HOOFDSTUK VIII.
Men begrijpt den
schrik van Johans vader en moeder, toen zij, tehuis komende, kleine
Nellie vonden met een verbonden hoofdje en nergens een spoor van Johan.
De wond van het meisje beteekende zooveel niet, hoewel zij erg gebloed
had, maar dat de kleine jongen nergens te vinden was, verontrustte de
ouders bovenmate.
Niemand herinnerde zich, hem gezien te hebben; baboe had het zoo druk
gehad met de beide meisjes en met kleinen Gus, dat zij onmogelijk naar
Sinjo had kunnen omzien.
Zij herinnerde zich niet, hem na het ongeval gezien te hebben; alle
bedienden waren op het gehuil van Nellie naar de voorgalerij gesneld
en in dien tusschentijd, herinnerde zich een hunner, was de jongeheer
heel vlug weggeloopen in de richting der bijgebouwen.
[53:]
Men zocht hem overal,
in de stallen, in de dispens [Provisiekamer.] In de bediendenkamers,
In den tuin, maar nergens, nergens een spoor van hem. De tuinmansfamilie
vermoedde wel iets, maar had goede reden te zwijgen. 't Was ook de vraag,
of zij iets wisten van de plannen van den Hadji, hun hoogvereerden bloedverwant;
maar in elk geval vreesde zij niets zoo zeer, als betrokken te worden
in een politiezaak en zochten dus dapper mede, voorgevende dat zij niets
van Sinjo afwisten.
Het verdriet van mevrouw Van Schermen laat zich beter verbeelden dan
beschrijven. Tegen den avond kreeg zij een hevig zenuwtoeval, waarbij
de dokter moest geroepen worden. Mijnheer had zijn handen vol werk;
hij moest zijn bedroefde vrouw zooveel mogelijk troosten en dan nog
alles in het werk stellen, om zijn verloren kind terug te vinden.
De omtrek werd overal doorzocht; men zond bedienden naar alle kennissen
der familie, om te vragen of Johan daar misschien gevlucht was, maar
natuurlijk vergeefs! Dat hij uit vrees voor zijn daad weggeloopen was
en zich ergens schuil hield, stond bij zijn vader vast; maar waar kon
hij heengegaan zijn?
[54:]
De nacht brak aan
en met de duisternis namen de angst en rusteloosheid der arme ouders
nog toe. Ook Mimi was zeer bedroefd; snikkend kwam zij bij haar moeder
staan, die half bewusteloos op een rustbank lag.
"Maatje-lief" vroeg zij, "als Johan terugkeert moet u
hem niet straffen; 't is eigenlijk de schuld van Nellie en van mij.
Toen wij niet meer met hem wilden spelen, heeft hij heel zoet zijn bouwdoos
gehaald, maar wij konden hem toen niet met rust laten en plaagden hem
telkens en toen is hij eindelijk kwaad geworden en gooide terug."
"Dat komt nu van je plaagzucht!" kermde mevrouw, "hoe
dikwijls heb ik je niet gezegd; je broertje is lichtgeraakt, geef hem
geen aanleiding tot drift. En nu is het te laat, wie weet waar hij nu
is, onze arme, arme Jo!"
"Maatje, zou hij nu buiten moeten slapen, in den donker?"
Maar mevrouw antwoordde niet: zij begon opnieuw hartverscheurend te
schreien en gaf zichzelf van alles de schuld. Zij had de kinderen niet
alleen moeten laten, zij had thuis moeten blijven, nu was haar zorgeloosheid
gestraft: zoo beschuldigde zij zichzelf, de liefdevolle, bezorgde moeder.
[55:]
En waar was nu
de oorzaak van al dat verdriet, de onbedachtzame, nieuwsgierige, ondeugende
Johan?
Hij reed in het karretje langen tijd voorbij Europeesche en Chineesche
woningen. Eerst vond hij dat rijden heerlijk; veel prettiger zitten
was 't in zoo'n wagentje dan in den mooien landauer van papa; al het
vreemde, dat hem omgaf, vond hij prettig en interessant.
Toen hij honger begon te krijgen, liet zijn geleider het karretje stilhouden
voor een warong [Gaarkeuken.] en kocht hem wat rijst en gedroogd vleesch,
dat op een pisangblad in plaats van een bord werd voorgediend.
Johan at met zooveel smaak, als hij zich niet herinneren kon, ooit thuis
gegeten te hebben; tot dessert kreeg hij nog kwee-kwee, en tevens nam
de Hadji een zak vol katjangs [Curaçaosche noten] mee in het
karretje, om onderweg op te peuzelen. Dat was natuurlijk geheel in Jo's
geest; hij vond, dat hij nog nooit zoo prettig was uitgeweest; de katjangs
waren in een oogenblik op en nu de zon weg was, en men de stad achter
zich had, genoot hij van de heerlijke frissche lucht.
