HOOFDSTUK IX.
Eindelijk hield
het karretje stil voor een eenzaam huis, dat bijna geheel onder hooge
boomen verscholen en wel een kwartier van de naaste kampong verwijderd
was.
Het was niet zooals alle Javaansche huizen van bamboe [Riet.] en stroo
gebouwd, maar van steen en bedekt met pannen. Vroeger had er een gepensioneerd
Hollandsch militair gewoond en na diens dood had de Hadji het gekocht.
't Werd door een vrij hoogen muur omringd; een grasveld omgaf het van
drie zijden, achter waren een paar bijgebouwtjes en een stal, maar hiervan
zag Johan nu nog niets. Toen de kar voor het
[61:]
hek stil hield,
werd dit van binnen door een opgeschoten knaap geopend. Het wagentje
reed naar binnen en de Hadji en de kleine jongen, die voor koetsier
speelde, sprongen er af. Daarop tilde de eerste Johan uit de kar.
Johan was moe van het zitten en het huilen stond hem veel nader dan
het lachen, maar daar vroeg de Hadji niet naar. Hij dreef hem naar binnen
en daar zag Johan bij het weifelende zwakke lichtje van een olielamp
eenige Javaansche vrouwen en kinderen, die op matten zaten, sirih aten
en zwarte koffie uit rooden aarden kommetjes dronken. De muren waren
geelachtig wit en kaal, en er kropen hagedissen overheen; de eenige
meubels bestonden uit een geschilderd houten kastje en eenige grove
balehs-balehs. [Indische lage banken.] Een geur van Javaansche geneesmiddelen
vervulde de lucht. Alles zag er even somber en akelig uit.
"Hier breng ik jelui een christenjongetje, dat Javaan wil worden,"
zeide de Hadji, Johan aan de kinderen toonende. Hij sprak echter Javaansch
en Jo, die alleen Maleisch verstond, begreep de beteekenis niet van
zijn woorden, maar toch voelde hij als bij instinkt, dat zij voor hem
niet veel goeds bevatten.
[62:]
Een oude vrouw
met afzichtelijk voorkomen, de moeder van den Hadji, kwam naderbij,
nam Johan bij de hand en liet hem naast zich zitten.
"Zoo, wil de jongeheer zoo gaarne orang slam [Mohamedaan.] worden?
Wel, daar doet hij goed aan! Dat is veel beter, dan zoo'n kafir [Ongeloovige.]
te blijven."
"Neen," zeide Johan, bijna verstijfd van schrik, "ik
kom maar alleen om te kijken."
"Ja, ja," viel de Hadji in, "Sinjo wil alleen maar kijken,
morgen gaat hij weer naar huis."
"Naar huis, naar huis, naar mijn moeder!" snikte het knaapje.
"Geef hem nu maar wat eten, nénèk [Oude vrouw.]"
beval de Hadji "en laat hem dan slapen!"
De oude vrouw bracht Johan wat ketan [Zoete rijst.] met klappermelk
en suiker, maar hij kon haast geen bete door de keel krijgen, hoewel
dit zijn kostje wel was.
"Hij valt om van den slaap, breng hem maar weg," sprak de
Hadji, en de oude vrouw leidde het ventje naar een kleine kamer, waar
eenige opgerolde matjes lagen, zooals de Javanen gebruiken om op te
slapen.
[63:]
Voor Johan maakte
zij echter iets klaar, dat meer op een bed geleek. Zij schoof een bank
naderbij, legde er een paar vrij vieze kussens op, en wenkte hem zich
daarop uit te strekken. Gelukkig liet ze hem gauw alleen. En nu kon
Johan vrij uithuilen; o, wat betreurde hij nu bitter zijn dwaze daad,
wat vond hij alles akelig en treurig om zich heen. Hij, het eenige Europeesche
kind onder al die Javanen; nu dacht hij er niet aan, dat hij zoo dikwijls
had betreurd, geen Javaan te zijn. En wat zou de morgen brengen?
