Hoofdstuk X.
De
ongelukkige Johan schreide, zoolang hij nog schreien kon. Eindelijk
zat hij hikkend en naar adem hijgend op den rand van zijn zoogenaamd
ledikantje en keek naar buiten.
Daar was weinig te zien; het raam, vrij hoog van den grond, was van
ijzeren traliën voorzien, een groote boom stond er voor en bewoog
zijn van dikke bladeren voorziene takken heen en weer.
Langen tijd keek hij naar die takken en zuchtte diep; nu begreep hij
eerst goed zijn ongelukkigen toestand. Ach! wat had hij dikwijls verlangd
naar een avontuur, waarover hij in boeken zooveel gelezen had en nu
beleefde hij er waarlijk een. Maar zoo akelig, zoo ongeloofelijk! Wat
zou hij beginnen? De Hadji, dat begreep hij spoedig, was tot alles in
staat; zij zou hem slaan, opsluiten, misschien wel vermoorden, en niemand
wist er iets van! Zijn goede ouders zouden nooit meer iets van gem hooren;
och, och! wat was hij toch ongelukkig!
Aan ontvluchten viel niet te denken. Dit was geen
[70:]
gewoon
Javaansch huis, dat open en bloot in een kampong stond, maar een kleine
vesting, van alle kanten door muren omringd; daarenboven werd het door
veel menschen bewoond, die allen Pah Sintro blindelings gehoorzaamden.
Door geweld was niets te bereiken en toen dacht Johan er aan, of hij
misschien door list te gebruiken niet verder zou komen.
Zoodra hij dit bedacht had, begon er een beetje hoop in zijn hart op
te leven. Ja zeker, hij zou veinzen, dat hij hier zeer gaarne was, hij
wilde den Hadji vragen hem te vergeven, en toe te staan hier te blijven;
met de andere jongens zou hij ook vriendschap sluiten en zoodra hij
dan meer vrijheid kreeg en de kans schoon zag, zou hij ontvluchten.
Als hij maar eens buiten deze muren was, dan zou hij wel naar Samarang
loopen. Het stond hem voor, dat hij den weg heel gemakkelijk vinden
kon. Dat 't ver was, kon hem niet schelen; als hij moe te huis kwam,
dan zou hij daar wel uitrusten, bij pa en mama en Gusje en Mimi.
Hoe verlangde hij thans naar zijn zusje, met wie hij anders zoo slecht
overweg kon, terug te zien. Neen, nooit meer zouden zij samen kibbelen,
nooit meer zou hij zich driftig maken; dit beloofde hij zich plechtig
en hij was zeker dat het hem zeer gemakkelijk zou vallen, zijn belofte
te houden.
[71:]
Nu
hij dit alles bedacht had, werd hij veel kalmer en verlangde er zelfs
naar, dat men de deur zijner gevangenis zou openen. Dit gebeurde echter
zoo spoedig niet. Hij hoorde, dat de Hadji school hield; de javaansche
kinderen zongen met een eentonigen deun spreuken uit den koran. [Het
heilige boek der Mahomedanen.]
't Scheen, dat Pah Sintro een soort kostschool had; vele Javanen uit
den omtrek hadden hem hun zoons toevertrouwd. Eindelijk begon het Johan
te vervelen, opgesloten te zitten; hij klopte uit al zijn macht tegen
de deur en toen de Hadji op gemelijken toon hem beval te zwijgen, zeide
hij met een smeekend stemmetje:
"Och Pah, laat me er uit, ik wil ook mee leeren! Ik zal zoet zijn
en niet meer vragen om naar huis te gaan."
De Hadji vond deze verandering misschien te groot en te spoedig gekomen,
om niet aan haar oprechtheid te twijfelen; een beetje wantrouwend maakte
hij de deur open en zeide:
"Ben je verstandig geworden?"
"Ja zeker, ik was gek om zoo te huilen. Ik had 't zelf gevraagd
met u mee te komen, en ik heb altijd verlangd Javaan te worden, maar
ik was alleen een beetje bang nog, dat is nu over!"
[72:]
"Zoo!"
De Hadji vertrouwde het nog maar half, doch in elk geval was 't nu gemakkelijker
met den jongen klaar te komen dan zoo even, toen hij zich zoo weerspannig
toonde. "Als dat zoo is, dan moet je beginnen javaansche kleeren
aan te trekken."
