V.
Zaterdag kwamen
de heeren Van Wegel uit Amsterdam met Gijs Werveling, de aanstaande
van Dorette; 's middags gingen de meisjes naar den trein ze afhalen
en keerden met hen terug; ook Ludo Doreveld, Baudeline's halfbroer was
er bij.
Voor het hôtel namen zij afscheid, daar het juist tijd werd voor
het diner; onder de veranda, waar Idée tusschen haar boeken zat,
hoorde zij hen vroolijk roepen en lachen.
"Dag Lu!"
"Dag Bau!"
"Nu Lau, tot straks."
"Schei uit Jaap, trek niet aan mijn vlecht."
"Een tennispartijtje?"
"Neen, wij moeten crocketten!"
"Ik kom je halen op de fiets."
"Nu kinderen, Ma wacht je, eerst wat opknappen en dan eten. Jongelui
tot straks!"
"Lau! Je zorgt voor zoutstengels hoor!"
"Malle jongen, 't is of je geen eten genoeg bij ons krijgt."
[35:]
"Ja, maar die
Kreeftstengels, daar zou ik een moord op kunnen doen!"
"Die Ludo toch! Dag, Dag! Gauw nu maar!"
Idée had zich na dien laatsten mislukten tocht geheel teruggetrokken
en ook de meisjes lieten haar links, maar het studeeren wilde toch niet
vlotten.
Haar oogen schemerden, al zette zij ook haar bril op, zij kon met moeite
lezen en 's morgens was haar hoofd zoo zwaar. Zij schoot niets op, 't
liefst keek zij naar hun spelen en hoorde hen lachen en gekheid maken.
Maar Papa mocht het niet merken; hij dacht dat Idée in haar studie
verdiept was, en zij wilde hem niet ontgoochelen - alleen als zij aan
haar examen dacht, voelde zij zich koud op den rug worden, en zuchtte
in stilte zooals zij vroeger nooit had gezucht en vond haar leven zwaar.
"'t Is goed dat wij hier niet lang blijven," dacht zij, "ik
zou er heel uit raken."
Aan tafel deed het groepje nog luidruchtiger dan anders; onmiddellijk
na het eten kwamen de Dorevelds er weer aan. Alleen was Josephine er
niet bij, daar zij begreep, dat haar vriendin Dorette haar vandaag missen
kon.
De jongelui besloten te gaan tennissen; ondertusschen hadden zij de
nieuwaangekomenen reeds op de boogte gebracht van de nieuwe gasten,
die er de vorige week niet waren.
Mijnheer Van Wegel stelde zich voor aan den heer Sonerius en zij wisselden
eenige gemeenplaatsen; het gesprek wilde tusschen hen ook niet recht
vlotten.
Ludo Doreveld was een vroolijke, levenslustige jongen; telkens keek
bij naar Idée en toen het spel uit was en zij een kopje tbee
kwamen halen, besloot bij den knoop door te bakken en royaal kennis
te maken.
Hij kwam bij het tafeltje staan, waar vader en
[36:]
dochter in hun werk
verdiept schenen, nam zijn hoed af, stak de hand uit en sprak:
"Zuster Studiosa! mijn naam is Ludovicus Doreveld, en de uwe?"
Idée had haar bril op en zag er niets aantrekkelijk uit; zij
bloosde bevig terwijl zij opstond en zijn hand flauwtjes drukte, niet
wetende wat te zeggen, stamelde zij:
"Ik heb de eer niet. . . . ."
"Wij moeten collegiaal met mekaar omgaan, vindt u niet juffrouw.
. . ."
"Sonerius!"
"Wil u mij voorstellen aan mijnheer uw vader?"
De anderen zagen giegelend het tooneeltje aan en verkneukelden zich
vooral in het benauwde, onthutste gezicht van den ouden heer.
"Zeer aangenaam!" zeide hij buigend - ik begrijp niet. . .
."
"Ik zal mij maar naast u zetten; ik ben medisch student, 't derde
jaar en nog geen examen gemaakt en uw dochter studente in oude letteren,
hoor ik."
