Op 't balkon eener élégante villa, aan den oever der rivier, zat nog laat in den avond eene eenzame gestalte naar buiten te staren, naar de donkere lucht, waar geen enkele ster aan flonkerde, naar 't sombere water, dat slechts nu en dan den flauw en lichtstraal van den lantaarn eens badenden inlanders, of de snel verdwijnende lichten van
[108:]
een enkel rijtuig
weerkaatste. Somber als de lucht daarboven, en 't water dat daar beneden
stroomde, waren ook de huizen aan de overzijde. Ook hier was iedereen
naar 't feest gegaan en de stilte werd slechts gestoord door 't ruischen
der op dit punt vrij snel stroomende rivier, en af en toe het plassen
van degenen, die zich ondanks de duisternis te water gewaagd hadden
om te baden.
In de verte, als een verward gedruisch, waarin men geen enkelen toon
kon onderscheiden, uit zooveel verschillende geluiden bestond het, was
't feestrumoer even verneembaar, doch slechts voor hen, die een luisterend
oor leenden, want de eenzaamheid, de stilte die hier heerschte en 't
ruischen der voortspoedende wateren, overstemde, verzwolg, als 't ware,
elk geluid.
Doch zij, die op 't balkon zat, of wel lag, want de beenen waren uitgestrekt
op een lagen ziekenstoel op rollen, luisterde begeerig naar die verwarde
klanken; het hoofd op den arm geleund, waren haar oogen gevestigd op
't verst verwijderde punt van den weg, dat te onderscheiden was. Doch
dit was niet zeer ver, want de duisternis was te groot, en dan sloeg
zij de oogen weer
[109:]
opwaarts om te
zien, of de maan niet weldra die schaduwen zou komen verdrijven; maar
er was nog geen zilverglans zichtbaar aan dat donkere uitspansel en
zij zuchtte: "nog niet; nog een uur wel" of zij riep eene
meid, die in de nabijheid op den grond hurkte, om te vragen hoe laat
't wel was?
Daar binnen was 't ook niet zeer hel verlicht; een groote lamp in matglazen
ballon gaf evenwel licht genoeg om de voorwerpen te kunnen zien. Het
ameublement duidde aan, dat de bewoonster, zoo niet rijk, dan toch in
goeden doen was; alles was sierlijk, smaakvol, keurig in orde, en toch,
toch gaf 't een treurigen indruk aan den opmerker, want er was veel
dat van ziekte en lijden en hulpbehoevendheid sprak. Bijvoorbeeld, de
groote toiletspiegel, waar zij zich ten voeten uit in kon bekijken,
was met een ruim wit kleed bedekt; de rosélinten om de draperieën
op te houden bij 't gebruik, waren verkleurd, de waskaarsen in de verguld
bronzen branches er naast, waren nog nooit aangestoken, en stof lag
in de plooien van 't bekleedsel. Een bloementafeltje was rijk voorzien,
doch de arme bloemen lieten 't hoofd hangen; haar groen was dor en de
aarde droog; zij misten de zorgende hand
[110:]
der meesteres.
Op een tafeltje naast het ledekant, stonden verscheidene medicijnfleschjes,
pillendoozen, enz. Een opengeslagen roman en een half afgebrande kaars
getuigden, dat de bewoonster dezer kamer de slapelooze uren van den
nacht beproefde te korten met lezen. Doch wat den droevigsten indruk
maakte, dat waren een paar prachtig bewerkte, doch stevige krukken,
met fluweel en rusten voor de armen der zieke die ze gebruiken moest.
Met een zucht, die van pijn sprak zoowel als van verveling of zwaarmoedigheid,
wendde de dame op 't balkon 't hoofd om en riep nog eens hare meid.
"Rosa, geef mij mijn "obat;" beval zij.
"Mevrouw heeft straks al ingenomen; heeft mevrouw 't vergeten?"
vraagt de meid,eene net gekleede jonge deern.
"Och, die meen ik niet, die pillen. Ik meen dat fleschje, je weet
wel, die obat om te slapen."
"Daarvan heeft mevrouw ook al gebruikt..."
"Maar ik wil nog meer gebruiken; ik kan niet slapen; ik heb pijn,
ik verveel me. Geef het hier, gauw!"
De meid werpt een angstigen blik op hare meesteres en zegt dan, met
weifelende stem:
[111:]
"Mevrouw weet,
wat de heer doctor gezegd heeft: tien druppels, niet meer, en die heeft
Rosa straks al gegeven."
"Zwijg, en doe wat je gezegd wordt;" klinkt het streng en
gebiedend, en Rosa haalt het fleschje met laudanum, een glaasje met
een weinig water en reikt beide, neerhurkend naast den ziekenstoel,
over.
"Mevrouw kan hier niet zien; zal ik een kaars halen?"
"Doe dat, en, meid, wees niet bang, ik zal niet te veel nemen;
ik ken mijne maat;" antwoord de dame, nu glimlachend het meisje
aanziende.
"Wil mevrouw nu niet naar bed? de dauw, de avondlucht zullen te
koel zijn..."
"Ach neen! Haal mij een deken; ik wil hier nog wat blijven, tot
ik slaap krijg: 't is anders warm en drukkend genoeg; en in bed ben
ik nog benauwder."
Rosa legt een zachten, lichten deken over de hulpelooze en toch zoo
forsche gestalte; men zou zeggen, dat het eer een liefdewerk, dan een
dienst is, dien 't meisje verricht, zoo zorgvuldig en zacht zijn hare
bewegingen. En 't is ook zoo: Rosa heeft hare zieke, grillige maar goedhartige
meesteres lief als eene moeder.
