[9:] 18 Augustus 1899. (I.)
Dank, innig dank voor je heerlijk langen brief, voor je lieve, hartelijke
woorden, die mij het hart verwarmen en verkwikken!
Zal ik bij nadere kennismaking je niet tegenvallen? Ik heb je al gezegd,
ik weet zoo bitter weinig, en ken niets, niets! Naast jou voel ik
mij geheel in 't niet verzinken. Je bent wel goed ingelicht over de
Javaansche titels.
Vóór jij mij er over schreeft, heb ik nooit over 't
feit nagedacht, dat ik, zooals je zegt, van "hooge geboorte"
ben. Of ik een prinses ben? Evenmin als jij. De laatste vorst in ons
huis, waarvan wij in de mannelijke linie lijnrecht afstammen, is geloof
ïk al eventjes 25 geslachten ver. Mama, die is nog nauw verwant
aan het vorstenhuis van Madoera. Haar overgrootvader was een regeerend
vorst en hare grootmoe eene erfvorstin.
Maar om dit alles geven we geen zier. Voor mij bestaan er slechts
twee soorten aristocratie: de aristocraat van den geest en de gemoedsadel.
Ik vind niets zotter, niets dwazer dan wanneer ik menschen zie, die
zich zoozeer op hunne zoogenaamde "hooge geboorte" laten
voorstaan. Wat voor een verdienste steekt er toch in een graaf of
baron te zijn? Ik kan er met mijn klein verstand niet bij.
Adel en edel, tweelingswoorden van nagenoeg denzelfden klank en geheel
denzelfden zin! Arme tweelingen! hoe wreed is 't leven voor u, dat
u haast altijd meedoogenloos van elkaar gescheiden houdt!
Als adel eens altijd was, wat 't beteekent, ja, dan zou ik 't een
eer vinden een hooggeborene te zijn. Maar nu?
Ik weet nog, hoe nijdig we waren, toen verleden jaar de Haagsche dames
op de Vrouwenarbeidtentoonstelling ons noemden "de prinsessen
van Japara".
In Holland schijnt men te denken, dat al wat uit Indië kornt,
en geen "baboe" of "spada" is, een prinses of
prins moet zijn.
Europeanen hier in Indië, slechts weinigen noemen ons "Raden
Adjeng", spreken ons meestal aan met "freule". Ik kan
er vaak wanhopig onder worden. Ik weet niet, hoeveel keeren ik hun
niet gezegd heb, dat wij geen freules en nog minder prinsessen zijn,
maar men luistert gewoon niet naar me en blijft ons halsstarrig "freule"
noemen.
Zoo onlangs kwam hier een Europeaan, hij scheen wat van
[10:]
ons gehoord te hebben, althans hij vroeg onzen ouders aan de "prinsessen"
voorgesteld te mogen worden. Dit werd hem toegestaan en o, we hadden
dolle pret!
"Regent", sprak hij zacht tot Pa, maar toch duidelijk verstaanbaar
voor ons - er lag zulk een teleurstelling in zijne stem - "prinsessen,
ik dacht aan schitterende kleeding, fantastische Oostersche pracht,
en Uwe dochters zijn zoo eenvoudig." Met moeite konden wij een
glimlach onderdrukken, toen wij dit hoorden. Lieve hemel, in zijn
heilige onschuld had hij ons het grootste compliment gemaakt, dat
iemand ooit bij ons afsteken kon. O, je weet niet, welk een plezier
hij ons deed met onze kleeding simpel te vinden, wij zijn zoo dikwijls
bang nuffen en ijdeltuitjes te zijn.
Lieve Stella, ik ben hartelijk blij, dat je mij gelijk je Hollandsche
vriendinnen beschouwt en daarnaar behandelt, en dan dat ik voor je
een geestverwante ben. Ik wil niet anders, dan dat je mij steeds bij
mijn naam noemt, en jij en je tegen me blijft zeggen. Zie maar hoe
mooi ik je voorbeeld gevolgd ben.
Mocht je ergens in mijn brieven een enkelen keer eens een "gij"
of een "u" aantreffen, beschouw dit dan niet als een stijfheid,
maar als een vergissing.
Ook ik ben eene vijandin van stijfheid.
Wat geef ik om de vormen? Ik ben blij, dat ik die lastige Javaansche
etiquette eens van mij afschudden kan - nu ik met je een praatje maak
op 't papier. Die vormen, die wetjes, door menschen ingesteld, zijn
me een gruwel! Je kunt je geen denkbeeld vormen, hoe lastig moeder
etiquette in de Javaansche aristocratenwereld huishoudt. Je kunt geen
vin verroeren, of die nare dame staart je grimmig aan! Bij ons nemen
wij 't zoo nauw niet op met al die vormelijkheden. Wij huldigen de
gulden spreuk: "Vrijheid, blijheid!"
Onder ons, van mij af beginnend, laten wij alle vormen waaien, ons
eigen gevoel moet 't ons maar zelf zeggen, tot hoever onze liberale
neigingen gaan mogen.
Verschrikkelijk zijn eenvoudig de vormen bij ons Javanen.
Europeanen, jaren en jaren in Indië zijnde en veel met Inlandsche
grooten in aanraking komende, kunnen maar geen steek vatten van de
Javaansche etiquette, als ze hiervan niet een bijzondere studie maken.
Dikwijls heb ik mijne vrienden dat alles moeten uitleggen, maar als
ik na een uur of wat mijn
[11:]
keel schor heb gepraat, dan weten ze van onze vormen evenveel als
een pas geboren kind.