Dit vond Johan alles behalve prettig, maar hij besloot zich hieraan
te onderwerpen, en zonder eenig verzet liet hij de oude vrouw hem zijn
kleertjes uitdoen en in plaats daarvan een sarong aantrekken en een
kort buisje, terwijl zij zijn hoofd met een hoofddoek omwond. Jo's gezicht
was zeer door de zon verbrand en zooals hij nu als kleine inlander gekleed
was, zou niemand op het eerste gezicht in hem een europeesch kind herkend
hebben.
Voor vandaag mocht hij op een matje zitten en naar het zingen van de
kinderen luisteren; tegen den middag mochten de kinderen wat buiten
gaan spelen en Johan vergezelde hen.
Achter het huis bevond zich een grasveld, en Johan gaf zijn oogen goed
den kost, om het terrein te verkennen. De muur, die een manshoogte had
en van boven met scherven bezet was, liep rondom het erf, dat van achteren
door bijgebouwen afgesloten was. Door den stal, waarin zich behalve
twee kleine paard
[74:]
jes
nog een karbouw bevond, kwam men op het grasperk, dat aan de overige
drie zijden met een dikke haag was omringd. Van achteren werd het stuk
grond begrensd door een rivier, links en rechts strekte zich een dicht
bosch uit en aan de voorzijde sloot een ijzeren hek met scherpe punten
het smalle voortuintje van den weg af. Aan ontvluchten viel dus vooreerst
niet te denken. De jongens waren niet onvriendelijk tegen den nieuwaangekomene,
maar zij spraken allen javaansch en hiervan verstond Johan heel weinig.
Hij had niet den minsten lust met hen te spelen en zette zich in een
hoekje neer, denkende aan zijn dierbaar tehuis.
Zoo gingen er een paar dagen voorbij. Alles begon Johan hier hoe langer
hoe meer tegen te staan; maar hij had ondervonden dat huilen, schreien,
bidden en smeeken niets hielp en dat dus geduld de boodschap was, in
afwachting dat hij gelegenheid zou hebben te vluchten.
's Nachts schreide hij zich altijd in slaap, en als hij dan eindelijk
sliep, droomde hij van zijn lieve moeder, dat zij hem terugzag en hartelijk
kuste, terwijl zijn vader hem streng aankeek, alsof hij hem zwaar wilde
straffen, maar eindelijk hem op den schoot nam en zeer vriendelijk zeide:
[75:]
"Neen,
ik zal je niet meer straffen. Je hebt voor je ondeugendheid genoeg straf
gehad."
En dan kwam Mimi en liet hem al zijn speelgoed zien, niets ontbrak,
aleen was er een mooie, kleine locomotief bij, die zelf stoom maakte
en vooruitging, juist zooals hij laatst met papa in de toko had gezien;
en hij vertelde Mimi, dat hij in zijn gevangenschap beloofd had, haar
nooit meer te zullen plagen. En kleine Gus was al zoo groot geworden,
dat zij samen konden spelen.
Maar niet altijd waren die droomen zoo prettig.
Eens verbeeldde hij zich, dat hij thuis kwam; zijn eerste vraag gold
mama, daar zag hij papa met een.zeer bleek en bedroefd gezicht naderkomen.
"Vraag jij naar je moeder?" sprak hij barsch. "Kom hier,
daar is zij, dood door jouw schuld!"
En toen zag hij mama met gesloten oogen, doodsbleek op haar bed liggen,
zooals hij een paar jaar geleden tante Koosje had gezien, wat hij nooit
kon vergeten.
Met een gil werd hij wakker, het koude zweet brak hem uit en hij begon
hardop te schreien, zoodat de jongens er wakker van werden.
"Wat is er?" riep Amat, de oudste zoon van den Hadji, een
opgeschoten knaap, die zijn vader hielp toe
[76:]
zicht
houden op de andere jongens: "houd je toch stil."
"Mijn moeder is dood!" snikte Johan, "ik wil naar huis,
naar huis, ik wil mijn moeder zien!"
"Houd je stil, straks wordt Pah Sintro wakker."
Die bedreiging was voldoende, om Johan te doen ophouden, doch hij snikte
nog langen tijd in stilte en het bonte kussen waarop hij lag, werd nat
van zijn tranen.
Dien nacht deed hij geen oog meer toe en hij verloor alle hoop, ooit
uit dit akelig huis verlost te worden en zijn ouders terug te zien.