[112:]
Wederom dwalen
de oogen der zieke van den hemel boven, naar den weg en de rivier beneden
haar.
"Gelukkig!" prevelt zij, "Daar komt de maan en nu kan
ik iets meer zien: tegen een uur of twee zal 't wel afgeloopen zijn,
dan kan ik de wagens onderscheiden, en de voetgangers ook. O, zoo'n
feest!"
Zij zucht en bedekt de oogen met de hand, als wenschte zij zich al die
heerlijkheden, die zij niet aanschouwen mag, voor den geest te halen.
"Ja, zoo'n feest!" murmelt zij nog eens, en lusteloos valt
de hand terug op de leuning van den stoel, terwijl die groote, zwarte
oogen over 't sombere tooneel voor haar uitzien, als bevolkte haar verbeelding
die met de bonte feestgestalten.
"Ziek zijn, lijden, verveling en pijn; en toch nog niet te oud
om te genieten, Hen allen éclipseren, ja, dat deed ik; en nu,
nu ben ik een ellendige klomp vleesch
- als ik maar niet denken
kon, mij niets herinnerde!" kreunt zij, en dan, met de vlakke hand
op de leuning slaande, roept zij overluid: "maar, bah! il faut
savoir vieillir!"
"Wat belieft mevrouw!" klinkt Rosa's slaperige stem.
[113:]
"Niets, niets,
kind. Slaap maar; ik praatte in mij zelve."
"Als mevrouw naar bed wil..."
"Dan zal ik je roepen, en dan kan jij je moeder roepen om me te
helpen! Slaap nu vooreerst maar."
"Goed, mevrouw!" en 't meisje strekt zich weer uit aan de
voeten harer meesteres.
"Mij helpen! van den stoel naar 't bed en vice versa: en mijn krukken
aan!" mompelt zij. "Ik, "de vliegende, de vlinder, de
dartele mug", noemden ze mij eenmaal. En nu!" En wederom geeft
een diepe, smartelijke zucht te kennen, dat de zieke nog zeer wakker
is, dat de verdubbelde dosis laudanum nog niets gebaat heeft; en nog
eens mompelt zij: "il faut savoir vieillir..."
Doch dan zwerven haar blikken naar buiten, waar de maan reeds grootendeels
de duisternis heeft verjaagd; de golfjes der rivier kaatsen haar stralen
schitterend en hel terug, en de boomen, die eerst in de donkerheid verdwenen
waren, werpen nu hun schaduwen over den weg, en teekenen zich scherp
af tegen de witte huizen aan de overzijde. Alles is eenzaam; geen mensch
op den weg; zelfs de gardoes schijnen ingeslapen in hun wachthuis.
[114:]
De dame tuurt en
staart nog steeds naar buiten; beurtelings bedekt zij de oogen met de
hand, of ziet den weg op; nu richt zij zich op, zoo goed zij dit zonder
hulp vermag, strekt het hoofd vooruit en kijkt met gespannen aandacht
naar den oever der rivier, die door een hoogen dijk omsloten is.
"Wie - wàt dat zijn mag? Geen inlander; zeker niet; een
wit gezicht; duidelijk - gezien in den maneschijn; wat i s dat dan toch?
Of, zou ik 't me verbeelden? Kan de laudanum 't zijn? Rosa! Rosa!"
"Mevrouw! moeder roepen?" zegt het meisje, opspringende.
"Neen; kom hier; kijk eens daar, daar aan den overkant, waar die
eene groote boom staat; zóo: wat zie je daar? onder den boom,
op den dijk."
"Niets, niemendal; de schaduw is daar zoo zwart
"
"Maar er staat iemand; iemand in 't wit, zeg ik je!"
"Heeft mevrouw niet geslapen, gedroomd?
Die medicijn, het
was wel wat veel...."
"Ik ben nog nooit zoo klaar wakker geweest; ik heb geen oog gesloten;
en ik zeg je, er is daar iemand; hij heeft al driemaal van den boom
naar den rand van den dijk
[115:]
geloopen... en
met een blank gezicht, een Europeer..."
"Hij zal zich willen baden "
"Och kom! Een Europeaan hier baden! Wacht tot die wolk wegdrijft,
dan zul je zien
"
"Waarlijk, ja; nu maar, misschien wacht hij op iemand; - maar,
't is eene vrouw, mevrouw! - Ik zie 't duidelijk aan de rokken, en 't
haar ook..."
"Allah! tooat! en "God almachtig!" klinkt het plotseling
uit den mond van meesteres en meid en daarbuiten mengt zich een rauwe
gil met haar hulpgeroep.
De witte gedaante is met uitgestrekte armen en lang vliegend haar van
den dijk af in de rivier gesprongen en ras voert deze onwillige prooi
mee.
Een oogenblik blijven de twee op 't balkon sprakeloos van schrik, dan
gebiedt de meesteres:
"Loop Rosa, loop, maak de bedienden wakker en roep de garde om
de hoek"; zij drijft naar de sluis toe; ze kunnen haar nog opvangen
als ze zich haasten; loop, gauw, gauw!"
En Rosa ijlt weg, den trap af, en weldra is zij, gevolgd door een paar
der bedienden,
[116:]
't huis uit, en alle drie loopen zoo hard zij kunnen langs den dijk, terwijl hun luid hulpgeroep eenige vreemde inlanders en ook de patrouille op de been brengt.