Om je maar een klein ideetje te geven, hoe lastig onze etiquette is,
zal ik je een paar staaltjes vertellen. Een jonger zusje of broertje
van me mag mij niet voorbijgaan, of moet dit over den grond kruipende
doen. Zit een zusje op een stoel, en ik passeer haar, dan moet zij
zich onmiddellijk op den grond laten neer-glijden en daar met gebogen
hoofd blijven zitten, tot ik ver uit haar gezicht ben. Tegen mij mogen
mijne jongere broers en zusters geen jij en je zeggen, en alleen in'
't hoogjavaansch mogen ze mij aanspreken; en na elken volzin die hun
van de lippen komt, moeten ze voor mij een "sembah" maken,
dit is beide handen tegen elkaar slaan en even onder den neus brengen.
Spreken mijne zusjes en broertjes met andere menschen over mij, dan
moeten zij alles in 't hoogjavaansch zeggen, wat mij toebehoort, zooals
bijv. mijne kleeren, mijne zitplaats, mijne handen, voeten, oogen
en alles wat van mij is.
Mijn eerwaardig hoofd is hun streng verboden aan te raken, en niet
dan met mijne hooge permissie en na eenige malen een "sembah"
gemaakt te hebben, mogen zij 't doen.
Staat er wat lekkers op tafel, de kleintjes mogen er niet aankomen,
voordat 't mij behaagt daarvan wat te nemen.
O, je rilt bepaald, als je in zoo'n voornamen Inlandschen familiekring
terecht komt. Praten tegen je meerderen doe je zoo zacht, dat alleen
zij die ernaast staan 't hooren. Als eene jonge dame lacht, o hé,
mag ze haar mond niet opendoen. (Lieve help, hoor ik je daar zeggen.)
Ja, Stella, je zult rneer vreemde dingen hooren, als je alles van
ons Javanen weten wilt.
Loopt een meisje, dan moet zij dit bedaard doen, met kleine, nette
stappen, o zoo langzaam ais een slak; loop je een beetje vlug, dan
schelden ze je uit voor een hollend paard.
Maar nu genoeg, vindt je dit alles niet eenig interessant? Tegen mijn
oudere broers en zusters neem ik alle vormen trouw in acht, ik wil
niemand iets tekort doen in zijn goed recht; maar van mij af beginnend
breken wij geheel met alle vormen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap!
De zusjes en broertjes gaan met mij en onder elkaar als vrije, gelijke
kameraadjes om. Onder ons geen stijfheid, 't is enkel vriendschap
en hartelijkheid wat je ziet in onze verhouding onderling. De zusjes
zeggen jij en jou tegen mij en spreken dezelfde taal als ik. Eerst
laakte men
[12:]
vreeselijk den vrijen, gelijken omgang tusschen ons broertjes en
zusjes onderling; wij heetten "kinderen zonder eenige opvoeding,"
en ik was een "koeda koree," wild paard, omdat ik zelden
liep, maar steeds sprong of huppelde; en waarvoor scholden ze mij
ook weer uit, omdat ik zoo vaak schaterlachte en onbehoorlijk!!! veel
van mijn tanden liet zien. Maar nu men ziet, hoe innig en prettig
onze verhouding tot elkaar is, nu moeder etiquette voor onzen vrijheidszin
op de vlucht is gegaan, benijdt men ons de harmonische eendracht,
die vooral zoo sterk tusschen ons drieën heerscht.
O, Stella, je moest eens zien, hoe in andere kaboepatens de zusters
en broers naast elkander leven! Ze zijn broers en zusters, omdat ze
kinderen van dezelfde ouders zijn; geen andere band houdt hen samen,
dan de band des bloeds. Zusters zie je naast elkaar leven, aan wie
je behalve door een familietrek op beider gezichten somtijds niet
zien kunt, dat ze wat voor elkander zijn. Dank, lieve Stella, voor
je mooi pluimpje, waarmee ik kinderlijk opgetogen ben. Ik heb je taal
zoo oneindig lief en vanaf mijn schooljaren is 't mijn vurigste wensch
altijd geweest, haar goed, werkelijk goed te kennen. Ik sta nog zoo
ver van de vervulling van mijn hartewensch af, ... maar dat ik een
stapje naderbij gekomen ben, zegt mij uw zeer vleiend compliment.
Aan mij is toch niets meer te bederven, thuis en door mijne vrienden
en kennissen word ik dood verwend.
O, Stella, ik dank je zoozeer voor de vriendelijke gedachten, die
je hebt voor ons Javanen. Van jou verwacht ik trouwens niets anders,
dan dat voor jou alle menschen, blank en bruin, gelijk zijn. Van werkelijk
beschaafde, ontwikkelde menschen hebben wij nooit wat ondervonden
dan alleen goeds. Al zijn de Javanen nog zoo dom, onwetend, onbeschaafd;
de garde, waartoe je behoort, zal in hen steeds medemenschen zien,
die God schiep even goed als de beschaafden, en die ook, als zij een
hart in hun lijf hebben en gevoelig zijn voor zieleaandoeningen, al
blijft hun gelaat ook onbewegelijk en verraadt een blik noch gebaar
hun innerlijk voelen.
Heeft je uittreksel van Hilda van Suylenburg jou mijne sympathie doen
winnen, en je eerste brief de goede gevoelens, die ik je toedraag
doen toenemen, je laatste schrijven verovert je een vaste, blijvende
plaats in rnijn hart.
Wij spreken thuis met elkaar Javaansch; Hollandsen alleen
[13:]
met Hollanders. Zoo nu en dan zeggen wij wel eens een Hollandsch zinnetje tegen elkaar, als er bijv. een aardigheid is, die niet vertaald kan worden, zonder veel van het humoristische te verliezen.