi zonnig weer nam zij
[41:]
haar grieksche
en latijnsche boeken mee naar het bosch, maar toevallig kwam het jolige
troepje dien kant uit en dan duurde het niet lang of Idée was
in hun midden en al deed zij zóó luidruchtig niet als
de anderen en al kostte het haar vooral in 't begin moeite met hen mee
te dollen, langzamerhand kwam zij er meer in, de boeken werden niet
geopend, men deed allerlei spelletjes en als zij in de Kreeft terugkwamen,
bekende Idée zich met zekere schaamte dat zij niets gevorderd
was in haar studiën.
De heer Sonerius zag het met leede oogen aan dat zijn dochter zich zoo
emancipeerde; in het begin had hij alles gedaan om haar bij haar boeken
te houden, maar de dames Van Geel traden hem met allerlei vriendelijkheden
tegemoet wanneer hij buiten kwam, en zijn dochter miste. Zij vertroetelden
hem met een kopje fijne chineesche thee en deden hem allerlei vragen
over indische toestanden en menschen, vertelden van hun familieleden,
die jaren geleden naar de Oost waren vertrokken, en luisterden met eerbied
naar al zijn uitspraken of het orakels waren en in dien tusschenttjd
ontsnapte Idée of bleef verdwenen.
Zonder dus iets van de weddingschap te weten, hielpen de freules Ludo,
voor wien zij toch veel sympathie koesterden daar hij ze - hoe hard
hij ze ook achter hun rug uitlachte - steeds met overdreven beleefdheid
behandelde want, verzekerde hij, niets boezemde hem zoo veel eerbied
in als een adellijke naam, juist omdat hij er zoo'n plebeische op na
hield.
Verder had Dr. Doreveld, die bij den heer Sonerius om zijn ongesteldheid
practiseerde, hem gewaarschuwd dat Idée een beetje armbloedig
en daarbij in hooge mate nerveus was, zoodat zij zeker niet te veel
zich moest inspannen en hoewel hij dit hollandsche kunsten noemde, was
hij veel te bang voor een ongunstigen uitslag van haar examen en zag
dus een beetje door de vingers als zij zich met de jongelui amuseerde.
[42:]
Ludo lachte in
zijn vuistje; hij scheen onvermoeid in het bedenken van allerlei aardigheden
en prettige uitstapjes; zoo verzon hij nu een gecostumeerd pic-nic in
de duinen, die wat verder van het dorpje lagen en door een mooien boschrijken
weg te bereiken waren.
Het moest een zigeunerkamp voorstellen en daar er juist een gezin door
brand geheel geruïneerd was, werd het plan uitgebreid en besloten
er een fancy fair aan te verbinden ten gunste van die menschen.
Het plan vond bijval ook in het dorp en nu zouden zelfs andere notabelen
er aan deelnemen.
"Doe je mee?" vroegen de meisjes aan Idée.
Zij kreeg een kleur en wist niet wat te antwoorden.
"Als - als - vader... ik bedoel als ik ten minste. . ."
Reeds lang hadden de anderen opgemerkt dat Idée 't altijd wilde
doen voorkomen of zij zich terugtrok en hard studeerde omdat zij zelf
het verkoos en niet alleen ten wille van haar vader.
"Als - als - asch is gebrand hout, de quaestie is, heb je er plezier
in? Of kijk je er op neer uit de hoogte, als op iets, wat wel voor zulke
jonge, onnoozele bakvisschen te pas komt maar niet voor een geleerde
studente als jij?"
"O neen, neen, dat weet jelui wel. Ik zou het heel leuk vinden,
maar. . ."
"Maar 't kost zoo'n tijd en je raakt zoo heelemaal uit je studie."
"Gek toch," lachte Baudine, "dat jongens, ik bedoel heeren-studenten
nooit bang zijn uit hun studies te komen, integendeel! Hoe meer zij
er uit zijn hoe liever en dames daarentegen denken aan niets anders."