Het was een prachtige natuur, die hen omringde, maar hierop lette Johan
niet erg; hij was nog te jong
[57:]
om daar veel oog
voor te hebben. Hij zag uitgestrekte rijstvelden, heuvels en dalen,
hooge boomen en kampongs [Javaansche dorpen.] en Chineesche graven,
maar van de berg bemerkte hij weinig meer.
"Waar is de Oenarang?" vroeg hij.
"Wel, wij klimmen er reeds op," was het antwoord.
"En ik merk er niets van; ik zie niets blauws om mij heen."
De Hadji lachte en nu vroeg Jo, of men haast aan de mooie woning, waarvan
hij zooveel gehoord had, zou komen.
"Dadelijk, dadelijk!" hernam de ander.
Intusschen begon de avond te vallen en onwillekeurig werd Johan bang;
hij hoorde overal luid sissen en piepen; dat waren de krekels en andere
insecten, die hun nachtelijk gezang deden hooren, maar Johan voelde
zich zoo moedig niet als van middag.
"Is het nog ver?" vroeg hij telkens.
"Neen, neen, wij zijn er vlak bij."
"Maar Hadji, dan kunnen wij van avond niet meer terug zijn in huis."
"Morgen kan 't immers ook wel."
Voor 't eerst dacht hij aan zijn ouders, hoe ongerust
[58:]
zij zich over hem
zouden maken, en hij begon iets te voelen als spijt.
"Hadji, wat zullen pa en ma zeggen, als zij mij missen?" vroeg
hij.
"Ze zullen je gaan zoeken, Sinjo."
"Ja, maar als zij mij niet vinden?"
"Dan gaan ze rustig slapen."
"Neen, dat geloof ik niet! Hadji, je moet mij maar t'huis brengen,
keer als 't je blieft om!"
"Neen, jongeheer! dat gaat niet! We zijn er nu veel te dicht bij.
Waarom ben je nu bang? Denk eens aan al 't moois, dat ik je zal laten
zien."
"'t Kan me niets meer schelen! Hadji, ik wil naar huis!"
"Neen, nu gaat het niet meer!"
Dit werd zoo streng en barsch gezegd, dat Johan begon te beven en een
oogenblik stil bleef.
"Wat ben ik begonnen?" dacht hij. "'t Was toch beter
geweest, stil thuis te blijven en de straf te ontvangen, die ik verdiend
heb, dan met een vreemden man weg te rijden zonder er iemand iets van
te zeggen. Ik wou, dat ik het niet gedaan had."
In de verte zag hij iets glinsteren; angstig greep hij den arm van den
Hadji en riep:
"Kijk eens, kijk eens! daar ginds! zijn dat niet de
[59:]
oogen van een tijger?
Die gloeien des nachts zoo!"
"Domme jongen!" antwoordde de Hadji, "dat zijn lichten
van vuur, niets anders. Kom, wees nu zoo gek niet."
Maar 't werd hoe langer hoe akeliger. De nacht was geheel gevallen en
de hemel was met millioenen sterren bezaaid. De wind zette hevig op
en het hooge gras, dat hier langs den weg in onafzienbaar wijde velden
groeide, ruischte zoo geheimzinnig en akelig, dat de schrik Johan meer
en meer om het hart sloeg.
"Ik wil naar huis, naar huis, naar moe!" snikte hij.
"Houd je stil, kwâjongen!" snauwde nu de Hadji, "je
bent uit eigen beweging meegegaan, nu blijf je ook bij mij."
"Neen!" gilde Johan, "neen! je bent een slecht mensch,
Hadji, je hebt mij belogen, ik wil naar huis, ik zal 't pa zeggen en
die zal de politie waarschuwen."
"Houd je stil of ik stop je mond dicht!" beval de man en zijn
oogen vonkelden zoo akelig, dat het bloed den kleinen Johan bijna in
de aderen stolde.
"Wil jij je nu stil houden?" ging de verschrikkelijke man
voort, hem strak aanziende.
"Ja, ja. . . . . . wel. . . . . mijnheer. . . . . . Hadji. . .
." sta
[60:]
melde het ongelukkige
ventje, "maar breng je mij dan ook terug naar huis?"
"Zeker, zeker, maar geen kik meer, hoor! Anders word ik zeer boos!"
Johan dwong zich met geweld tot stilzitten, hoewel 't hem heel veel
moeite kostte en hij over zijn heele lichaam beefde als een riet.