XI.
Baboe werd veel
erger; de dokter constateerde onmiddellijk longontsteking en raadde
haar overbrenging naar een zieken-inrichting aan, daar hij wel merkte,
dat zij hier niet goed verpleegd kon worden. ldée wilde er niets
van weten, zij snikte en snikte maar door, eindelijk werd er op gevonden
een verpleegster te nemen, die bij de zieke kon waken.
Het arme, oude mensch lag steeds te rillen en te hoesten, zij ijlde
en sloeg met de handen in de lucht; twee woorden kon men slechts onderscheiden
uit haar onsamenhangende taal Dingién (koud) en Nona Dée.
Tot haar vaders groote ergernis was Idée niet naar het college
en zelfs niet aan de studie te krijgen; zij zat met de handen onder
het hoofd voor haar
[79:]
boeken maar keek
er over heen, telkens bij elk geritsel sprong zij op en liep dan naar
boven om te zien hoe 't er mee was.
"Maar kind!" zei de vader boos, "stel je toch zoo niet
aan voor een javaansche meid; zeker ik waardeer Baboe zeer, ik hou zelfs
van het mensch en 't zou mij ontzaggelijk spijten als het niet goed
afliep, maar er is niets aan te doen. Zij wordt behoorlijk verzorgd
en jij kunt toch niet helpen al loop je ook twintig maal in 't uur naar
boven om te kijken hoe 't haar gaat."
"Ja dat weet ik wel, vader, maar ik kan er niets aan doen. Weet
u nog toen u ziek was, stelde ik mij ook zoo aan en was ik zoo ongerust."
"Je wilt mij toch niet vergelijken met Baboe?"
"Neen, dat spreekt, maar zij is hier zoo eenzaam, zoo vreemd, alles
heeft zij verlaten voor mij en dat vind ik nu zoo verschrikkelijk, die
verantwoordelijkheid."
"Maar 't is toch haar eigen wil geweest. . ."
"Juist daarom, kon zij geen grooter bewijs geven van liefde en
trouw."
"En wat geef je mij nu? Of ben ik minder goed voor je dan Baboe?
Je kunt mij geen grooter bewijs van liefde geven dan kalm te blijven
en je studie niet te verwaarloozen. Bedenk toch kind! Over vijf weken
ten hoogste is 't examen."
"Dat examen, dat ellendige examen. Ik haat de examens en de boeken."
"Idée!"
De heer Sonerius verbleekte, hij ging naar haar toe en legde de hand
op haar schouders.
"Idée, dat meen je niet!" zeide hij op ernstigen droeven
toon, "wees niet ondankbaar tegen je boeken, en denk wat je hun
een genot en opwekking dankt."
"Het meisje had al dadelijk spijt van haar uitval; zij omhelsde
haar vader en liet al snikkend het hoofd tegen zijn schouder rusten.
[80:]
"Och vadertje!
neem het zoo ernstig niet op. Natuurlijk meen ik 't niet, maar 't komt
zóó door alles. Die groote verandering van ons leven,
hier in de universiteitsstad en daar ginder in Makoe, 't is zoo heel
anders. Ik moet mij er aan wennen. . ."
"Maar 't duurt al zoo lang. . ."
"Toen studeerde ik voor mijn plezier, waar ik zin in had en nu
altijd met dat schrikbeeld van het examen voor mij . . . en Baboe's
ziekte nog bovendien. Wat moet er dan van ons worden?"
"Kind! Maak je daarover niet ongerust. Dat loopt wel los. Laat
al die kleinzielige dingen je niet afhouden van je groot, je eenig levensdoel.
Denk eens aan, wat het heerlijk zal zijn, vóór je twintigste
jaar Doctor in de Oude Letteren en dan begin je dadelijk weer voor de
Nederlandsche Letteren te studeeren en haalt ook daarvoor het doctoraat.
Je wordt een Baschi, een nieuwe Kovalovska. Door heel Europa word je
beroemd, misschien professor, dat zal je zien."
Idée bleef stil zitten, dat vooruitzicht liet baar heel koud
- het eenige wat haar aanging was dat Vader het verlangde, dat het hem
gelukkig zou maken. Zij zweeg tot dat hij dringend vroeg:
"Vind je dat niet heerlijk? Verlang je er niet naar?"
"Ja, opdat u trotsch mag zijn op zoo'n dochter maar voor mij? Och,
wat heb je d'r aan?"
"Wat heb je er aan? Nou vraag ik je! Kind, je bent veranderd. Ik
heb het al dikwijls gemerkt en nu weer. . ."
"Hebt u maar geduld met mij, paatjelief! Ik ben niet normaal, die
ziekte van Baboe en de zorg dat het niet goed zal gaan met het huishouden
brengen mij van streek."
"We hebben immers hulp!"