"Zus, zus, je hebt het genre student wel bestudeerd."
"Mijn broer gaf er mij alle gelegenheid toe."
"Misschien hebben ze andere hoofden dan wij," bekende Idée
heel nederig.
[43:]
Ludo sprong op
en boog diep voor haar:
"Lieve Schwester Studiosa! ik heb mijn eigen ideën over de
gelijkheid der beide geslachten, maar hier in dit bijzondere geval moet
ik mijn hoed afnemen en ootmoedig mijn hoofd ontblooten dat, wat inwendige
bagage betreft, zoo ver bij het uwe tekort komt."
"Waar ligt het dan aan?"
"Ik geloof voor de vrouwen is studie een eer, en voor ons bijzaak."
"En ik dacht juist dat het voor vrouwen maar een aardigheidje beteekende,"
en weer lachte Idée heel guitig.
Ludo keek haar aan en dacht in zijn studentenwijsheid dat zoo'n lief
lachje voor hem meer waarde had dan al haar boekengeleerdheid.
"Moet je Pa het goedvinden? Vraag het dan gauw," beval Laura,
die haar 't meest bewonderde soms tot heimelijke jalouzie van Baudine.
"Wij moeten weten of wij op jou kunnen rekenen."
Idée keek weer heel bezorgd.
"Hoe moet ik mij kleeden? Ik heb geen smaak iets te kiezen of te
koopen."
"Laat dat ons over, wij zullen er wel voor zorgen als wij maar
eens weten of wij op je kunnen rekenen."
"'t Is voor een weldadig doel. Je Pa. . . of ik bedoel je zelf,
je mag niet weigeren," riep Maddie.
't Kostte Idée moeite haar vader er over te spreken, dadelijk
kwam de rimpel tusschen zijn wenkbrauwen, dien zij zoo goed kende en
die verried dat hij iets onaangenaams ondervond.
"Kind, kind!" en hij schudde het hoofd, "wat word je
wereldsch, ik ken je haast niet meer!" "Vader, 't is voor
een liefdadig doel."
"Fancy fair! Kermis der ijdelheid, ik had nooit gedacht dat mijn
dochter daartoe eens zou meewerken."
"'t Is maar voor een keer, ik zal 't wel inhalen."
"'t Is niet voor dien eenen keer. Je studiën zijn
[44:]
ver genoeg gevorderd
om een kleine vacantie te kunnen lijden, maar wat ik voor je vrees is
de geestesrichting, die atmosfeer van frivoliteit en mondaniteit. .
. . . Als ik geweten had, dat je ze hier in deze buitenherberg zou inademen,
wij waren hier nooit heengegaan."
"Ik geef er niet zooveel om, als papa 't beter vindt. ., dan wil
ik heel graag. . . niet mee doen. . ."
"Neen, je bent er op gesteld en daarom verlang je dat je meedoet.
Ik wil je niet dwingen in de richting die je zelf gekozen heb. Is 't
zoo niet?"
"Ja! ja vader!"
" . . . in die richting voort te gaan. Ik wil je daarin steunen
en helpen zooveel ik kan. . . maar als je zelf het beter vindt een anderen
weg in te slaan, dan geef ik je ook volle vrijheid."
"Maar dat is mijn bedoeling niet!"
"Stil kind, hoor mij aan tot het einde! Ik hoop dat je dan zult
inzien hoe jij je vergist hebt en bij tijds terugkeeren. Door ondervinding
zul je leeren onderscheiden en beslissen; je hebt nu illusies over die
onbekende dingen. Ga ze van nabij bekijken, ik wil het nu en ik ben
er zeker van je zult inzien dat al die mondaine beuzelingen, niet deugen
voor je rijpen geest en je flink karakter. Begrijp je mij?"
"Ja vader, ik begrijp u en ik zal mij overtuigen dat u gelijk heeft
en dat die wereldsche pretjes niet voor mij bestemd zijn."