Eindelijk vouwde Johan zijn handjes, en bad zijn avondgebed met zooveel
vuur en aandacht, als hij 't nog nooit gedaan had en voegde er nog deze
bede bij:
"Onze Lieve Heer, maak dat ik weer behouden bij mijn ouders terugkom
en dat zij niet al te ongerust over mij zijn."
Toen legde hij zijn hoofd op de vuile kussens neer en bedacht nog even,
hoe heel anders het toeging in huis, hoe frisch en netjes daar zijn
bedje gespreid was en hoe zijn lieve moeder nog eens naar hem kwam kijken
en hem een nachtkus gaf. En nu was zijn eigen bedje leeg en mama zat
zeker ook te schreien, omdat zij haar Johan nergens zag.
Hij huilde zich eindelijk in slaap; doch midden in den nacht werd hij
wakker. Hij had moeite te beden
[64:]
ken, waar hij zijn
kon. Hij hoorde allerlei akelige geluiden. De maan scheen door het raam
en bij het schijnsel zag hij op de matjes twee of drie Javaansche jongens
liggen, die zeer hard snurkten.
Hij was erg bang, maar durfde geen geluid geven, want zijn vrees voor
den Hadji was reeds heel groot geworden. Hij kon den slaap niet weer
vatten en bleef uren lang liggen, met wijdgeopende oogen kijkende naar
de sterren en de maan. Eindelijk werd het een weinig licht, en toen
begon hij langzamerhand wat hoop te krijgen. Wie weet, misschien was
't toch wel zoo, wat de Hadji hem voorgespiegeld had; misschien zou
hij al dat moois te zien krijgen en van avond thuis komen bij zijn ouders.
O, wat zou hij dankbaar wezen, wat zou hij zijn best voortaan doen en
wat zou hij oppassen, om nooit meer zijn ouders reden tot ontevredenheid
te geven!
De deur werd geopend en de oude vrouw kwam binnen. Zij riep den jongens
toe, dat ze zouden opstaan. Deze rekten zich uit, wreven zich den slaap
uit de oogen, rolden hun matjes op en gingen naar buiten om zich te
baden. Johan hoorde hen putten en zich met het water begieten; toen
stond hij ook op, hoewel men hem niet had wakker gemaakt en sloop naar
buiten.
[65:]
Het huis zag er
nu bij daglicht nog kaler uit, als het kon, dan gisteravond; op de muren
zag hij overal sporen van rood sirihnat, door de Javanen daarop gespuwd
en nergens iets, dat het oog streelde. Kleine kinderen rolden over den
grond, al schreeuwende en morsende. Hij voelde zich hier hoe langer
hoe meer misplaatst, en had wel dadelijk weg willen loopen.
Hij ging naar buiten en wilde de trappen afgaan, maar de oude vrouw
schreeuwde hem na:
"Niet doen, Sinjo! niet doen; je moet hier blijven, totdat Pah
Sintro thuiskomt. Hij heeft gezegd, dat je niet naar buiten mag!"
"Neen, dat wil ik niet. Ik wil naar huis!"
"Daar komt niets van in!"
Zij trok hem met geweld naar binnen, sloeg de deur toe en schoof er
een grendel op. Meer dan ooit voelde Johan nu, dat hij geheel in de
macht van deze menschen was. Wat kon hij doen? Hardop schreeuwen en
tegen de deur trappen, dit zou hij zeker thuis gedaan hebben; maar hij
begreep, dat dit hier geen indruk zou maken en zwijgend bleef hij staan.
De nénèk gaf hem en aarden kom, waarin hij zijn gezicht
kon wasschen en een stuk van een oude sarong bij wijze van handdoek.