Hij begon over academiezaken te praten, ongedwongen en vrij en vader
en dochter moesten natuurlijk antwoorden. Idée had haar bril
afgezet en langzamerhand nu zij op haar eigen terrein kwam en met Ludo
over allerlei studenten dingen kon praten werd zij levendiger. Voor
zoo ver haar vader het gesprek kon volgen, mengde bij er zich in, overigens
vergenoegde hij zich maar toe te luisteren en trachtte Idée wenken
te geven om op de eene of andere manier er een eind aan te maken.
Eindelijk kon hij het niet meer uithouden en opstaande, sprak hij:
"Lieve kind, mijnheer zal het je niet kwalijk nemen, als wij, hoe
ongaarne ook, nu eens opstaan, want het is reeds laat en we kunnen binnen
nog een knap poosje repeteeren."
[37:]
"Maar mijnheer!
uw dochter repeteert nu toch niet, nu zij buiten is, daar is niets verkeerder
dan gedurende de vacantie te vossen - 't is 't beste middel om te stralen
- dat heeft een veeljarige ondervinding mij geleerd."
"Ik hoop niet dat mijn dochter vele jaren zal noodig hebben om
zoo'n ondervinding op te doen."
"U heeft het rusten onder de vacantie dan zeker zooveel goed niet
gedaan," zeide Idée met een schalk lachje, 't eerste dat
iemand in de Kreeft ooit van haar had gezien.
"Och!" antwoordde hij lachend, "voor zoo'n ouwe rot als
ik is 't wat anders, ik moet in September mijn prop doen - anders krijg
ik 't met mijn ouden heer te kwaad."
Bij die onder jongelui zeer gewone, hoewel van oneerbiedigheid getuigende
uitdrukking, fronste de heer Sonerius zijn wenkbrauwen en zag ontevreden
op den student neer.
"Maar u is nog zoo jong en dan een meisje!"
"Dat maakt geen verschil voor mijn dochter en - voor haar o u d
e n h e e r. Mijnheer Doreveld ik heb de eer u te groeten. Kom Idée!"
Het meisje pakte haar boeken bij elkander, boog beleefd en zelfs vriendelijk,
terwijl de heer Sonerius zeer uit de hoogte Ludo groette en met haar
naar binnen ging.
Nauwelijks waren ze weg of er werd aan het tafeltje der jongelui hartelijk
geschaterd. Vergeefs trachtten de ouders hen tot kalmte aan te sporen,
maar de meisjes klapten in de handen, toen Ludo bij hen kwam zitten,
en Jaap, die altijd zijn broer de student, aan het plagen was, riep
spottend:
"Zie zoo, mijnheer de Student is lekker op zijn plaats gezet door
een prof."
"Niet op mijn plaats gezet! Integendeel, 't aanvankelijk succés
is schitterend. Wacht maar, ik laat mij
[38:]
niet ontmoedigen.
Zoo'n beetje tegenstand prikkelt me; ik zal ze wel ontbolsteren, dat
aardige studentinnetje."
"Vind je ze aardig? Hoe is het mogelijk!"
"Ik vind ze allerliefst. Heel anders dan die ik ken van haar soort.
Zoo niets opdringerig, zoo niets: Zie-je-mij-wel, hoor-je-mij? Ik ben
een vrouw, die studeert. 't Is precies of zij je excuus vraagt omdat
zij niet is als andere gewone meisjes. Ik vind haar een snoes!"
"Verbeeld je, nu mankeert er maar aan dat hij verliefd op haar
wordt."
"Verliefd! och Jaap, wat ben je nog ouderwetsch! Dat is een lang
overwonnen standpnnt. Verliefd wordt men niet meer; neen! Dat is niet
aube de siècle. Men is goeie kameraden en daarmee uit!"
Dorette en Gijs keken elkaar lachend aan en drukten elkaars handen.
"Och ja! wij zijn nog niet modern."
"Heelemaal niet!"
"Zij zal je nogal gelegenheid geven om kameraad met haar te worden
en die oude heer nog minder."