Toen zij evenwel haar besluit genomen had mee te doen, was Idée
één en al vuur voor het plan. Zij ging naar Utrecht en
bracht mooie sarongs en shawls mede, een gouden pending (gordel) van
haar moeder, diamanten knopjes en groote oorknoppen van Baboe.
"Jullie moeten zelf weten, hoe je dat gebruiken wilt," zeide
ze tot de meisjes. "Je mag er mee doen wat je verkiest."
Dat was niet tot doove ooren gezegd; de tentjes werden aardig gedrapeerd
met de sarongs, om de
[45:]
tafeltjes en stoelen
shawls gehangen ofwel de meisjes versierden er hun hoofden mede. Het
was den heelen dag een naaien van kleederen ook voor de jongens van
eenvoudig bont goed, met heel schelle kleuren, een vergaderen en bepraten
zonder eind.
Baudine droeg een aardig pakje, dat haar moeder vroeger op een gemaskerd
bal had aangehad, wat opgefrischt en met schelletjes versierd. Zij had
een tambourijn in de hand en leerde spaansch dansen.
Laura daarentegen kleedde zich op raad van Ludo, als een herderin van
Meizner porcelein; dat kwam wel niet erg in een zigeunerkamp te pas,
maar daar lette men zoo nauw niet op, want het was toch immers voor
een liefdadig doel.
't Stond haar alleraardigst een costuum van licht blauw en roze; 't
zilverblonde haar droeg zij hoog, en 't hoefde niets eens gepoeierd
te worden, hierop rustte een coquet mutsje met veel rozen. Rozen versierden
ook haar herdersstaf en jurkje.
Maddie zag er uit als een echt zigeunerskind met haar korte rokken en
bonten hoofddoek om. Zij had meer naar iets typisch dan naar iets moois
gestreefd. Idée zei nog niets over haar toilet; eerst had zij
zich heelemaal willen schikken naar het oordeel van de vriendinnen,
maar later trok zij zich terug en verklaarde er zelf voor te willen
zorgen.
Waarheid was dat Ludo haar zijn raad beloofd had, onder voorwaarde dat
zij 't niemand zeggen mocht.
"Als u mij maar niet toetakelt," had zij gevraagd.
"Wees maar gerust, hoor! 't Minimum van iets excentrieks, dat beloof
ik je!"
"'t Geeft niets," zeiden de meisjes onder elkander en de moeders
die wisten hoe slordig soms Idée's kleederen er uit konden zien,
vóór zij zelf er iets van merkte, werden bezorgd over
haar en vertrouwden het niet.
"Als zij zich maar niet bespottelijk maakt."
[46:]
Op den gewichtigen
morgen, die heerlijk stralend van zonneschijn begon, gingen de jongelui
te voet of per fiets naar het uitgekozen terrein. Zij hadden den heelen
morgen werk om alles te regelen en te versieren; na twaalven zouden
zij in afgeschoten kleedkamers in de open lucht met bun toilet beginnen.
Idée kwam eerst ter elfder ure; zij had een valiesje in de hand
en zag er zeer gewoon uit.
"Nu zal het komen, nu zal het komen!" giegelden den meisjes
onder elkander, "wat wed je dat zij aan heeft? Ik zeg een studenten
baret op het hoofd en aan de voeten kousen met gaten."
"Foei Baudine! Wat ben je scherp! Neen hoor, ik denk dat zij er
heel apart zal uitzien. Zij kleedt zich in haar tentje aan; eerst wilden
wij haar thee laten schenken, maar dat doet zij zoo onhandig, nu moet
zij maar ansichten verkoopen, dat is 't geschiktste voor haar."
Allen waren reeds gereed en hadden mekaar bewonderd en gecritiseerd
toen eindelijk het bescheiden kraampje der prentbriefkaarten openging.
Allen vlogen er heen en Ludo, die zelf niet verkleed was, maar alles
had geregeld, stond er bij om over den indruk te oordeelen, dien de
studente op haar vriendinnetjes maakte.