De jongens kwamen binnen met een andere vrouw, die een bak met dampende
rijs
[66:]
tepap droeg. Elk
kind kreeg een groot pisangblad [De pisang of banaan is een Indische
boomsoort. De vruchten worden gegeten, de groote stevige bladen voor
allerlei doeleinden gebruikt.] en maakte zich van een stuk daaruit een
lepel, om er de pap mede te eten. Bij hem thuis had Johan nooit gaarne
met een lepel gegeten; hij vond het benijdenswaardig, als hij bij de
bedienden kwam, om op zijn Javaansch met de vingers of met een pisangblad
te mogen eten; maar hier tusschen al die Javaansche kinderen, welke
onder elkander stoeiden en vochten en hem wantrouwend aanzagen, vond
hij het erg vies en onbehoorlijk.
Maar hij had honger en at de pap, onderwijl zuchtend terugdenkend aan
zijn lekker ontbijt thuis, dat uit een boterhammetje met gelei en een
kop warme melk bestond.
Daar kwam de Hadji, ook wel Pah Sintro genaamd, binnen en met geweld
overwon Johan zijn vrees om den geduchten man te vragen, of hij nu al
't moois zien mocht en dan naar huis gaan.
"Zeker, ik zal je het huis met den tuin laten zien, maar ik zou
niet weten, wat je nog meer zien wilt."
"Waarvan u mij verteld heeft. . . . . ."
En zonderling, nu wist hij nauwelijks meer, wat de
[67:]
Hadji hem verteld
had. Maar dat kon hem ook weinig schelen; als hij maar naar huis kon
gaan en deze griezelige omgeving verlaten, wilde hij dat moois wel ongezien
laten.
"Ik wil niets meer zien," riep hij half huilend, "ik
wil weg van hier, naar mijn lieve maatje en naar pa."
"En je bent hun ontloopen, omdat je niet naar Holland wilde gaan?
Neen, jongelief, je hebt zelf met mij mee willen gaan, je hebt er zelf
om gevraagd, is dat waar of niet?"
"Jawel, maar u had mij gezegd, dat ik spoedig terug kon gaan naar
huis, gisteravond nog."
"Dat kon onmogelijk! Je vond het zoo naar Hollander te zijn en
wou Javaan worden. Nu, ik zal je ook je zin geven. Je kunt het wel worden.
Je blijft eenvoudig hier en dan zal ik je alles leeren, wat je noodig
hebt om een Javaan te zijn."
"Maar ik wil niet, ik wil niet!" gilde het kind.
"Stil!" en met zijn groote met bloed beloopen oogen keek de
Hadji hem dreigend aan, "je moet geen wartaal spreken. Wat je gisteren
wilde, dat moet je van daag ook willen. Jij blijft hier en zoolang je
tegenspartelt, sluit ik je op. Wanneer je hier gewillig bent en alles
doet wat ik je zeg, dan zal ik je loslaten; voor
[68:]
loopig mag je niet
uit. Ik zal op je passen en ben ik uit, dan zal Nénèk
het doen."
"Maar mijn ouders dan?"
"Ik zal je vader zijn en Nénèk wordt je moeder."
"Neen, dat is niet waar! Ik wil weg, ik zal 't pa zeggen, leelijke
man, en die zal de politie waarschuwen."
"Je vader weet niet waar je bent, en kan 't ook niet weten; niemand
vermoedt, dat je hier opgesloten bent."
Nu begreep Johan pas den vollen omvang van zijn toestand, hij vloog
naar de deur en bonsde er tegen daar voelde hij een paar pijnlijke striemen
op den rug.
"Ik zal je behandelen, zooals ik mijn jongens doe," zeide
de Hadji, die met een rottinkje gewapend achter hem stond, "je
hebt nu je wil: Waarom verzet je er je tegen? Ik zal je wel leeren Javaan
te worden, dat vond je immers zoo prettig?"
"Maar niet zóó, neen niet zóó!"
"Wat wou je dan liever? Op zoo'n Hollandsche school zitten? 't
Hangt maar van jou af, een prettig vrij leventje te hebben, als die
andere jongens."
"Ik wil weg," snikte het arme kind steeds voort.
"Dan moet ik je opsluiten."
En de wreede man nam het kind in zijn sterke armen, droeg hem in de
kamer, waarin hij dien nacht
[69:]
geslapen had, en draaide den sleutel daarvan in het slot om.