"Dat denk je maar! Hoor eens! Luisteren ze niet! Nou dan, wie wil
met mij wedden om een rondje champagne."
"Ho, ho!" riep de oude heer Doreveld, "zoo hard niet
van stapel. Wacht tot je het verdient! Of moet het op crediet gaan?"
"Nu dan! 't Blijft er bij, champagnecidre, of anders ijslimonade,
taartjes!"
"Wat 'n chute!" lachte Baudine.
"Wij nemen 't aan," riepen allen, "maar wij schenken
ook geen champagne hoor! En waarom wil je wedden?"
"Hoe lang blijft de familie Van Wegel nog?"
"Veertien, neen vijftien dagen!"
"Nu dan! Ik neem aan, vóór dat de familie vertrekt
is Idéetje in onzen kring opgenomen. Zij zal meespe
[39:]
len en mee lachen
en mee stoeien en geen oog meer in haar boeken gooien."
"En jij, zeker des te meer!"
"Och vader! laat u mij begaan! Als ik in September er door kom
dan doet het er toch niets toe hoe ik hier mijn tijd heb doorgebracht."
"Als je - als je - hoe dikwijls heb je mij dat al niet gezegd en
mee gepaaid!"
"Een keertje maar vader! Nu zal u eens zien hoe die rust en afleiding
mij goed doen. Maar om op onze taak terug te komen, ik neem het aan,
maar op een voorwaarde, dat de familie mij helpt, de groote menschen
zoo goed als - als de jongelui."
"'t Mankeert er nog maar aan dat je zei "kinderen".
"Mevrouw Van Wegel en mijn moeder en Josephine. - Dorette rekent
niet meer mee, - die moeten allen trachten dat meisje te redden, want
ik verzeker u - mijn lange ervaring vltn het studentenleven. . . ."
"Ja wel lang," zuchtte zijn vader.
" . . . heeft mij geleerd dat er niets van dat meisje terecht komt,
geen doctor in de oude letteren en geen zoogenaamd gewone vrouw, als
zij niet een meer normaal leven gaat leiden - zoo iets van Baudine en
Laura door elkander. Dat doel wil ik bereiken en ik geloof dat het een
heel lofwaardig doel is."
"Ik zou er mij niet mee bemoeien," meende de heer Van Wegel,
"dank krijg je er toch niet voor."
"'t Is ons niet om dank te doen," verklaarde Ludo deftig,
"alleen om redding van een diep ongelukkig kind, dat zich aan den
rand des afgronds bevindt, zonder het te weten."
"Als je hoogere studiën een afgrond noemt."
"Voor mij niet, maar voor dat schaap wel."
"Ja, ik heb met haar te doen," zeide Laura's moeder, "zoo'n
stumper zonder moeder, zonder eenige vrouwelijke leiding, dan die baboe.
Ik wou dat huishoudentje wel eens zien."
[40:]
"Haar Pa moest
hertrouwen," riep Maddie, het enfant terrible.
"Nu, ik zou die tweede moeder benijden," zei mevrouw Doreveld
uit de volheid van haar hart.
"'t Is al zoo gemakkelijk niet het te zijn, maar bij zoo'n kind
en zoo'n vader wordt 't dubbel lastig."
"Moedertjelief!" vleide Ludo, "maak ik het u dan zoo
lastig? Of spreekt u meer in 't algemeen? De menschen mochten eens denken
dat u op mij doelde, 't model van alle stiefzonen."
"Zeg eens," zei Jaap, "zou een van die twee niet willen?"
En hij wees in de richting der beide freules, die bij een lampje aan
den anderen kant der veranda de courant lazen.
"Stil kinderen, stil, niet zoo dol!"
"Zullen wij nog een wandeling maken in den maneschijn en onderweg
de voorwaarden van de weddingschap vaststellen?"
"Ja, ja, ja!" en zij holden den tuin uit, het bosch in, zonder
te letten op het geroep der mama 's, die vroegen of het niet te koel
was en of de meisjes geen doeken of mantels om zouden doen.