't Was er ook een hulpje naar! Een groote, forsche, slordige schoonmaakster
- noodhulpwerkvrouw - die dreunend door de kamers plofte en met het
water
[81:]
plaste over gang
en trap, zoodat men er soms door moest waden, en alles brak wat zij
in haar grove, lompe handen hield.
"Dat kan zoo niet blijven," zuchtte Idée.
"Ik zal zorgen dat er verandering komt, maar tob er niet langer
over en ga rustig werken."
"Ja vader!"
Maar nauwelijks was haar vader in de andere kamer, waarvan hij de tusschendeur
zorgvuldig sloot om haar niet af te leiden of Idée trok zachtjes
haar pantoffeltjes uit en ging op haar kousen onhoorbaar naar boven.
Zij waagde er natte voeten aan, want Dien had juist een heele emmer
water op den vloer van den zolder, die voor de slaapkamer afgeschoten
was, uitgegoten.
Baboe scheen iets rustiger, maar de pleegzuster nam Idée mede
naar de andere kamer en begon een lang verhaal over allerlei grieven
tegen Dien.
Idée kon niets anders zeggen dan dat het haar speet; dat zij
er niets aan doen kon, dat zij zich met niets bemoeide.
"Maar daarvoor is u toch vrouw," zei de verpleegster, die
tamelijk bij de hand scheen, "en dit verzeker ik u met zoo'n hulp
of liever zonder eenige hulp kan de zieke niet beter worden en kan ik
mijn werk niet doen en daar u de eenige vrouw hier in huis is, stel
ik er u verantwoordelijk voor."
"Maar ik kan toch niet Dien anders maken dan zij is. Wij waren
al blij dat wij haar hadden."
"U zal er nog plezier van beleven. 't Is een wijf dat niet in een
fatsoenlijke buurt en bij een nette familie thuis hoort. Ik meen dat
ik ze meer heb ontmoet en dat - ik zeg zulke dingen niet graag maar
hier acht ik het mijn plicht - zij een paar malen wegens diefstal in
de gevangenis heeft gezeten."
Idée werd doodsbleek.
"Zuster! U doet mij schrikken, maar wat beginnen wij als wij haar
wegzenden? Wie zal er
[82:]
koken en de deur
openmaken. Dat kan Pa toch niet doen."
"En u dan! 't Is toch uw plicht uw handen uit te steken! Al is
u ook honderdmaal studente en zoo geleerd - dat mag een meisje niet
beletten vrouwenwerk te doen!"
Idée zag met haar groote, ernstige oogen de verpleegster aan
en zei toen:
"Misschien heeft u gelijk maar niemand verlangde het ooit van mij."
"Men kan alleen gelukkig zijn in den stand, waarin God ons gesteld
heeft. Het is den Heer verzoeken een anderen te kiezen. Zoo Hij van
u mannenwerk had verlangd, zou Hij u niet als meisje hebben geschapen."
"Idée, Idée, waar ben je weer? Boven?"
"Ja vader!"
En op haar kousen liep zij snel de trappen af.
"Ik dacht je druk aan 't studeeren."
"De zuster heeft me gewaarschuwd tegen Dien," en de kamer
ingaande, sloot zij de deur achter zich en ging fluisterend voort: "Zij
moet weg. Zij is een oude bekende van de politie, zij hoort hier niet
in huis."
"En wie moet ons dan helpen?"
Idée zag hem met een ongelukkigen, bijna verwijtenden blik aan:
"O vader, waarom heeft u mij niet gewoon meisje laten blijven?"
"Alweer dat gezanik! Schei er mee uit of ik word boos. Ten eerste
geloof ik 't niet van Dien. Die juffrouw zuster bazelt. Ten tweede al
was het zoo, voor haar een ander. En nu maar aan je werk."
Idée gehoorzaamde maar het wilde niet hoe zij ook haar best deed;
zij soesde en sufte maar door, luisterend naar elk geluid; de middag
scheen eindeloos.
Daar hoorde zij driftig praten, deuren toesmijten en
[83:]
eindelijk op heftigen
toon de stem der verpleegster in de andere kamer, waar haar vader zat:
"Hoor eens mijnheer! Zoo kan 't niet langer. Ik verpleeg wie men
aan mijn zorgen toevertrouwt, dus even goed een baboe als een prinses,
en dan ben ik gewoon haar mijn beste krachten te wijden, maar zoo gaat
het niet. . . ."
"Nou, wat 'n bereddering, wat 'n kouwe drukte. Mens, maak je niet
dik, dun is de mode," snauwde Dientje van uit de keuken.
Idée voelde iets kriebelen in haar neus en keel.
"Maar wat is er toch in 's hemelsnaam," riep de heer Sonerius
knorrig.
"Ruikt u het niet, ziet u het niet? Je kunt de lucht snijden van
de rook. . . ."
"Kan ik 't helpen als de kachel niet trekken wil. Maak jij hem
aan, zemelknoopster!"