Zij had witte stof als een burnous om haar figuur gedrapeerd, met bloedkoralen
om de hals en de armen; door het donkere haar waren ook rood en koralen
geslingerd. Zij zag er nu veel grooter en vrouwelijker uit dan anders.
Zij scheen ook meer kleur te hebben.
Het rood der koralen kwam eigenaardig uit tegen haar donkere gelaatstrekken
en de witte stof der burnous. Verder was het tentje van binnen met allerlei
arabische of turksche doeken behangen zoodat zij er heel in paste. ldée's
toilet was werkelijk een succès zeiden allen en daar ieder wist
wie zij was, had zij veel bekijks van de toeschouwers en verkocht
[47:]
bijna haar heelen
voorraad briefkaarten en prenten uit.
Haar vader kwam ook kijken; hij wist niet hoe zij er uit zou zien, hij
had er in 't geheel niet naar gevraagd wat er op het feest gebeuren
zou, en scheen er geen vermoeden van te hebben, hoe 't er toeging.
Hij stond reeds voor haar kraampje en bekeek de briefkaarten, vóórdat
hij er eenig begrip van had dat het arabische koopvrouwtje zijn dochter
was. Eerst toen zij hem wat te koop aanbood en hij haar in 't gezicht
zag, herkende hij Idée.
Hij stond een oogenblik verstomd.
"Jij! Zóó - Zóó! O foei kind!"
Zij beet zich op de lippen en kreeg een kleur; haar plezier was weg,
terwijl hij zich hoofdschuddend verwijderde om dadelijk omringd te worden,
door jolige, dansende zigeunerinnetjes die hem aanboden de toekomst
te voorspellen, of voor hem te zingen, of trachtten iets aan hem te
verkoopen.
De indruk, op haar vader gemaakt, bleef Idée bij; zij voelde
zich hoe langer hoe meer verlegen worden en toen het feest overging
in een algemeene danspartij in de duinen, en toen verkoopsters en koopers
gezellig in het gras gingen eten en drinken kostte het haar moeite mede
te doen.
Vader had gelijk. Zij hoorde hier niet thuis tusschen die onbezorgde,
vroolijke kinderen, met hunne in hun spel en hun jeugd deelende ouders.
Zij was heel anders opgevoed en had daardoor andere neigingen, een ander
levensdoel gekregen.
Zoo zat zij te peinzen, terwijl alles om haar heenlachte en stoeide;
en zoodra zij er gelegenheid toe had, sloop zij weg, naar haar ledig
tentje, deed de burnous, die zij over haar kleederen had omgeslagen
uit, haalde de kammen, koralen en spelden uit haar haren, bergde alles
in het valiesje, deed den grooten leelijken hoed weer op en sloop weg
als Asschepoetser te middernacht, door de stilste paden van het bosch.
[48:]
In de verte hoorde
zij het zingen en juichen der anderen; boven alles klonk de heldere
lach stem van Ludo, die 't bijzonder druk had met de mooie dochter van
den burgemeester - maar hoe verder zij kwam, hoe flauwer alles klonk
en hoe verwarder.
In de Kreeft was alles doodstil. Zelfs de freules waren nog op het terrein;
alleen onder de veranda zat haar vader eenzaam te lezen. De zon was
reeds aan het ondergaan, de wilde wingert om de stijlen der balkons
tintte zich reeds warmer, over het grint lagen gele bladeren verspreid.
"O vader, lief vadertje! U heeft gelijk!" En Idée wierp
zich snikkend om zijn hals, "ik hoor daar niet, ik hoor alleen
bij u."
"Mijn kind! Lief kind! Goddank! dat je het inziet. We zullen spoedig
vertrekken. - Dat is het beste."
"Ja, ja," herhaalde zij, "dat is bet beste! Laat ons
maar henen gaan! Ik hoor hier niet."