"Mijn patient hoest er nog eens zoo erg van. 't Is niet om uit
te houden."
"Zet de ramen open!"
"Dan tocht het weer! Laat mij kijken, wat er aan scheelt, je moet
van alle markten thuis zijn."
De pleegzuster had spoedig ontdekt dat de schuif toe was en noemde Dien
in haar verontwaardiging:
"Stommeling!"
"Dat laat ik mij niet zeggen door zoo'n kale juffer, die niets
meer is dan wullie booien en alleen maar om de grootsigheid zich een
mutsje heeft opgezet en aan 't zieken oppassen is gegaan. Daar ben ik
nog te goed voor. Zie jij zelf 't eten klaar te krijgen, als je zoo
goed 't vuur weet aan te maken. Adjuussies, ik smeer 'm."
Zij nam haar onsmakelijke wollen muts uit de kast met etenswaren, deed
haar straatboezelaar voor, en klotste zonder een woord meer te zeggen
de deur uit, de straat op, de deur achter zich toeflappend.
's Avonds bleek dat zij eenige zilveren lepels en
[84:]
vorken en een gouden
broche van Idée in de gauwigheid had meegenomen.
Er moest eten zijn, de verpleegster was niet tevreden met de koude keuken
van Vader en dochter die volgens hen zoo gezond heette en de heer Sonerius
was dus verplicht het diner uit een hotel te bestellen, zoodat men dien
dag ten minste behoorlijk kon eten.
Baboe werd 's nachts veel erger. Idée sliep niet. Zij zat maar
bij de matras en keek met betraande oogen naar het oude, verschrompelde,
bruine wezentje, dat haar niet meer kende en wier ademhaling hoe langer
hoe benauwder werd.
Toen de dokter zijn morgenvisite bracht, zeide hij dat er geen hoop
meer was en zij den avond niet kon halen. Idée was niet meer
van haar ziekbed af te slaan, totdat haar vader haar riep.
"Er is niets aan te doen, kind!" zeide hij haar.
"Zet je hoed maar op. Dan gaan wij een singeltje om en dan breng
ik je tegen twee uur naar 't college."
"En als Baboe in dien tusschentijd sterven mocht, dan is er niemand
bij haar, niemand die haar de oogen toedrukt, geheel zonder vrienden."
Haar stem brak in een snik.
"Wees nu niet sentimenteel, kom, maak je klaar!"
"Och vadertje lief! Laat mij hier blijven, ik zal de schade later
inhalen, ik zal dag en nacht studeeren, maar zend mij nu niet weg. Als
ik mij iets te verwijten heb, zal ik ongeschikt zijn in langen tijd
iets uit te voeren."
"Nou, ga je gang, maar neem een boek mee als je boven zit, je kunt
er toch niets uitrichten."
"Neen, ik kan er niets doen, niets! Ik ben tot alles ongeschikt,
onhandig, dom - ja, ik zal een boek meenemen."
Maar het boek werd niet geopend. Idée lag geknield bij het ledikantje,
waarin Baboe nu rustte. Zij hield haar hand vast en dan scheen er kalmte
in het ver
[85:]
wrongen lichaampje
te komen. Zij bad het Onze Vader en smeekte uit het diepst van haar
hart dat God medelijden met de arme tobster mocht hebben en haar opnemen
in het land, waar eeuwig de zon schijnt en waar het niet koud en mistig
is als hier.
De verpleegster kreeg medelijden met haar.
"Er schuilt toch een echt vrouwelijke ziel in dit meisje, zij is
nog niet geheel verdroogd door de studie. Ik heb met haar te doen.
"Allah - illa Lab! hoorde men de verschroeide lippen, van Baboe
fluisteren, en toen rekte zij zich uit - haar oogen openden zich wijd.
Zag zij in een laatste vizioen haar mooi land met den schitterend en
zonneschijn, de altijd groene boomen en de wuivende kokospalmen en het
eenvoudige bamboezen huisje in de dessa verscholen tusschen de loentasheggen
om het tuintje, waarin kenanga en melati geurden, hoorde zij het vroolijke
lachen van haar vlieger oplatende kleinkinderen en in de verte de statige
toonen van den gamalan, het geroep der priesters in de missigits, de
orang Islam tot het gebed roepend? Of wel zag zij het kerkhof, waarin
aar ouders rustten onder de schaduw der cambodja boomen, met hun witte
bloemen de graven bestrooiend, waar zij nooit een plaats zou vinden?
Wie zal het zeggen wat zij in de laatste minuut aanschouwde - toen nog
een laatsten blik op het meisje, dat zij na haar moeders dood zoo trouw
had verzorgd, een flauw gemurmel, zacht als een ademtocht.
"No - na. . . ." en toen sloot zij de oogen, haalde diep adem
en rustte voor goed.